Henry Rollins :: 29 januari 2016, De Spil (Roeselare)

Henry Rollins. De vlammende vuurspuwer, het ontembare orakel. Al meer dan vijfendertig jaar reist hij van podium naar podium. Ooit met de ziedende punk die nog altijd in zijn DNA zit, sinds enige tijd exclusief met het gesproken woord. En als nonkel Henry langskomt, dan zijn wij steevast van de partij. Omdat we weten dat we niet teleurgesteld zullen worden. Ook nu niet.

“Fuck it. I don’t feel like writing anything. Life has slowed down to a crawl. Without the tour, I don’t know what to do with myself. I feel like getting in a fight or slicing myself up some.” De laatste dagboeknotities (van 12 juli 1986) in Get In The Van, On The Road With Black Flag (1994), een verslag van Rollins vijf jaar als explosieve speerpunt van een van de belangrijkste indie bands van z’n tijd, maken het al duidelijk: voor deze man is er maar één leven en dat speelt zich af on the road. Ooit in krappe camionettes, op krakkemikkige podia en op vochtige vloeren, nu in meer comfortabele hotels, concertzalen en coaches. Die drang om de wereld te zien is een constante, maar Rollins is niet meer die zich in zelfhaat wentelende misantroop die hij toen was.

Of beter: hij is niet eenzaam, maar wel een eenzaat. Te onrustig om op één plaats of bij één persoon te blijven. De zelfhaat en depressies leiden niet enkel meer tot gitzwarte introspectie en misantropie, maar zijn een extra aanleiding om de wereld in te trekken. Niet alleen in een tourbus, maar ook op z’n eentje, met niet veel meer dan een rugzak, een camera en wat proteïnerepen. Naar landen waar Dubya zijn volk voor waarschuwde, zoals Syrië en Afghanistan (en “Iran… it’s full of Iranians”). Sprak Rollins vroeger vooral over zijn ervaringen als muzikant, waarbij hij in hoofdzaak zichzelf grondig te kakken zette, dan profileert hij zich nu als een echte Renaissance man, met een onstuitbare nieuwsgierigheid naar kennis en ervaringen. Maar niet als hoogtepunt van de schepping.

Rollins is ook een man met een olifantengeheugen, waardoor hij zijn 140 minuten durende performance aftrapte met een herinnering aan zijn eerste Belgische optreden, dat plaatsvond aan het einde van 1987 (Black Flag speelde in totaal zes Nederlandse concerten, maar nooit in België), iets verderop in de Limelight (Kortrijk) en waarvan stukken terechtkwamen op Life Time en Do It, de eerste albums van zijn Rollins Band. Snel schakelde hij over naar de politieke actualiteit, het kapsel van Donald Trump en een mogelijke verklaring waarom een dergelijk figuur überhaupt gehoord wordt: een falend onderwijssysteem en weinig kennis over wat er in de rest van de wereld gebeurt. En dat vooral in flyover country, het stuk Verenigde Staten tussen Oost- en Westkust, waar de conservatieve reflex het sterkst aanwezig is.

Rollins wil een alternatief. Hij is nog altijd geen gezelschapsmens, houdt niet van groepen en al helemaal niet van regeringen. En daarmee lijkt hij steeds sterker op een echo van wijlen George Carlin: “I love and treasure individuals as I meet them, I loathe and despise the groups they identify with and belong to.” Meer nog dan een gesprek voeren of een discussie aanzwengelen, wil Rollins echter een verslag uitbrengen en een mening ventileren. Werden een paar van zijn vorige shows gedomineerd door de falende regering (het genadeloze fileren van Dubya’s taalgestuntel behoort nog altijd in het pantheon van klassieke Rollins-momenten), dan stond hij nu slechts heel kort stil bij Obama en het besef dat hij het als een van de weinige Amerikanen nog opneemt voor zijn president.

De show stond vooral ook in het teken van zijn talloze reizen. Naar Haïti, met een (eerder gehoord) verhaal over hoe onwetendheid over culturele regels in je gezicht kan terugkaatsen. Naar Ecuador, waar hij de wonderen van de natuur ondervond. Naar Cuba, waar hij high werd van de cafeïne. En naar Mali en Oeganda. En tenslotte naar Antarctica, waar hij zich ging verdiepen in klimaatverandering en biodiversiteit, en besliste om de eerste mens ooit te zijn die luisterde naar The Stooges’ Raw Power, terwijl hij met zijn slaapzak in pinguïnstront lag. Kortom, een extensieve routebeschrijving vol zelfrelativerende humor en verslaafdheid aan impulsen, contacten en inzichten.

Hij nam, zoals verwacht, ook ruim de tijd om stil te staan bij recent overleden helden, zoals David Bowie, die hij ontmoette op Rock Werchter in 1997, en Lemmy, wiens pad hij zo vaak kruiste. Het leidde tot warme en soms hilarische herinneringen die verteld werden met fonkelende ogen, die bekende woordenvloed en een tempo dat geen ruimte liet voor pauzes of zelfs een slok water. En wat al die herinneringen aan plaatsen en ontmoetingen opleverde, meer nog dan een zak goede verhalen, is een portret van Rollins zelf. Hoewel hij zijn eigen intelligentie en verwezenlijkingen voortdurend minimaliseert, krijg je tussendoor een genuanceerd beeld van een moeilijk, vaak vernederd kind, dat jarenlang in een rilatinewaas verkeerde, gered werd door de punk en vervolgens uitgroeide tot een variant op Hubert Selby’s zelfomschrijving “a scream looking for a mouth”. Al maakt Rollins er “I’m an open mouth waiting for a scream” van.

En ondanks (en net door) die sociale onhandigheid, zelfverdedigingsmechanismen en dat zelfopgelegde isolement, is er ook die immense, onvoorwaardelijke liefde voor de muziek -– de man horen spreken over The Ramones en Joe Strummer stuwt je elke keer weer naar het puntje van je stoel. De gedachte dat we als mens tot beter in staat zijn dan wat we laten zien, zorgt ervoor dat je deze hardcorelegende, die voor velen nog altijd een wandelend testosteronongeluk is, eigenlijk vooral een schouderklop wil geven. We hoorden de man al scherper en dieper kerven, misschien omdat er deze keer toch wat minder aandacht ging naar politiek en maatschappij (en hij niet zo sterk de confrontatie opzoekt), en de manier waarop hij overschakelt van het ene onderwerp naar het andere is ongeveer zo subtiel als die eerste langspeler van Black Flag. Maar het is een geboren verteller, een kerel met een imponerend taalvermogen en een directe link tussen zijn brein en zijn mond. De ideale man om mee aan de toog te hangen, al heeft hij daar ongetwijfeld geen tijd voor.

Het slotkwartier, waarin hij belandde bij de nakende presidentsverkiezingen en het terrorisme dat een paar maanden geleden toesloeg in het hart van Europa, werd nogal gejaagd afgehaspeld, maar was ook een persoonlijk slot. De boodschap: als je van plan was om dit jaar vijftien concerten te bezoeken, maak er dan vijftig van. Kom uit je zetel en je comfortzone, bezoek plaatsen en ontmoet mensen. En zo kan zelfs deze maniakale eenzaat niet ontkennen dat interactie met anderen, al dan niet van op een podium, centraal staat. “No man is an island, entire of itself.” Een jaar of vijfentwintig geleden kregen we een eerste afranseling van deze selfmade man. Deze keer was het een reisgids en een (iets) zachtaardigere stamp onder de kont. Henry Rollins: vitaminekuur en inspiratiebron in één.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + twaalf =