Tussen de oorsuizingen en de blauwe plekken door :: het Graspopverslag




Festivals hebben hun risico’s. Zeker Graspop is niet compleet
ongevaarlijk. Hoewel het publiek ondanks de looks
doorgaans zo mak is als een lammetje, brengen de optredens een
energieboost naar boven. Resultaat: blauwe tenen van alle
combatboots die er op los stampen, een kapotte bril voor
iemand uit mijn gezelschap en een elleboogstoot in de nek voor een
andere compagnon. En uiteraard het vertrouwde gevoel van
aanrollende golven in je oren dat na twee dagen nog blijft hangen.
Nochtans bleven we verantwoord sukkelen met oordopjes, maar
helaas.

Wat bij deze editie meteen opviel, is dat de metal meeting serieus
uit zijn voegen begint te barsten. Zowat de helft van het
opgedaagde festivalgrut kwam uit het buitenland. En hoe meer volk
er elk jaar bijkomt, hoe minder de organisatie er op voorbereid
lijkt. Drie uur aanschuiven voor een festivalbandje is zonder loden
bagage al een marteling, laat staan met. Als de tent uiteindelijk
om middernacht rechtstond, konden we voldaan neerploffen en dromen
over het leuke deel van het weekend.

De Johnny Cash Jelly curl

Vrijdag had de minst indrukwekkende line-up van de drie dagen, maar
was niettemin al de moeite waard. Met Volbeat als
persoonlijk hoogtepunt. Geen typische graspopband, maar wel een
livesensatie die in metalmiddens en ver daarbuiten gesmaakt wordt.
Zanger Michael Poulsen beschikt over een charmante stem en vetkuif.
Die laatste moest er na een tiental minuten spijtig genoeg aan
geloven door de combinatie zwaartekracht, zweet en headbangen. De
die hard fans compenseerden dat verlies door zelf de
vingers in de gel of wax te dopen. Poulsen’s gevoel voor humor
zorgde trouwens voor rake imitaties van Metallica en Mötorhead,
amper te onderscheiden van het origineel. Met een Johnny Cash-cover
deed de band een laatste gouden zet.

Korn, dat in de nineties de nu-metal op
de kaart gezet heeft, was de leverancier van de grootste (maar
daarom niet de beste) verassing van het weekend. Zoals genregenoten
Linkin Park destijds begonnen te flirten met de zuivere hiphop van
Jay-Z, zo slaat Korn de dubstepweg in. Elektronische muziek op
graspop, het zorgt voor veel gefrons en onbeweeglijke lichamen. De
rest van de set trakteerde, als een soort goedmakertje, op
alle grote hits van vroeger in soundmixstijl door elkaar
gehusseld zonder ooit iets volledig uit te spelen. Denk ‘Shoots and
Ladders’ overgaand in ‘Falling Away from Me’ en de Metallica cover
‘One’ telkens afgekapt voor het hoogtepunt. Jammer.

Een straffe ontdekking was het Russische Arkona.
De band speelde ongenadig vroeg op de dag, maar na één nachtje
camping slagen best veel metalheads erin op tijd op te
draven. De in de moedertaal uitgevoerde folk was verrassend
origineel en aanstekelijk. Allerlei bizarre dansjes staken in het
publiek de kop op. Het leek wel een bijeenkomst van de krolse
kreupelenbrigade.

Heaven Shall Burn hebben wij ook snel meegepikt.
Hoewel de bandnaam afkomstig is van een album van black
metallegende Marduk, staan de Duitsers garant voor een chaotisch
potje metalcore. Heel erg Amerikaans getint, heel erg stevig maar
live allesbehalve een dikke brij. Originaliteitsprijzen zitten er
niet in, maar als hap tussen de vettige festivalkost door kon dit
wel smaken. Bovendien is de positieve boodschap van de pacifisten,
anti-racisten en veganisten eens iets anders dan de clichés waar
veel andere bands mee naar buiten komen. Waag het alleen niet een
stevige boulet of frikadel naar binnen te spelen op de
eerste rij.

Meer jelly curls én blote borsten

Zaterdag was uw verslaggever nog niet onderhevig aan katers,
chronisch slaaptekort of metaalmoeheid en sleepte ik me meteen voor
de dagopener naar de wei. Diablo BLVD (afbeelding
1) kreeg het opvallend groot opgekomen publiek moeiteloos wakker
geschud. De groep rond Alex Agnew is slechts de derde Belgische
band die op de Mainstage zijn kunstje mag vertonen na Channel Zero
en Skitsoy. Een serieuze eer voor de komiek, zanger, spring in ‘t
veld en zijn gevolg. Als frontman heeft Alex de allure van Michael
Poulsen van Volbeat, niet toevallig ook een muzikale
genretegenhanger. Zelfs de vetkuif zagen we op het hoofd van de
binnenlandse brulkikker paraderen. En in tegenstelling tot die van
Michael, weerstond dit rock-‘n-roll-kapsel wel de gevolgen van een
energieke show. Mocht de steengoede muziek nog niet genoeg
argumentatie zijn om opgefrist te worden, dan toch het drie paar
blote borsten waar de band voor zorgde. Voor zover wij weten een
absoluut graspoprecord. Hoe groter de zichtbare welvingen,
hoe kleiner de mannelijke wallen onder de ogen werden. De
security werd danig op de proef genomen met een andere
oproep van Alex. Het verbod op crowdsurfen moest sneuvelen
door voluit met twintig man tegelijk de mensenzee te
trotseren.

Nog in extase van de ferme dagopener, huppelde ik richting Marquee
en het optreden van Kvelertak, een van de meest
besproken nieuwkomers van het jaar in het Noorse muzieklandschap.
Bekend met de hype maar onbekend met de muziek verwachtte ik vooral
een potje ruwe black metal. Het werd veel meer dan dat. Metalcore,
hardrock en ouderwetse rock-‘n-roll sluimeren dicht onder de
oppervlakte. Extreem verrassend, maar daarom nog niet even
overtuigend. Misschien ligt het aan het feit dat je dit soort
complexe muziek beter eerst op plaat checkt. Misschien was de band
niet honderd procent in vorm. Hoe dan ook, deze show kon moeilijk
overtuigen en begon na een tijdje zelfs stierlijk te
vervelen.

De volgende stop had Kylesa moeten worden. Spijtig
genoeg staken een rommelende maag en lange wachttijd aan de
Carrefour-Express op de camping daar een stokje voor. De
taboulé met fruitsla als dessert kostte bovendien
schandalig veel geld. Gelukkig werd de portefeuille nog altijd iets
meer gespaard dan op de wei zelf, waar een piepklein drankje
oploopt tot twee euro en een half. Uiteindelijk de ondertussen
behoorlijk vermoeide benen en zware maag in beweging gekregen om
Triptykon van een bezoekje te voorzien. Veel meer
dan een pitstop is het niet geworden. We stipten in de
voorbeschouwing op uw webstek de nieuwe groep van Celtic Frost
Boegbeeld aan als een aanrader, achteraf bezien overtuigde de
formatie niet. Het geluid zat niet goed afgesteld, waardoor alle
instrumenten in elkaars vaarwater terechtkwamen. Het klonk vooral
eenvormig en op het randje van saai. Vergeleken met Celtic Frost
live staat Triptykon nog in de babyschoentjes.

Black Label Society schalde luttele minuten later
over het terrein. Willen of niet, voor al wie niet bij
Spiritual Beggars in de Metal Dome vertoefde, was
voormalig Ozzy Osbourne-gitarist en gitaarvirtuoos Zakk Wylde
verplichte kost. Op zich kan de groep wel op enige sympathie van
mijn kant rekenen, alleen heeft de bandleider er iets te veel besef
van welke status hij in het gitaarwereldje geniet. Met solo’s van
twintig minuten die geen enkele kant op draven – behalve het
strelen van de man zijn ego -werd een vlucht naar de Metal Market
wel heel aanlokkelijk. En zo kostte Zakk Wylde mij onrechtstreeks
een bom geld.

Een hereniging met vroegere broodheer Ozzy
Osbourne
backstage zat er niet in. Die laatste zat thuis
met een keelontsteking en liet de headlinerpositie over
aan Judas Priest. Een band die zich uitstekend van die taak kweet
met alle klassiekers en de tot de verbeelding sprekende frontman
Rob Halford. Om het gat in de programmatie op te vullen, kreeg
Channel Zero vlug een plaatsje op de bill. Geen slechte
zet na de gesmaakte passage van vorig jaar en met de release van
een nieuwe plaat op zak. Het viel slechts een minuscuul beetje op
dat de nieuwe nummers nog niet even strak ingespeeld waren als de
oude. Behalve de paar nieuwelingen leek de set vooral opgevist van
de vorige passage. Met uiteraard een glansrol voor ‘Help’ en
‘Heroin’. Geen verassingen, enkel een degelijk concert dat de
ontgoochelde Ozzy fans iets milder probeerde te stemmen.

Het dak eraf geblazen

Moonspell slaagde er als eerste in het
enthousiasme van de ochtend op te roepen. Een band die Portugal als
land op de metalkaart gezet heeft, verdient respect. Met een reeks
indrukwekkende platen op het palmares, was er genoeg materiaal
voorhanden om een spannende set samen te stellen en dat deed de
band. Zowel rechttoe rechtaan als meer experimentele nummers werden
door elkaar gehusseld tot een gevarieerd optreden. Uitzonderlijk
strak uitgevoerd bovendien zodat ook Moonspell-leken haastig
richting Metal Market verdwenen om de catalogus op te snorren. Nog
een groep die geld kost, maar deze met plezier.

Het was al niet de eerste passage, maar Arch Enemy
blijft een fenomeen. Death metal met een vrouw als brulboei is
bijna een unicum, het talent van Angela Gossow is dat zeker. Bij
iedere plaat toont ze een evolutie en dat is bij het onlangs
uitgekomen ‘Khaos Legions’ niet anders. Live trekt die evolutie
zich door. Het ligt duidelijk niet alleen aan een steeds groter
productiebudget. De tent zat werkelijk stampvol wat voor enerverend
geduw en getrek zorgde door alle zich naar voor wringende
laatkomers. Die kleine irritatie drukte de pret gelukkig niet. De
aartsvijanden blijven steengoed en dynamisch.

Een van de grootste verassingen van de volledige festivaleditie
werd Pain. Het industrialproject van Peter
Tägtgren – vooral bekend van Hipocrisy – klinkt als een stomende
mix van Fear Factory en Nine Inch Nails. Op papier al een
veelbelovende mix en live werd het enkel maar beter. Tägtgren
speelt in de studio alle instrumenten zelf in, op het podium werd
hij bijgestaan door professionele muzikanten. Alles klonk foutloos
en de charismatische frontman bleef de grootste aandachtstrekker.
Terecht, want de Zweed is een topmuzikant met een eigenzinnige
visie zoals er tegenwoordig te weinig zijn. Dat de aanpak
geapprecieerd werd, bleek duidelijk door de overenthousiaste
reacties vanuit het publiek. Het dak, of beter het tentzeil, werd
van de Metal Dome afgeblazen. Volgend jaar een plekje op de
Mainstage graag.

Na de indrukwekkende passage van Pain, werd het tijd om weinig
overtuigd naar Bullet For My Valentine af te
zakken, een groep die ik eigenlijk al te vaak gezien heb en niks
nieuws meer te bieden heeft. Bovendien scheren ze al geruime tijd
over hun toppunt heen. Dat merkte je aan het lauwe onthaal van
recenter materiaal. Enkel de nummers van de eerste platen, vooral
van ‘The Poison’, deden een waakvlammetje ontbranden. ‘Tears Don’t
Fall’ blijft een meebruller die door geen enkele latere
track geëvenaard werd. Voldaan en vooral versleten besloten we er
de brui aan te geven voor de dag. Judas Priest-fans zijn niet
aanwezig in ons gezelschap; daar ligt de gemiddelde leeftijd net
iets te laag voor. Met een hapje en een drankje aan de tent
slaagden we er toch in het behoorlijk laat te maken.

‘Hier plooit men niet’

En toch kroop ik zondag opnieuw enthousiast om acht uur ‘s morgens
uit de tent. Om te merken dat de camping er maar doods bij ligt. De
late uren en frisse pintjes begonnen duidelijk hun tol te eisen.
Onderweg naar het toilet, op de derde dag grotendeels niet meer om
aan te zien, klonk er hier en daar vermoeid geronk op uit tentjes.
Ik maakte mezelf echter wijs dat mijn bioritme helemaal niet tilt
slaat als een windwijzer in een orkaan en nam me voor Steak
Number Eight
te gaan zien, een groepje waar ik toch
verknocht aan ben van toen ze nog gratis optredens speelden in een
buurtcafé. Spijtig genoeg werkten de pas ontwaakte vrienden
moeilijk mee en de blaas evenmin. Tegen dat de geïnteresseerden
verzameld waren en het toilet nogmaals gepasseerd, was de set al
meer dan halfweg. En toch kwam ons een oorstrelend stukje muziek
tegemoet. Het zijn jonge broekventjes, maar die stem! Die ballen!
Die (gespeelde?) rust en nonchalance! De nieuwe plaat is misschien
geen extreme hoogvlieger, maar deze gasten komen er wel. Het
publiek bespelen loopt al naturel aan de opgetrommelde massa te
zien.

Om de energie aan te vullen, ploften we na afloop lui op de grond
en wachtten op het volgende dat kwam. Een Red Bull halen aan de
stand was ook een optie. Met de slogan: ‘Hier plooit men niet’
probeerden de drankleveranciers onze consumptie van energiedrank
hoog te houden. Spijtig genoeg pakt dat niet bij ons, watjes, die
er enkel maar hartkloppingen van krijgen. Hetzelfde effect kreeg je
van While She Sleeps, een uiterst typische Amerikaanse
metalcoreband. Eentje die zo luid en rommelig klinkt dat de
tikkende motor van je lijf in overdrive gaat. Op zich niet slecht
als je een tijdje blijft plakken. Het behoorlijk onbekende bandje
slaagde er zelfs in het publiek genoeg op te zwepen om (letterlijk)
op handen te worden gedragen. Het is grotendeels hun schuld dat
mijn oordopjes even compleet nutteloos leken. De microfoon stond
teisterend hard afgesteld zodat de oren zowat ploften elke keer dat
zanger Lawrence Taylor een langgerekte krijs het volk injoeg.

De rest van de dag ging in marstempo bergop door een hoop
persoonlijke favorieten die bijzonder in vorm zijn.
Amorphis is de eerste uit het rijtje.
Onrechtvaardig vroeg geprogrammeerd, maar daar merkte je in de
donkere Marquee niet veel van. In het donker komt de mysterieuze
muziek het best tot zijn recht. Dit is, net als Moonspell gisteren,
een band met een serieuze carrièreswitch achter de rug. Van brute
death naar progressieve metal met een beetje folk, een beetje
ruigheid en een snuif Finse poëzie. De grunts zijn zo goed
als verdwenen om de prima zangstem voor te laten gaan. Het geheel
klonk op Graspop opnieuw betoverend. Er was plaats voor ingetogen
genieten en een uitbarsting tussendoor.

Terug naar de realiteit en het zonlicht voor
Kreator op de Mainstage, een zeldzame
thrashlegende dat zijn kunstje mocht vertonen voor een zonovergoten
(eindelijk!) festival. De Duitsers draaien al bijna dertig jaar mee
en klonken als een bijster goed geoliede livemachine.
Mille Petrozza kraste op zijn typische manier over de felle
riffs en hits heen. Met een uitgebreide
backcatologus om uit te putten, was er sterk materiaal
genoeg . Live uitgevoerd klinkt alles wel tergend sterk hetzelfde.
Op den duur kreeg ik wat ik bij Slayer, die andere beroemde
thrashers, altijd ervaar: een te groot herhalingsgevoel dat tegen
het einde lichtjes naar irritatie neigt.

Moonsorrow zorgde voor een frisse noot en deed de
kregeligheid verdwijnen. De Finnen maken atypische folk/viking
metal. De nummers zijn lang, op het eerste gehoor weinig
gestructureerd, maar hun belangrijkste functie is een verhaal
vertellen en daar de juiste sfeer bij oproepen, iets dat op een
podium uitgevoerd even goed bleek te werken als op plaat. Het
laatste pareltje van hun hand (de Finse, veel te moeilijke titel
ontgaat me even) werd gelukkig niet genegeerd en sluit moeiteloos
bij het oudere werk aan. Niet voor iedereen weggelegd, deze ‘epic
heathen metal’. Voor durvers echter een fikse ontdekking (en nóg
een gat in de portemonnee).

Flauw gebulder van een mastodont

Over naar Mastodon. Vorig jaar tot mijn grote
spijt afgezegd en ik was bijzonder tevreden dat ze dit jaar een
herkansing waagden. Misschien waren de verwachtingen te hoog
gespannen, maar viel dat even dik tegen. De muziek is sowieso log
en chaotisch, maar op plaat op een goede manier. Zonder productie
en mix verzandde de boel snel in een hoop drijfzand. De zanger was
bovendien slecht in vorm en maakte er de eerder triestige vertoning
niet beter op. Nummers die de hoogtepunten van de vier platen
vormen, werden soms pas aan het refrein herkenbaar. Dat zegt genoeg
over het rommeltje dat de Amerikanen ervan maakten.

Gelukkig was er Avenged Sevenfold (afbeelding 2)
als troost, opnieuw een optreden waar collectief naar uitgekeken
werd na de geannuleerde show enkele maanden geleden. Om zeker niks
te missen gaven we het optreden van Legion of the
Damned
op om een plaatsje vooraan te versieren. Aan de
drommen volk achter ons te zien een goed idee. In een poging om het
bewaken van een goed plekje interessanter te maken, discussieerden
we even wie er op de drumkruk te zien zou zijn. Mike Portnoy was
volgens mij na de opname van de laatste cd afgevloeid en dat bleek
te kloppen. Ene Arin Llejay beroerde de vellen en deed dat
degelijk. Uiteraard werd het nummer ‘Afterlife’ opgedragen aan het
overleden drumwonder James Sullivan, zonder daarmee de opgewonden
sfeer te drukken.

Het podium was indrukwekkend ingericht met rekwisieten en
vlammenwerpers. De brandweer hield ongetwijfeld een oogje in het
zeil om gans de boel niet te laten verzengen. De muziek was voor
negentig procent afkomstig uit de laatste telg ‘Nightmare’, een
straffe plaat met veel diepgang en evolutie. Toch werden enkele
klassiekers uit de voorgangers gemist. Gelukkig werd ‘A Little
Piece of Heaven’ losgelaten, een gevaarlijk losgeslagen dijk van
een single die veel graspoppertjes keelpijn heeft bezorgd.
Zoals dat gaat met dingen die goed zijn, was de set veel te snel
voorbij.

Euforisch begaven we ons naar andere favoriet
Opeth (afbeelding 3). Althans, voor mij toch.
Tijdens optredens wordt het telkens opnieuw duidelijk dat dit een
love it or hate it band is. De zonder uitzondering
uitgesponnen nummers zijn voor liefhebbers ideaal om naar een
muzikaal orgasme toe te werken. Voor de haters wordt de verveling
steeds ondraaglijker. Met een goeie fuck you negeerden we
als fans de rest en amuseerden ons kostelijk. Mikeal Akerfeldt
kondigde op gortdroge wijze de volgende nummers aan en was niet
bang er een minder geliefd oudje tussen te gooien. ‘The Face of
Melinda’ stond al lang niet meer op de setlist en zorgde voor een
ingetogen moment. Melancholie en agressie speelden een wisselspel
met elkaar in een retestrakke uitvoering. wondermooi!

Guilty pleasure

Restte ons gezelschap enkel nog headliner en
festivalafsluiter Slipknot (afbeelding 4).
Trouwens de eerste dagafsluiter die we bewust meepikten. De
Scorpions en Judas Priest hebben
ongetwijfeld hun publiek, maar wij horen daar, met alle respect,
niet bij. Waarschijnlijk zullen de headlinebezoekers van de
voorgaande dagen hetzelfde over Slipknot zeggen. Het is niet de
eerste keer dat ik deze band live zie, maar wel de eerste keer dat
ze voor me opdagen als een achttal. Met het verlies van bassist
Paul Gray werd vorig jaar een lid van het talrijke gezelschap
afgevinkt. Zo was de band de tweede op een dag die een nummer
opdroeg aan een verloren vriend. Zanger Corey Taylor leek oprecht
aangedaan wanneer hij terugdacht aan de noodlottige dag, alweer een
dik jaar geleden.

Toch kon de podiumenergie niet breken. De gemaskerde freaks stormden rond, voor, tussen en over het publiek. Ze ranselden allerlei niet als instrument bedoelde voorwerpen af en gooiden er vooral een stevige set tegenaan. Opvallend veel ouder werk passeerde de revue. ‘Spit It Out’, ‘People = Shit’, ‘The Heretic Anthem’ en ‘Wait and Bleed’ konden niet ontbreken. Waarschijnlijk omdat een festival om hits vraagt en de laatste schijf ‘All Hope Is Gone’ eerder lauw onthaald werd. Hoe dan ook waren de fans door het dolle heen. Blijkbaar bevangen door hondsdolheid was vooraan staan een kwestie van overleven tussen de bonkende lijven. Een cycloon van armen en benen vloog de rondte in en de security had zoveel zweet niet meer vergoten sinds de oproep tot crowdsurfen van Diablo BLVD. Vreemd dat toch bijna elke metalhead die je het vraagt Slipknot complete bagger vindt? De groep wordt verweten te commercieel te zijn, terwijl succes niet per se hoeft te leiden tot slappe muziek. De beelden op de schermen logen er niet om: hoewel het uncool is om fan te zijn, bezondigen velen zich stiekem aan genot voor deze extreme metal.

Drijfnat van het zweet, met knikkende knieën en afgesleten nekwervels sleep ik mij tevreden naar een laatste nacht camping. Slapen op de bijna platte luchtmatras lukt dankzij de vermoeidheid wonderwel. De volgende morgen wordt gepakt en gesleurd, in de file gestaan, gevloekt om de groepen die we hebben gemist en vooral al meteen uitgekeken naar de volgende editie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 + achttien =