The Thing :: 3 december 2010, AB Club

Het ‘Norway Now’-programma, waarbij AB en Bozar de handen in elkaar slaan om de Noorse cultuur centraal te stellen (tot mei 2011), bracht ook het Scandinavische freejazzfenomeen The Thing naar Brussel. Dat de concerttempel minder bekend is door het programmeren van avant-jazz viel te merken aan de verrassend lage opkomst. Gelukkig legde dat geen beslag op het concert, dat ouderwets vurig was. Dit trio is dan ook een fenomeen.

Toen de Zweedse rietblazer Mats Gustafsson in 2000 een verbond aanging met de Noorse ritmetandem Ingebrigt Håker-Flaten (bas) en Paal Nilssen-Love (drums), stond één ding vast: het zou knallen. En ja hoor: een achttal albums, een hele reeks samenwerkingen en concerten later heeft het trio een reputatie opgebouwd voor gespierde jazz die de energiemeters tilt doet slaan. Forse fire music die aanvankelijk sterk geënt was op de 60’s platen van Albert Ayler en Don Cherry, met hectische hoogstandjes vol bluesy geblaat, en later meer aansluiting zocht bij de rock-‘n-roll (rockcovers werden steeds prominenter) en het experiment. Zo viel er op het recente Bag It! (2009) een fikse dosis knopjesdraaierij te horen zonder dat daarbij aan energie werd ingeboet.

De band werkte samen met figuren uit de jazz zoals Ken Vandermark en Joe McPhee, maar ook met rockers die niet vies zijn van wat experiment zoals The Ex, Thurston Moore en Jim O’Rourke (met wie ze zopas een album uitbrachten). Het is daarom ook jammer dat de band niet kon rekenen op een grotere interesse van dat publiek, want hij heeft de bagage, de energie en de attitude die rockliefhebbers definitief over de streep kunnen trekken. Het bleef dus bij prediken voor eigen parochie, al heb je met deze drie dus altijd te maken met een rauwe ideeënvloed uit de onderbuik. Dat werd al duidelijk toen Nilssen-Love en Gustafsson een korte introductie gaven als Splatter.

De Zweed deed het met z’n bariton en de Noor met niet meer dan een hi-hat, een snare drum en een hoop speeltjes (cimbalen, kommetjes, brushes, kettinkjes), maar dat was meer dan voldoende om de aandacht vast te houden. Uit die bariton komen immers klanken waar je een lichtgelovig mens de stuipen mee op het lijf jaagt. Gustafsson gooit er de beuk in, stoot gutterale klanken uit, gebruikt z’n tongue slapping, staccato uithalen, stoombootgeronk en de rest van z’n aanzienlijke arsenaal. En Nilssen-Love, vaak op z’n best in dergelijke context (beluister zijn duoplaten met McPhee, Vandermark of Frode Gjerstad als bewijs), zat erbij met z’n kenmerkende verbeten trek om de mond, spelend met ritmes en klanken, met nuances en kabaal. Er waren slechts twee improvisaties voor nodig, samen goed voor een goede twintig minuten, om indruk te maken.

The Thing liet de elektronica achterwege die op z’n laatste werk te horen was om uit te pakken met energie en interactie zonder trucjes in de mouwen. Gustafsson startte op tenor, maar zou afwisselen met z’n bariton, en bleef de hele tijd op en af wiegen als een roofdier dat op het punt staat z’n prooi te bespringen. Nillsen-Love startte die eindeloze roffelsessie, een onaflatende wervelwind die een onvermoeibare drive en volume creëert en Håker-Flaten, eigenlijk maar een klein opdondertje, ging z’n contrabas met zo’n venijn te lijf dat je je afvroeg hoe lang die snaren bestand zouden zijn tegen zo’n verwoed gepluk. Die ingetapete vingers trokken en sloegen alsof de man een percussionist was. Toch speelde hij ook melodieus, zoals in de opener die gebaseerd leek op McPhee’s klassieker “Nation Time”.

Een bassolo zorgde voor de overgang naar het tweede stuk, dat nog maar eens aantoonde dat de band haast evenveel met rock en jazz gemeen heeft. Gustafsson speelde drie noten en bleef die steeds opnieuw uitvoeren. Het is the oldest trick in the book (blijf iets herhalen met kleine variaties en doe het steeds intenser), maar de manier waarop Nilssen-Love steeds dichter tegen de chaos ging aanleunen en de saxofonist steeds dissonanter en wilder ging spelen was ronduit meesterlijk en liet horen dat aan hun muziek ook een fabuleuze interactie ten grondslag ligt. “Hidegen Fujnak A Szekek”, geleend van The Ex, was nog zo’n staaltje freejazz met de kracht van recht voor de raapse punkrock.

The Thing speelde ontspannen en complexloos, al leek Nilssen-Love zich nog in te houden, want van ’s mans legendarische woeste energie (zo baadt hij regelmatig na tien minuten volledig in het zweet) was aanvankelijk niet zo veel te merken. Tot op het moment dat we vroegtijdig het concert moesten verlaten (NMBS, weet u wel) had het trio wel nog geen steek laten vallen en werd de reputatie van ontembare natuurkracht volledig waargemaakt. Het is dan ook dubbel jammer dat zo weinig mensen de weg naar de Club vonden (terwijl de grote zaal vol zat voor Triggerfinger en de Grote Markt voor de zoveelste onnozele lichtshow), want deze band kan ongetwijfeld voor een WOW!-ervaring zorgen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + 6 =