Paul Weller




“Trying to be an angry old man would be pretty silly. You end
up like Johnny Rotten.”
P.W.

Waardig ouder worden in de muziek? Het kan, zelfs zonder
driejaarlijkse facelift, zonder wekelijks de bladen op te zoeken
met een nieuw lief, zonder bij elke plaat de nieuwste trend te
willen setten, heersende trends krampachtig achterna te
hollen of ten einde raad terug te grijpen naar de succesrecepten
uit lang vervlogen tijden. Met veel minder toeters en bellen dan
pakweg Madonna mocht ook Paul Weller eerder dit
jaar vijftig kaarsjes uitblazen. Hij trakteerde zichzelf en zijn
fans op een nieuwe, verrassend gevarieerde en avontuurlijke plaat
(‘22 Dreams‘), en in tegenstelling tot de
queen of pop weet hij zelfs België nog steeds liggen. Op 3
oktober komt hij met zijn band zijn negende soloalbum voorstellen
aan een al lang uitverkochte Ancienne Belgique.

The Changingman‘ is één van de bekendste
nummers van Weller. Eerder dit jaar verscheen ook een gelijknamige
biografie, geschreven door Paolo Hewitt,
(ex-)boezemvriend van de Modfather en de man die als de
cappuccino kid de platen van The Style Council voorzag van
hoesnota’s. De titel slaat niet alleen op Wellers beruchte
wisselende gemoedsstemmingen (‘grumpy uncle’ is dan ook één van
zijn minder flatterende bijnamen), maar ook op de vaak opmerkelijke
carrièrezetten waarmee hij vriend en vijand de afgelopen drie
decennia wist te verrassen.

In de tweede helft van de jaren ’70 voerde (en vuurde) hij
The Jam aan, een band die ook vandaag nog wordt
beschouwd als één van de speerpunten van de eerste punkgolf. In de
jaren ’80 vormde hij samen met organist Mick
Talbot
de spil van The Style Council, een
groep die gladde pop mixte met soul en een toefje jazz, en ijverde
voor een betere wereld. Sinds de jaren ’90 is Weller
solo als eerder ambachtelijke songschrijver toe
aan zijn derde muzikale leven.

Tijdens zijn zesendertigjarige carrière was Weller het ene moment
hot, het andere moment not. Zelf beseft hij maar
al te goed dat hij het warme water niet heeft uitgevonden, maar
‘slechts’ een schakel is in een lange traditie van
liedjesschrijvers die sinds de geboorte van de rock de fakkel
doorgeven aan elkaar. Van bij het begin heeft hij oudere
muziekstijlen verwerkt in zijn persoonlijke songs, die vertaald
naar het nu en vermengd met hedendaagse genres. Op die manier
overleefde hij achtereenvolgens punk, kitsch en New Romantics,
Britpop en de recentste golf jonge gitaarbands. Net zoals hij nooit
zal nalaten hulde te brengen aan zijn eigen muzikale helden,
behandelt hij ook de jongere generaties muzikanten die in zìjn
voetsporen treden met het nodige respect.

*

John William Weller wordt op 25 mei 1958 geboren in Woking (graafschap Surrey), als zoon van een boksende bouwvakker en een poetsvrouw. Ondanks de weinig benijdenswaardige levensomstandigheden en de lamentabele huisvesting van de Engelse working class in de jaren ’60, kijkt Weller ook nu nog met een zekere warmte, weemoed en trots terug op zijn jeugd. Behalve de nestwarmte die hij thuis mocht ervaren (en zelf probeert door te geven aan zijn kinderen), roemt hij vooral de solidariteit en het gemeenschapsgevoel bij de mensen in de buurt, die werd doorkruist door de op het gelijknamige album vereeuwigde Stanley Road.

Weller gaat tot zijn zestiende naar school. Daar proberen de leerkrachten de minder vlijtige pupillen te ‘motiveren’ door hen het schrikbeeld voor te houden van een armoedig leventje als fabrieksarbeider. Weller is niet onder de indruk, want zoals hij later zal zingen in ‘The Modern World’: ‘Even at school I felt quite sure that one day I would be on top’.

De vonk was trouwens al eerder overgesprongen, toen hij als prille tiener de muziek van The Beatles ontdekte, een band van wie de invloeden nog steeds doorklinken in zijn muziek. Behalve de Fab Four vinden echter ook nog andere jaren ’60-acts de weg naar zijn platenkast, zoals The Kinks, The Small Faces en The Who. En gefascineerd als hij is door de modcultuur is hij ook nooit vies geweest van soul en jazz.

Van een generatieconflict of enig onbegrip is er in de familie Weller hoegenaamd geen sprake, wanneer de oudste zoon zijn muzikale ambities kenbaar maakte. Integendeel: vader John doet hem zijn eerste gitaar cadeau en zal later zelfs Wellers manager worden (tot hij een paar jaar geleden om gezondheidsredenen met pensioen gaat). Ook zijn moeder zal de muziek van haar zoon altijd te vuur en te zwaard verdedigen. Ze gaat daar soms zover in dat ze journalisten die een optreden of een plaat afkraakten, persoonlijk opbelt om hen de levieten te lezen.

In 1972 richt hij samen met zijn (school)vriend Steve Brookes The Jam op. Het duo speelt behalve enkele eigen nummers vooral covers en treedt vaak op in clubs en pubs in Woking en (later ook) in Londen. Al snel komen gitarist Dave Waller en drummer Nigel Harris de rangen versterken, al is hun lidmaatschap van de band maar van erg korte duur. Harris wordt in ’73 al opgevolgd door Rick Buckler, een jaar later staat Waller zijn plaats af aan Bruce Foxton. Wanneer in ’75 ook Brookes er de brui aan geeft en Weller en Foxton bas en gitaar met elkaar ruilen, is de legendarische bezetting van The Jam een feit.

Omdat Woking niet bepaald het Mekka van de rock is, besluit het ambitieuze trio in 1976 te verkassen naar Londen. Een gouden zet, want met hun snedige, gebalde powerpopsongs, maatschappijkritische teksten en energieke optredens vindt de groep er meteen aansluiting bij de punkgolf, die op dat ogenblik Engeland en de rest van de wereld overspoelt. Hoewel Weller, Foxton en Buckler een paar keer in het voorprogramma staan van The Clash en de Sex Pistols, willen ze toch niet dat The Jam helemaal wordt opgenomen in de punkbeweging. Behalve de voor de hand liggende overeenkomsten zijn er immers ook duidelijke verschillen, en die worden door de groep almaar dikker in de verf gezet.

Zo beschouwen Weller en co 1976 niet als het ‘jaar nul’ in de rock, maar erkennen ze (en bewijzen ze op platen als ‘In the City‘, ‘This Is the Modern World‘, ‘All Mod Cons‘ en ‘Setting Sons‘) dat ze deel uitmaken van een traditie en – net als hun generatiegenoten overigens – het jongste takje zijn aan een hele oude boom. Ook op andere vlakken doen ze hun uiterste best om zich af te zetten tegen de punkbeweging. Wanneer steeds vaker blijkt dat heel punk(band)s lang niet zo zuiver in de leer zijn en worden ‘ontmaskerd’ als louter poseurs of meelopers, doet Weller er nog een schepje bovenop door te verkondigen dat hij bij de volgende verkiezingen voor de conservatieven zou stemmen. Een grap, naar eigen zeggen, maar wel één die hem – ten onrechte – nog lang zal achtervolgen.

Ook wanneer punk over haar hoogtepunt heen is, blijft de groep uitermate populair (in eigen land dan, want in de States loopt het voor geen meter) en scoort ze nog verscheidene top 40-hits. Meer zelfs: wanneer Engeland kort daarop getuige is van een ware mod-revival met bands als The SpecialsThe Beat en Madness, zal The Jam – ook al omwille van de vestimentaire overeenkomsten – met deze beweging geassocieerd worden. Gaandeweg verandert ook de groepssound: The Jam zal voor de elpees ‘Sound Affects‘ (met o.a. ‘That’s Entertainment!”) en ‘The Gift‘ (met ‘Town Called Malice‘) niet alleen inspiratie putten uit de muziek uit de jaren ’60, maar ook steeds meer uit soul, funk, jazz en ska.

*

In de zomer van 1982 kondigt Weller aan dat hij The Jam wil opdoeken, en dat niet alleen omdat hij wil voorkomen dat de groep ooit zal worden beschouwd als zielige has beens. Hij wil ook meer de soultoer op (één van zijn muzikale jeugdliefdes die hij heeft herontdekt), en daarvoor vindt hij de bezetting van The Jam te beperkend. Nog vóór de split een feit is, begint hij al samen te werken met Mick Talbot (ex-toetsenman bij mod-revivalband The Merton ParkasDexys Midnight Runners en The Bureau). Pas in 1983 komen ze uit de kast als The Style Council.

Op dat moment hebben ze ook de piepjonge Steve White ingelijfd als drummer (zijn broer Alan zou later nog bij Oasis spelen) en met die vaste kern brengen ze tijdens dat eerste werkjaar een handvol singles uit met door jazz, funk en soul beïnvloede pop uit. (Deze worden later gebundeld op de ep ‘Introducing The Style Council’.) Heel wat The Jam-fans haken af, maar in plaats daarvan boort Weller een heel nieuw publiek aan.

In 1984 verschijnt de officiële debuutelpee. Op ‘Café Bleu‘ laat Weller zijn gitaar tijdens de meeste nummers aan de kant en zijn het de toetsen en het pianospel van Talbot die een hoofdrol spelen. Opmerkelijke gasten zijnTracy Thorn van Everything But the Girl en de bij Wham! weggeplukte achtergrondzangeres Dee C. Lee. Zij zal later een vast groepslid worden en zelfs een paar jaar als mevrouw Weller door het leven gaan.

Ondanks zijn door Amerikaanse stijlen geïnspireerde pop lukt het Weller ook met deze band niet echt door te breken aan de andere kant van de grote plas. Geen nood echter, want in eigen land heeft hij op dat vlak weinig reden tot klagen. Ook met The Style Council kan hij rekenen op een meer dan bevredigende platenverkoop en een doorgaans gunstige pers. Vooral na ‘Our Favourite Shop‘, de opvolger van ‘Café Bleu’, lijkt het erop dat het krediet van de groep oneindig is.

Terwijl Weller zich steeds meer profileert als een ‘artiest met een hart’ en zijn steun verleent aan goede doelen, vallen de platen ‘The Cost of Loving‘ en ‘Confessions of a Pop Group‘ veel minder in de smaak dan hun voorgangers. De band wil haar geluid steeds meer verfijnen, maar zo hebben de critici het jammer genoeg niet begrepen. De scheidslijn tussen jazzy pop en loungy muzak is erg dun, en naar het einde van de jaren ’80 toe komen Weller en Talbot een paar keer te veel aan de verkeerde kant van die grens terecht.

De groep besluit het roer om te gooien en met ‘Modernism: A New Decade‘ een door Chicago-house geïnspireerde plaat te maken. De platenmaatschappij wil er niet van weten en weigert de elpee uit te brengen, waarna een zwaar teleurgestelde Weller The Style Council opdoekt. (Wanneer jaren later andere artiesten wél scoren met deze soort muziek, verschijnt er plots een Japanse release. ‘Modernism’ werd intussen ook integraal opgenomen in de retrospectieve box set ‘The Complete Adventures of The Style Council‘).

*

Voor het eerst lijkt Weller zelf te twijfelen aan zijn eigen kwaliteiten en verdiensten, en denkt hij er zelfs aan voorgoed uit de muziekbusiness te stappen. Uiteindelijk is het zijn vader die hem een schop onder de kont geeft en hem aanspoort de draad weer op te pikken. Als The Paul Weller Movement (met nog steeds Steve White als drummer) probeert hij weer aan te knopen met zijn muzikale verleden en met de fans, door in kleine zalen en clubs te spelen. Onder diezelfde naam verschijnt ook de eerste post-Style Council-single ‘Into Tomorrow‘, de voorbode van zijn eerste, titelloze soloalbum (’92).

Aanvankelijk zijn de reacties op Wellers solo-exploten eerder lauw. Op het debuut zijn nog duidelijk echo’s te horen van zijn laatste band, maar tegelijk schuift hij ook weer meer op richting Beatlesque, klassieke jaren ’60-pop en psychedelica. Met ‘Paul Weller‘ zet hij zichzelf weer op de kaart, maar een plaats in de eindejaarslijstjes is nog te hoog gegrepen.

Goed een jaar later wordt ‘Wild Wood‘ uitgebracht en deze keer is het wel meteen raak. De plaat overtuigt over de hele lijn en zowel critici als publiek sluiten Weller weer in de armen. Jazz, soul en psychedelica brengen nog wel vluchtige beleefdheidsbezoekjes, maar voor zijn tweede plaat haalt Weller de mosterd vooral bij zijn favoriete jaren ’60-bands, bij de singer-songwriters (destijds nog verguisd door de punkgeneratie) en bij folk. ‘Wild Wood’ levert hem met ‘Sunflower‘ en de titeltrack niet alleen twee hits maar ook een Brit Award op.

Weller is op tijd in topvorm, want in de coulissen van de vaderlandse rock staat alweer een nieuwe generatie te trappelen om door te breken. Groot-Brittannië raakt in de ban van Britpop en van bands als OasisBlur en Pulp. Deze muzikanten groeiden op met The Jam, vertonen dezelfde onmiskenbare Englishness in hun attitude en hun teksten, en laten zich eveneens inspireren door o.a. The Beatles, The Kinks en The Small Faces. Weller is tegelijk epigoon van deze laatstgenoemde groepen én voorloper/stichtend voorbeeld voor de Britpopbands; de missing link met andere woorden tussen de originelen uit de jaren ’60 en hun derivaten van de jaren ’90. Samen met Paul McCartney en Noel Gallagher covert hij ten voordele van ‘War Child’ het Beatles-nummer ‘Come Together‘ (van symboliek gesproken), en Steve Cradock, gitarist bij Ocean Colour Scene, speelt ook vandaag nog steeds in de band van Weller.

De hype legt hem geen windeieren. Met ‘The Changingman‘ en ‘You Do Something to Me‘ voegt hij twee hits toe aan zijn rijke palmares, en ‘Stanley Road‘ (’95) wordt het best verkopende Weller-album aller tijden. De lijn wordt doorgetrokken op ‘Heavy Soul‘. De vierde soloplaat verkoopt weliswaar minder goed dan haar voorganger, met ‘Peacock Suit‘ scoort hij wel zijn grootste (solo)hit.

In 1998 viert hij zijn veertigste verjaardag met de verzamelaar ‘Modern Classics‘. Een best of-plaat betekent vaak het afsluiten van een periode en dat is ook hier het geval. Britpop is out en ook Weller is na de fun en de hits even aan rust en bezinning toe. Niet zozeer omdat hij per se nieuwe muzikale horizonten wil verkennen, maar om in zijn privé-leven orde op zaken te stellen na zijn echtscheiding en de wilde feestjes.

Hij heeft intussen voldoende meegemaakt om te beseffen dat er altijd wel een vaste, trouwe kern van Weller-supporters zal bestaan. Van verkoopscijfers ligt hij dan ook niet meer wakker wanneer hij in 2000 het bij momenten ingetogen ‘Heliocentric‘ uitbrengt, met zijn in strijkers gedrenkte songs. De toer die volgt op de plaat brengt hem in 2001 eindelijk nog eens naar de wei van Werchter, zestien jaar nadat hij er met The Style Council te gast was.

Meer dan eens laat Weller verstaan dat hij er stilaan aan denkt met pensioen te gaan. Het in 2001 verschenen ‘Days of Speed‘, een verzameling akoestische liveversies van zijn hits, lijkt die geruchten alleen maar te bevestigen. Wanneer hij een jaar later voor de dag komt met ‘Illumiantion‘, zijn zesde studioplaat, is de opluchting bij de fans kennelijk zo groot dat de cd meteen op 1 binnenkomt in de Engelse albumlijsten. Weer staat er een hit op (‘It’s Written in the Stars‘), de fanclub is tevreden, maar de critici stellen vooral vast dat de langspeler ondanks de veelbelovende titel weinig nieuw licht werpt op Wellers talent.

Dat hij in 2004 uitpakt met een nochtans fraai coveralbum (‘Studio 150′) is dan ook koren op de molen van zijn criticasters. Maar de geschiedenis herhaalt zich: wanneer Engeland aan een zoveelste postpunk- en gitaarrevival toe is, wordt het weer bon ton om Wellers naam te droppen in interviews en bands als The LibertinesThe RiflesOrdinary Boys en Arctic Monkeys citeren zijn muziek en attitude als een belangrijke invloed. De liefde is wederzijds, maar Weller laat zich door al die lof niet in slaap wiegen en bewijst met het ijzersterke ‘As Is Now‘ (’05) dat zijn houdbaarheidsdatum nog lang niet is verstreken. Ook de uitstekende dubbelaar ‘Catch-Flame!‘ laat horen dat hij aan de vooravond van zijn vijftigste verjaardag ook live nog steeds stevig en scherp uit de hoek komt.

Aanvankelijk is het de bedoeling om hierna weer een langere rustperiode in te bouwen. Drummer Steve White maakt van de gelegenheid gebruik om zich met andere projecten bezig te houden, zoals zijn website www.checkemlads.com). Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en Weller begint – zonder een echt plan, zonder White maar met Cradock – te werken aan ‘22 Dreams‘. Aan deze negende studioplaat werkt goed volk mee zoals Robert WyattAziz Abriham, Noel Gallagher, Graham Coxon en de jongens van Little Barrie en zijn meer stijlen te horen dan ooit (zelfs avant-garde en electronica passeren de revue), en dat verspreid over 21 songs. 21? Waarom geen 22, zoals de titel laat vermoeden? Omdat het nog steeds beter is één droom helemaal voor jezelf te houden, aldus Weller.

*

Ondanks de ever changing moods, de uiteenlopende stijlen die hij verenigt in zijn oeuvre en de vele zijsprongetjes naar (en de samenwerking met artiesten uit) minder voor de hand liggende genres, verschilt de Weller van 2008 uiteindelijk niet zo gek veel van de angry young man van 1977. Wanneer we zijn carrière tot op heden oppervlakkig bekijken, dan lijkt die in drie aparte stukken uiteen te vallen, maar toch loopt er ook meer dan één rode draad doorheen ‘leven en werken’ van de man uit Woking. Louter muzikaal zijn er natuurlijk de steeds terugkerende invloeden, die al sinds het begin van zijn loopbaan (in min of meerdere mate weliswaar) doorklinken in zijn werk: pop, rock, R&B, folk, soul, funk en jazz, al dan niet aangevuld met nieuwe, interessante stijlen die hij in de loop der jaren leert kennen. Maar ook buiten de muziek blijft Weller behoorlijk trouw aan een aantal zaken, waarden en tradities.

Zo is er die zeer toepasselijke bijnaam, ‘the Modfather’. Behalve door muziek is Weller van jongs af ook altijd gefascineerd (lees: geobsedeerd) geweest door kleren. Het was één van de (vele) dingen waarmee The Jam zich onderscheidde van de rest van het pak tijdens de punkperiode. Niet dat de band het in de eerste plaats om die reden deed, want de voorliefde voor nette, stijlvolle en opvallende kledij was er al in de late jaren ’60, begin jaren ’70, dezelfde periode als waarin hij zich begon te interesseren voor muziek. Dat zich netjes ‘opkleden’ is typisch working class, zegt Weller. Ook al heb je geen nagel om aan je kont te krabben, je maakt er een erezaak van om tijdens het weekend piekfijn uitgedost op stap te gaan.

Minstens even belangrijk als een ‘proper voorkomen’ was echter dat de manier waarop je je kleedde en wat je droeg was bepalend voor je identiteit: wie ben ik en waar hoor ik bij? Voor Weller waren dat de mods, die tijdens de weekends op hun scooters naar Northern Soul all nighters scheurden en dweepten met de beatgroepen uit die tijd.

Eens een mod, altijd een mod. Meer nog dan in zijn muziek blijft Weller zich op zijn persoonlijke, eigenwijze en eigenzinnige wijze kleden, smaakvol en met oog voor detail. Maar wanneer hij als tiener vaak de nodige centen bijeen moest schrapen om eindelijk die gedroomde outfit te kunnen samenstellen, mag hij vandaag mee hemden en polo’s ontwerpen voor Ben Sherman en Fred Perry, merken die hun populariteit voor een groot stuk danken aan de mods uit de jaren ’60.

Weller zal ook nooit vergeten waar hij vandaan komt of zijn working class afkomst verloochenen. Dat blijkt niet alleen uit zijn songteksten, maar ook uit de vele (vaak politiek getinte) acties waarvoor hij zich tijdens zijn carrière inzet. Zo neemt hij tijdens de bewogen jaren ’80 met The Style Council niet alleen geregeld deel aan benefietconcerten, maar werkt hij ook mee aan platen voor het goede doel (zoals Band Aid). Onder de naam Council Collective verschijnt er zelfs een single waarvan de opbrengst naar de kompels gaat, die tijdens de grote mijnstakingen van 1984-’85 zonder inkomen komen te zitten.

Nog tijdens de Thatcher-jaren is hij een van de drijvende krachten achter Red Wedge, een linkse, antikapitalistische beweging die muziekminnend Groot-Brittannië warm wil maken voor de Labour-partij. Maar ook al zou hij tegenwoordig nog liever zijn rechterhand afhakken dan ooit voor de Tories te moeten stemmen, Wellers liefde voor (New) Labour bekoelt al gauw, zelfs nog vóór de socialisten in 1997 weer aan de macht komen.

Wie het vandaag met Weller over politiek wil hebben, vangt dan ook bot. ‘Daar ben ik veel te dom voor’, klinkt het dan, of ‘Politiek interesseert me niet, het zijn toch allemaal dezelfden.’ Toch steekt hij zijn ergernis niet onder stoelen of banken wanneer ex-premier Blair plots weer voor het voetlicht treedt als vredesgezant in het Midden-Oosten. En wanneer hij door het paleis wordt uitgenodigd om zich het erelintje van Commander in the Order of the British Empire te laten opspelden, maakt hij in niet mis te verstane taal duidelijk dat hij het a) niet zo begrepen heeft op de koninklijke familie en er b) weinig voor voelt ‘op de foto te moeten met oorlogsmisdadigers als Blair’.

*

Uiteraard is en blijft Paul Weller in de eerste plaats muzikant. Sinds 1977, het jaar waarin de eerste twee platen van The Jam verschenen, ging er haast geen jaar voorbij zonder een nieuwe release. Behalve de titels die worden genoemd, is er nog veel meer Jam-, Style Council- of Weller-werk verkrijgbaar. Voor de mensen die nog niks in huis hebben van Weller en niet goed weten waarmee te beginnen, bestaande er voldoende uitstekende compilaties. Zo zijn ‘The Very Best of The Jam‘ en ‘The Jam Collection‘ twee complementaire verzamelaars: op de eerste staan de hits, op de tweede de beste albumtracks. Wie niet op een cent hoeft te kijken, raden we de vijfdelige, zo goed als volledige box ‘Direction, Reaction, Creation‘ aan. Ook van The Style Council bestaat er zo’n vijfdelige box, ‘The Complete Adventures of The Style Council‘, maar voor wie genoegen neemt met alleen de hits volstaat misschien ‘The Singular Adventures‘ of een andere best of-plaat. Weller solo bracht in 1998 ‘Modern Classics‘ uit. Die is intussen allang achterhaald, want er volgden sindsdien nog vijf studioplaten. Alternatieven hier zijn de uitstekende live-cd ‘Catch-Flame!’ en ‘Hit Parade‘, een overzicht van Jam-, Style Council- én solo classics, verkrijgbaar als vierdelige box set of – veel beknopter – op één cd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × vier =