Joe McPhee & Chris Corsano :: 13 maart 2010, KC België

McPhee & Corsano, het is een combinatie die ons in eerste instantie verbaasd deed opkijken, maar die na enig getob wel steek leek te houden. Dat werd ook bewezen met een concert dat liet horen dat de twee heren bijzonder complementair speelden en dat de geest van McPhee nog steeds zo fris is als die van een jonge avonturier.

Nochtans begon de avond in mineur. In het voorprogramma speelden twee bands uit de experimentele scene van Noord-Engeland. The Hunter Gracchus maakt in bepaalde kringen al even indruk met hypereclectische trances, terwijl Harappian Night Recordings, een project van Seyed Kamran Ali, ook radicaal buiten de lijntjes kleurt. De man, die werd bijgestaan door het Duitse koppel Kommissar Hjuler & Mama Bär (we vinden zulke dingen niet uit), begeeft zich in de zone tussen muzikaal experiment, provocatie, geluidsmanipulatie en pure fluxusperformance. Yoko zou het vast geweldig gevonden hebben.

In onvervalste kunsthuizentraditie werd er nonchalant op gitaren gepingeld (wat je kan doen met klanken is belangrijker dan muziek kunnen spelen, meneer), naast de maat op een basdrum gestompt (elke vorm van gedegen muzikaliteit is een vorm van door het establishment opgedrongen fascisme) en getierd en gekermd (we blijven immers allemaal kleuters tot we uitgeput bezwijken) in een rotsvaste overtuiging dat performance art het geïsoleerde Limburg nog nooit had bereikt. Aanvankelijk amusant, vervolgens irritant, dan gênant, uiteindelijk onuitstaanbaar. Harappian Night Recordings mikte, zo vermoeden we, op persoonlijke en idiosyncratische expressie. Wat wij zagen bevestigde echter vooral dat de scheidingslijn tussen experiment en bullshit soms heel erg dun is. We trapten het af en hadden een uur nodig om ervan te bekomen.

Andere kost met McPhee (70) en Corsano (35). De ene naderde de dertig toen hij aan het opnemen sloeg, zorgde er onrechtstreeks voor dat een nu gerenommeerd label (HatHut Records) ontstond, verdween in de jaren tachtig vervolgens in de anonimiteit en kreeg de voorbije 10-15 jaar plots de erkenning die hem daarvoor niet gegund was. Op z’n zeventigste is McPhee, een van de weinige musici die trompet én saxofoon (en soms zelfs trombone) combineren, actiever en productiever dan ooit, wat de voorbije vijf jaar leidde tot meer dan 30 (!) releases, verspreid over een hele resem labels. Corsano is dan weer een jonge geweldenaar, een meesterdrummer die niet enkel de strijd aanbond met een hele resem hardblazers (Paul Flaherty, Wally Shoup, etc), maar ook samenwerkte met volk als Björk en Thurston Moore.

Het duo had nog geen minuut nodig om ons ervan te overtuigen dat hun samenwerking klopte. Corsano, die met z’n hypergechargeerde aanpak soms doet denken aan z’n Noorse collega Paal Nilssen-Love, klopte er op los, schudde een paar wervelende solo’s uit de mouw, hanteerde verrassende attributen als een strijkstok en een mondstuk van een sax, maar net zo vaak wist hij mooi in te gaan op de plaagstoten en interrupties van McPhee, die op een uur tijd een immense diversiteit aan stijlen en geluiden tentoonspreidde. Mooi om te zien hoe een lyrische passage in het eerste nummer contrasteerde met het extraverte drumwerk, hoe werd toegewerkt naar een climax en soms abstractere passages aangedaan werden.

Bijzonder is vooral dat McPhee, een veteraan die z’n stiel verfijnde in het leger en nog de legendarische performances van Coltrane en (de jongere) Ornette Coleman mocht aanschouwen, de wereld van de freejazz en improvisatie een menselijk gezicht geeft. Al te vaak gaat het eclecticisme en de technische virtuositeit immers ten koste van de toegankelijkheid én de warmte van de muziek. Niet zo bij McPhee, wiens spel zelfs op z’n subtielst doordrongen blijft van een hoogstpersoonlijke intensiteit en authenticiteit. En als je ‘m door de knieën zag buigen, naar voren stappen om een losgeslagen Corsano nog zotter te maken met forse power play (we hebben immers te maken met de vierde man van Gustafssons The Thing en een kerel die ook al in de clinch ging met Brötzmann), dan was er geen haar op je kop dat wilde geloven dat er daar een zeventiger stond te spelen. Hadden we niet beter geweten, dan zouden we denken dat we te maken hadden met een zeer actieve vijftiger.

Opmerkelijk was ook dat McPhee het grootste deel van het optreden de altsaxofoon gebruikte. In een ander, abstracter stuk gebruikt hij z’n befaamde pocket cornet, waarmee hij niet enkel en onvermijdelijk voorganger Don Cherry wist op te roepen, maar ook een geluidenwereld creëerde die zo groot was als het instrument klein is. Met de sopraansax, die ook voor één stuk werd gebruikt, ging het dan weer de lyrische toer op. Zo laveerden de twee tussen traditie (waar een paar keer subtiel naar verwezen werd) en experiment, tussen abstractie en ronduit poëtische passages. Nu eens opwindend, dan weer uitdagend of gewoonweg bloedmooi. Corsano en McPhee bewezen dat er daadwerkelijk geen leeftijd staat op creativiteit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 3 =