Telex :: Belgium… Ten Points

België en het Eurovisiesongfestival hebben een op zijn zachtst gezegd vreemde verhouding. Ons land sloeg er — op twee Waalse inzendingen na — maar niet in om enige punten van waarde te scoren. Het festival van kitsch en snelle successen ligt velen steeds zwaar op de maag en dat terwijl het hele gebeuren ooit met een knipoog bekeken werd, althans een keer.

Want hoe amusant de fel flikkerende paarse glitterpakken van Nicole & Hugo ook mogen zijn, hun "Baby Baby" blijft compositorisch wel overeind staan terwijl de gedateerde danspassen hooguit frivool overkomen. Zelfs Pas De Deux’ "Rendez-Vous" (1983) dat in navolging van enkele wilde danspassen van Louis Neefs uit 1969 tijdens "Jennifer Jennings" beroering opwekte, had niet dat doel. De enige Belgische inzending die ooit oprecht als een grap bekeken werd, door de artiest in kwestie althans, was Telex wiens "Euro-vision" het hele circus in zijn hemd wou zetten.

De grootste grap echter zagen we onder Portugese vlag met een band die dat hoewel ze zelf voor de laatste plaats ging onverwachts het tweede hoogste aantal punten (10) kreeg en zo toch nog Marokko en Finland achter zich liet. Het gros van de fans kon er echter niet mee lachen, want de groep zou een knieval voor het succes gemaakt hebben en zichzelf in de uitverkoop gezet hebben. Een vreemde gedachtekronkel, daar de band steevast het pad van de humor en ironie in zijn muziek bewandeld had, zoals onder meer de covers "Ça plane pour moi" (Plastic Bertrand) en "Rock around the clock" (Bill Haley and his Comets) op debuutplaat Looking For Saint-Tropez (1979) bewezen.

Pakmoväst

Beide songs lieten weinig heel van het origineel en kozen voor een haast klinische, robotaanpak waarbij in het geval van "Ça plane pour moi" zelfs elke passie en snelheid ingeruild werden voor een tergend traag pulserend ritme. De aanpak was typerend voor de eerste platen van Telex. Op Neurovision zou "Dance To The Music" van Sly and the Family Stone een gelijkaardige oneerbiedige bewerking krijgen. Het leek wel alsof Kraftwerk zijn ernst en Deutsche Grundlichkeit van zich afgeschud had in ruil voor een frivoler en vrolijker electrogeluid dat zich net zozeer door disco liet inspireren als door de eerste experimenten met elektronische muziek.

Geheel uit het niets kwam de band met andere woorden niet. Elektronische muziek was mede dankzij Kraftwerks Autobahn (1974) alvast in Europa ingeburgerd geraakt. Toch was het verrassend te noemen dat Telex net voor deze aanpak koos, want ook al waren Dan Lacksman en Michel Moer relatief onbekenden, Marc Moulin had alvast naam gemaakt als jazzmuzikant (Sam Suffy (1974)) en als lid van Placebo wiens albums (Ball Of Eyes (1971), Placebo 73 (1973) en Placebo (1974)) positief onthaald werden. In het bijzonder de lichtvoetige aanpak en sterk popgerichte teneur van de songs vormden een belangrijke breuk met Moulins vroegere werk.

Toch vormde dit geen struikelblok, zoals het wereldwijde succes van "Moskow Diskow" aantoonde. De track, geplukt uit Looking For Saint-Tropez, blijft het bekendste nummer van de band en behoort tot de beste songs die de groep uitgebracht heeft. Jammer genoeg klonk de rest van de plaat een pak minder memorabel. Ook al weten "Some day – Un jour" (dat als een kladje van Air klinkt), "Something To Say" en "Victime de la société # 2" immers op hun manier te begeesteren (soms door hun hoge kitsch- en flauwe humorgehalte), het niveau van de single halen ze niet, waardoor Looking For Saint-Tropez vooral een interessant curiosum wordt.

Een jaar later volgde Neurovision dat een belangrijke stap vooruit betekende. De groep nam zichzelf nog steeds niet serieus maar klonk muzikaal een pak coherenter. Single "Euro-Vision" is paradoxaal genoeg de vreemde eend op de plaat die zichzelf duidelijk binnen de electro/wave-scene van de vroege jaren tachtig plaatst en de vrolijke disco-invloeden naar de achtergrond verbant. Geen wonder dus dat platenlabel Virgin Telex als een New Romantics-band trachtte te slijten, alleen saboteerde Telex het eigen succes vakkundig door zijn songs titels als "We’re all getting old" en "Cliché" te geven.

This town ain’t big enough

Voor hun derde album Sex (1981, ook gekend als Bird And Bees) schakelde het Franstalige trio de hulp van Sparks in bij het schrijven van de teksten. De keuze voor een puur Engelstalig album (op de vorige platen was het gros van de songs Franstalig) alsook een duidelijker muzikaal kader maakten duidelijk dat Telex zichzelf ernstig genoeg nam om internationaal succes na te streven. De soms flauwe humor van de eerste platen is grotendeels verbannen (het heerlijk ironische "Sigmund Freud’s Party" vormt een belangrijke uitzondering) terwijl de muziek net als bij Neurovision opmerkelijk afgewerkt en doordacht klinkt.

Ondanks zijn "volwassen" status blijft Telex evenwel een cultgroep die het vooral bij een kleine schare technofanaten goed doet. Het in 1984 uitgebrachte Wonderful World wordt niet eens internationaal uitgebracht. Dat weerhoudt Warner er evenwel niet van om de band in 1986 vooralsnog te tekenen voor wat hun laatste studioalbum zou worden. Looney Tunes is niet minder dan een hommage aan de gelijknamige tekenreeks, inclusief van de pot gerukte samples en vreemde teksten waaronder het sociaalkritische "Temporary Chicken". Hoewel het album de interesse in Telex niet hernieuwen kan, groeit de single "Spike Jonze" uit tot een van de bekendste tracks van de band.

Officieel blijft de band bestaan maar het wordt al snel duidelijk dat er geen nieuw materiaal verwacht moet worden. In 1989 verschijnt een eerste remixalbum Les rythmes automatiques dat voornamelijk songs uit de eerste twee albums onder handen neemt. In 1993 verschijnt met de verzamelbox Belgium…One Point een eerste herwaardering van Telex. Vijf jaar later volgt niet alleen de tweede remix-cd (ditmaal door ronkende namen als Carl Craig) I Don’t Like Music Vol. 1 maar ook de compilatie-cd I Don’t Like Remixes. Original Classics 78-86. Nog een jaar later tenslotte ligt het derde remix-album in de winkel I Still Don’t Like Music Vol. 2. En dan wordt het opnieuw stil rond de band.

J’aime la vie

Althans tot in 2006 wanneer Telex onverwachts met een nieuwe plaat op de proppen komt. Geheel in de lijn van de oude platen worden eigen nummers gekoppeld aan eigenzinnige covers van onder meer Elvis Presley ("Jailhouse Rock") of Sandra Kims "J’aime la vie". How Do You Dance grijpt terug naarTelex’ electro, zij het met modernere apparatuur. Op de single "On The Road Again" na, gaat het album echter ook ditmaal bijna geruisloos aan het grote publiek voorbij en houdt Telex definitief op te bestaan, al wordt het opnieuw niet met zoveel woorden gezegd.

Grotendeels genegeerd door Jan Modaal gedurende zijn hele carrière oefende Telex desalniettemin een niet te onderschatten invloed op de electrowereld uit. Niet alleen namen gewaardeerde producers als Juan Atkins en Carl Craig de songs van de band onder handen, ook het trio zelf waagde zich aan remixes van songs van onder meer The Pet Shop Boys, Pizzicato Five en Depeche Mode. Misschien wordt het dertig jaar na het verschijnen van Looking For Saint-Tropez dan ook maar eens tijd om Telex opnieuw en finaal de status te geven die hij verdient. Het verzamelalbum Ultimate Best Of is een mooie stap in de juiste richting, maar een heruitgave van de studioplaten zou pas echt de kers op de taart zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − 10 =