AC/DC + The Anwser

Sommige
monumenten kan je zodanig vaak slopen dat het op zich ook een kunst
wordt. AC/DC is er zo eentje. Hun platen worden vaker afgekraakt
dan goed is voor mannen op hun leeftijd en hun rockgoden-status
werd al meer dan eens fel betwijfeld. Over de grondwettelijkheid
daarvan spreken we ons niet uit (al is het feit dat we behoorlijk
wat neertelden voor een ticket wel een kleine verklikker), zaak is
dat Zondag 1 en Dinsdag 3 – of zo dachten we – maart de leeuwen van
de hardrock weer brulden dat het een lieve lust was.

Na een odyssee door de controles en overprijsde drankbekers, waren
het de Ieren van The Answer die voor
ondergetekende mochten aftrappen in het Sportpaleis. Kwaad was het
ook niet hoe ze dat deden, met een sprekend enthousiasme en nummers
die netjes leentjebuur spelen bij decennia hardrock. Veel meer dan
wat beleefd applaus en een bedeesd schuddebollen wisten ze echter
niet los te weken. Meer dan wat halfslachtige placebo’s om het
wachten op AC/DC wat draaglijker te maken, waren ze voor de
overgrote massa uiteraard niet, en we vrezen voor hen dat ze dat
ook niet gauw zullen worden. Enkel de afsluiter van hun korte set,
‘Under The Sky’, kon live de indruk wekken meer te zijn dan een
ietwat aftandse spiegel van ‘vroeger en beter’, maar dergelijke
boude uitspraken zijn natuurlijk ook deels te wijten aan de nog
niet helemaal verteerde aanrakingen met security en dergelijke.
Met een rooskleurigere bril aan houden we het op het volgende: als
voorprogramma kwijtte The Answer zich uitstekend van z’n taak, maar
voor grootsere ambities valt te vrezen.

Daar was het ‘m natuurlijk niet allemaal om te doen, wat duidelijk
af te lezen viel uit de volksverhuizing die er zich in het
daaropvolgende halfuur voltrok. Jong en vooral oud begaven zich met
grote smile en hooggespannen verwachting richting plaats,
zo zagen we rondom ons twee luchtgitaristen uit de zeventiger
jaren, een ietwat jongere deerne, en, we zijn er zo goed als zeker
van, een belangrijk deel van de plaatselijke boerenbond. Leeftijden
verbroederden mooi tijdens dit concert van de verzoening; veel
rebelleren tegen de mama en papa was er niet bij, aangezien die er
hoogstwaarschijnlijk zelf ook tussen het veelkoppige publiek
stonden.

En toen, onze overpeinzingen bruusk afstoppend, kwam de rock’n
roll-trein letterlijk binnengereden, wat meteen het verschil tussen
AC/DC en hun vrij illustere voorprogramma
aantoonde: zij hebben het al gemaakt, en kunnen naar hartenlust hun
geschifte ideeën ten tonele voeren. Neen, erg verbazend was het
niet dat de intrede van de trein gevolgd werd door hun nieuwste
hitsucces, ‘Rock’n Roll Train’, maar geinig en imposant as het
niettemin. Wij (en met ons het hele publiek waarschijnlijk) hadden
het nog niet vaak meegemaakt dat er plots een locomotief groter dan
het speelgoedmodel in de zaal verscheen, zelfs niet wanneer de roze
olifanten komen opduiken. Nadat Johnson z’n eerste hoge noten
haalde, veerde een groot deel van de gezeten massa dan ook meteen
recht met hun ticketje voor ‘1 u 45 in de tijdmachine’ bij de
hand.

Zowat 26 jaar na oprichting klonken deze vitale bejaarden nog
steeds verrassend strak, paste Angus Young nog altijd zonder
problemen in z’n schoolkostuumpje (al moeten we toegeven dat we het
vroeger schattiger vonden), en bleek nog maar eens wat een carrière
deze mannen bijeen hebben gespeeld. Klassieker na klassieker volgde
mekaar op, slechts hier en daar afgewisseld door het obligate
nummer van de nieuwe, en gelukkig niet al te kwade plaat ‘Black
Ice
‘. Met name vooral ‘Highway to Hell’ en ‘Back to Black’
werden geplunderd, netjes gevolgd door het meesterlijke ‘Let There
Be Rock’, wat ons betreft ook meteen onze onverbiddelijke AC/DC top
3. We hadden dus al zeker geen klagen over de setlist.

En ook op de uitvoering viel amper iets aan te merken. Welja, enorm
energiek waren ze niet echt allemaal, Rudd, Malcolm en de gebrilde
Williams blonken uit in het ‘stilstaan en m’n stuk spelen’- motto,
en ook de kleine drinkpauzes die er geregeld tussen de nummers door
genomen werden, gaven al blijk van wat roestsporen. De jaren
hebben, logischerwijze, hun stempel gedrukt op Angus en de bende,
wat vooral opviel toen eerstgenoemde tijdens ‘The Jack’ besloot tot
op z’n onderbroek te strippen, voor sommigen een hoogtepunt in deze
show, voor anderen doodgewoon wansmakelijk, maar die konden dan
weer hun hartje ophalen aan het massaal meegebrulde refrein. Straf
hoe ze met een tergend traag nummer de hele keet in beweging
zetten. She’s got the jack/jack/jack/jack/jack. Reken maar
dat ze ‘m heeft.

Zowat vier nummers ver, en een bende onverlaten (wanneer zou die
term voor het laatst gebruikt zijn?) werd op hun nanananana-wenken
bediend met ‘Thunderstruck’, hun relatief recente wereldhit die
heel wat gsm’s de lucht in kreeg, kwestie van het thuisfront
stikjaloers te maken. Uiterst strak gespeeld en met het obligate,
maar oh zo gesmaakte, gesoleer vooraan, tussenin en ook wel
achterop. Subtiliteit is nu eenmaal nooit hun sterkste kant geweest
(zie ook het strippen-gedeelte).

Tijd voor een adempauze zou je dan denken (de boerenbond achter ons
begon al vervaarlijk te puffen), maar dat was dan buiten Rosie
gerekend, want die verscheen plots in reuzeopblaasformaat ten
tonele, lustig meestampend terwijl het naar haar genoemde
riffestijn van start ging. ‘Wat een nummer’ dachten we, denken we
en zullen we nog lang denken, zeker na die bewuste avond.

Enkel wanneer hun laatste worp werd bovengehaald, ging de vaart er
wat uit, en ging een deel van de luchtgitaren weer op zak.
Titelnummer ‘Black Ice’ kon slechts op gematigde goedkeuring
rekening, en bij ‘There She Goes’ achtten wij de tijd rijp voor een
plaspauze, gelukkig waren ‘War Machine’ en ‘Big Jack’ wel weer
geweldig stomend, zodat ook die eindbalans weer naar positief
overhelde (al misten we ‘Stormy May Day’ wel). So far so
good
zou een mens dan denken. Terecht, en het werd nog beter
wanneer er plots een enorme klok als Deus ex machine uit het dak
van het Sportpaleis verscheen (‘Hells Bells’ iemand?), waar Johnson
dan ook nog eens ging aanhangen. De man had duidelijk een goede
dag. De rest van het verhaal kent u intussen al: het nummer werd
luidkeels meegebruld en leverde alweer een hoogtepunt. Tja, als het
goed is mag het gezegd worden.

Het nummer van de avond echter was ongetwijfeld ‘Let There Be
Rock’, waarbij Angus Young wederom duidelijk maakte waarom zijn
naam eeuwig vereenzelvigd zal worden met AC/DC (alle goede
bedoelingen van de (ex-)groepsleden ten spijt). Niet gehinderd door
z’n uitdunnende, grijze haardos toverde hij zowat 10 minuten met
z’n derde arm, waarbij het pas helemaal dol werd wanneer hij, en
het platform waarop hij klaarblijkelijk stond, omhoog schoten.
Cliché misschien, maar zeer rock-‘n-roll, zeker wanneer hij daarna
nog eens al solerend een stel trappen beklom en op z’n eentje het
hele Sportpaleis deed brullen wanneer hij en z’n vingerknippen dat
nodig achtten.

Daarna hielden ze het even voor bekeken (wij gokken dat er
backstage een aantal beademingsmachines klaarstonden, maar noch wij
noch onze gissingen zijn uiteraard feilloos), de oudste truc in het
handboek om een concertzaal te doen daveren van ingehouden
spanning, maar dan ook gewoon een hele goeie, want gedaverd werd
er, en gejuicht nog meer wanneer Angus, alweer hij, vanuit de grond
oprees, en met de begintonen van ‘Highway to Hell’ nog maar eens
een klassieker voor de leeuwen gooide. En als u dat nog geen misse
afsluiter zou vinden, wat dacht u dan van ‘For Those About To Rock
(We Salute You)’ mét 6 kanonnen die afwisselend en/of gezamenlijk
luider bulderden dan menig trommelvlies aankon. Bij het laatste
salvo konden we dan ook niet anders dan luidop denken: ‘Hoezo
dinosaurussen horen in een museum? Geef ze een podium ja!’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 2 =