Louis Paul Boon :: Niets gaat ten onder

Na het verschijnen van De Kapellekensbaan in 1953 gold Louis Paul Boon als een van de literaire goden in Vlaanderen. Zijn doorwrochte roman die Vlaanderen een spiegel voorhield, was niet alleen in zijn structuur met verschillende vertelperspectieven en tijdskaders, maar ook in zijn taalgebruik en verhaalopzet indrukwekkend te noemen. Geen wonder dat de novelle Niets gaat ten onder (1955) zo lauw onthaald werd.

Oppervlakkig gezien lijkt het er ook naar dat Boon het werk snel van onder het stof gehaald heeft in afwachting van Zomer te Ter-Muren (1956, het vervolg op De Kapellekensbaan). Wie echter dieper graaft, merkt hoezeer een aantal favoriete thema’s van Boon — vervreemding, eenzaamheid en het eruit voortvloeiende verlangen en de eraan gekoppelde wreedheid — ook hier veelvuldig aanwezig zijn. Het grimmige noodlot dat zoveel van zijn personages beschoren is, loert ook hier steevast om de hoek, zelfs wanneer ze er ogenschijnlijk aan ontsnappen. De dood is soms genadiger.

Een gedachte die ongetwijfeld ook in Frans Ghoedels zou zijn opgekomen, ware het niet dat hij nooit veel meer dan een willoos object geweest is. Een instrument in de handen van anderen, gelijk aan het instituut waarmee hij vergroeid is. Het is de onderliggende gedachte die Boon uitwerkt in deze novelle wanneer hij de vlucht voorwaarts van Ghoedels gelijk laat lopen met Constructa, waar hij niet alleen school loopt maar later ook carrière maakt. Het is immers maar een kleine vakschool, nauwelijks de naam waardig, wanneer Ghoedels er zijn eerste stappen zet en een vak leert.

Dat hij daarna verbonden blijft aan de school verbaast niet eens, net zo min als het feit dat hij huwt met de eerste vrouw die zijn leven binnen treedt, zonder dat er van liefde of lust sprake is. Dat laatste is voorbehouden aan Eva, dochter van Broecks (voormalig metser en niet toevallig een van de krachten achter het instituut), die samen met haar volgzame (en willoze) vriendin Margaret mannen het hoofd op hol brengt en symbool staat voor de gevallen, gewetenloze vrouw die in elke roman van Boon naar voor komt.

Agnes, de vrouw van Ghoedels, komt er al even bekaaid van af. Lust lijkt haar vreemd te zijn, maar in haar eerzucht en ambitie kent ze enkel in Eva haar gelijke. Het is zij die Ghoedels opjaagt en hem dwingt steeds hoger op de maatschappelijke ladder te klimmen, zonder oog te hebben voor zijn verlangens of geluk. Zelfs wanneer die laatste beginnen te woekeren en culmineren in een wrang hoogtepunt (of is het een dieptepunt?), geldt dat niet als een zielloos einde voor de antiheld, want net als zijn instituut is hij een naam geworden, een instrument dat niet ten onder gaat, wat er om hem heen ook gebeurt.

Het is een naturalistische visie die Boon naar voor schuift in Niets gaat ten onder, met een wereld bevolkt door schlemielen, sukkelaars en gewetenloze schurken die eigen ambitie boven alles plaatsen, zelfs het menselijke leven. Boon gunt de lezer geen rustpauze of catharsis maar sleurt hem mee op de helletocht van Frans Ghoedels, een man die te zwak is om ook maar een seconde voor zichzelf op te komen en net daardoor, ondanks alles, overleeft.

De kortaangebonden stijl en het totale gebrek aan nog maar een flard hoop op verlossing maken dit een haast ondraaglijk en archaïsch werk, dat ogenschijnlijk in niets gelijkt op het befaamde De Kapellekensbaan. Toch bevat het werk wel degelijk alle Boonkenmerken. De sterkte en zwakte van Niets gaat ten onder schuilen dan ook in zijn condensheid, die aan Boons duisternis alle ruimte geeft en daar niets voor in de plaats stelt, vanuit het besef dat niets ten onder gaat en dat ook dit boek vroeg of laat opnieuw zou opduiken in het oeuvre van Boon. QED.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 + 10 =