Pukkelpop 2011 :: Van uw verslaggevers ter plaatse

Dit is het live geupdate Pukkelpopverslag, zoals dat op donderdag 17 augustus 2011 tot 17.30u. werd aangevuld.

Een inleiding? Live Pukkelpopverslagen behoeven geen inleiding. U weet wat we doen, wij weten wat doen. En avant la musique, dus: drie dagen lang on the spot nieuws van op de wei.

Geen betere manier om een festival te starten dan met wat goeie ouwe seventiesrock. White Denim mag er dan wel uitzien als een bende volslagen nerds, wat ze uit hun gitaren toveren, leunt nog het dichtst aan bij Black Sabbath en Led Zeppelin — met de nodige slimme moeilijkdoenerij, dat wel. Tijdens “Say What You Want” is het af en toe zoeken naar de song tussen de riffs, maar wanneer frontman James Petralli zijn strot opentrekt en een geluid produceert dat het midden houdt tussen Robert Plant en Jeff Buckley, zit het er knál op. Toch blijft het balanceren op een slappe koord: In “Street Joy” vervalt de band in vermoeiend gepriegel, en het is wachten tot de roffelende slotminuten voor ze zichzelf uit die haast vicieuze cirkel van solo’s bevrijd hebben.

Zo’n vroege namiddag is ook het geschikte moment voor een vergelijkend one-hit-wonder-onderzoek: in de club staat Fitz & The Tantrums (u bekend van “Moneygrabber”), terwijl op dat zelfde moment Noah And The Whale zijn kunstjes mag tonen in de Marquee. Bij die laatsten is het een nogal duffe bedoening: we geloven graag dat Charlie Fink de nodige tijd gestoken heeft in zijn podiumoutfit (netjes bijpassend hemd en das), maar meer inspanning doen voor dit optreden zit er blijkbaar niet in. Zijn wat flauwe stemgeluid komt nauwelijks boven de rest van de band uit, en tijdens “Tonight’s The Kind Of Night” missen we fatsoenlijke backing vocals om het geheel wat op te peppen.

Heel anders gaat het er aan toe bij Fitz & The Tantrums: hoewel wij niet bepaald saxofoonadepten zijn, maakt de door orgeltjes gedragen indiepop van Michael Fitzpatrick en Noelle Scaggs zelfs met dat alomtegenwoordige instrument onmiddellijk stukken meer indruk. Zelfs het platgecoverde “Sweet Dreams” heeft baat bij de funky, haast Doors-achtige behandeling die het hier meekrijgt, en “Moneygrabber” zorgt voor het eerste kleine feestje van de dag. Fitzpatrick laat iedereen klappen en meezingen, Scaggs danst de ziel uit haar lijf en wanneer de tent recht veert voor het laatste refrein zijn we zeker: Pukkelpop is nu echt begonnen.

Meer hitjes in de Marquee, met dank aan The Wombats. Wij duiken de tent in tijdens een galmend “Jump Into The Fog”, dat hier een nogal logge, weinig flatterende uitvoering krijgt. Het is tekenend voor de set van deze heren uit Liverpool: het ontbreekt hen in het geheel niet aan catchy songs — het “Shut up and move with me move with me” van “Techno Fan” is instant meezingbaar, en ook “Backfire At The Disco” zou een onweerstaanbaar popnummer kunnen zijn — maar het klinkt allemaal compleet ongeïnspireerd en zelfs wat futloos.

Dat de band nogal graag terugvalt op steeds dezelfde trucjes (drumroffeltje, meezingrefreintje, galmgitaartje) helpt ook niet echt, en dan laten we de zeurderige jongetjeszang van Matthew Murphy nog buiten beschouwing. Bij “Anti-D”, met zijn mokerdrums en verplichte armzwaaien, dachten we zelfs even bij Glasvegas beland te zijn, en aangezien die er even later gewoon zélf stonden, hadden wij het bij deze Wombats wel gezien.

Glasvegas dus maar? Voorbarig is ons juichen bij de eerste tonen van opener “Flowers & Footballtops”. Wat een emotionele mokerslag van jewelste moet zijn, is op twintig meter van het podium een zielig wegwaaiend soepje. Tien meter dichter is het maar een tikje beter. Nog steeds horen we enkel diepe bassen en James Allan’s zang, van gitaren is akelig weinig te bespeuren. Neen, het is al snel duidelijk; dit Glasvegas had véél beter gerendeerd in de Marquee waar het zijn gebruikelijke tornado’s kan ontketen. “You” wordt zo vier minuten treurnis, en ook “Go Square Go” haalt het niet helemaal van de omstandigheden. Dat Allan vruchteloos probeert het maar kleine publiek mee te sleuren in dat “Here we fucking go” en dat niet echt mee wil, maakt het er niet beter op. Het is wachten op “Geraldine” en een afsluitend “Daddy’s Gone” vooraleer iets van een vonk wil ontbranden. Gemiste kans; doe ons nog maar een zaalconcertje in het najaar, James!

Wie even genoeg heeft van de drukte, moet aan de andere kant van het terrein zijn, bij The Go! Team in de Dance Hall. En gedanst moet er daar worden: “Who’s rubbish at dancing? Let me teach you some moves”, schreeuwt frontvrouw Ninja het kleine publiek toe, en dat kan niet anders dan gehoorzamen. Op kleine energiebommetjes als het spetterende “Bottle Rocket” (zelfs een mondharmonica kan blijkbaar dansbaar zijn) en “Ladyflash” is stilstaan onmogelijk, al is het maar omdat de kleine, met kattenoortjes getooide Ninja zelf zo onvermoeibaar goedgezind staat te wezen. De vrolijke cheerleaderschreeuwpop, die volgestouwd is met xylofonen, hyperkinetische drumroffels en enthousiaste samenzang straalt een ongelooflijke power uit. Het optreden ontaardt dan ook moeiteloos in een klein, zweterig feest, en zo hebben we het al eens graag.

En toen ging Team Goddeau Smith Westerns zien. Daarna zouden we verder schrijven, over Edward Sharpe en Explosions In The Sky. Wat er gebeurd is, weet u. Iedereen van goddeau is — op een lichte hoofdwond na –gelukkig ongedeerd gebleven. Onze gedachten zijn bij ouders, familie en vrienden van de slachtoffers, en bij de organisatie voor wie dit de zwartste dag van hun leven moet zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × twee =