Thomas Glavinic :: Hoe men leven moet

En opeens was er het individu. Na een eeuwenlange onderdrukking in allerlei keurslijven was de mens eindelijk vrij. Vrij om zichzelf te zijn, vrij om zichzelf uit te drukken en te verwezenlijken. Vrij om ongelukkig te zijn en niet langer te weten wat er van hem verwacht werd.

De existentialisten konden in navolging van Sartre nog flirten met hun existentiële eenzaamheid maar eens hun modieus zwart het grote publiek bereikte, was het uit met de pret. Jan Modaal heeft immers geen behoefte aan een ongeremde vrijheid die hem vooral wandelen stuurt, maar wil een doel. En dat doel is geluk door zelfverwezenlijking geworden. Alleen is zelfverwezenlijking, laat staan geluk niet voor iedereen weggelegd, daarvoor is het te ondefinieerbaar en zelfs te onbestaande. Het zijn holle termen die nergens op slaan.

Het enige logische antwoord dat de mark hierop kon geven, was de creatie van een welzijnsindustrie. Nietszeggende antwoorden op zinledige vragen die als doel hebben hopeloos verloren gelopen zielen opnieuw een doel in het leven te geven, vormen de nieuwe kip met gouden eieren. Boekenplanken buigen door onder de vele zelfhulpboeken volgestouwd met filosofische aforismen, boerenwijsheden en goedkope volkspsychologie.

In Hoe men leven moet geeft de Oostenrijkse auteur Thomas Glavinic dergelijke zelfhulpboekjes een prominente rol in zijn lichtparodiërende Bildungsroman rond de gezette puber Karl ’Charlie’ Kolostrum, wiens leven opgebouwd is uit rondlummelen, zijn dronken moeder en vervelende familieleden ontwijken en uiteraard meisjes. Kolostrum verslindt allerlei zelfhulpboeken en droomt van grootse daden, maar brengt nergens iets van terecht. Hij is een slome nietsnut die zich vooral door anderen op sleeptouw laat nemen.

Maar Kolostrum erkent zijn gebreken, zo heeft hij geregeld relaties net omdat hij nooit voor de mooie meisjes kiest maar voor de winkeldochters en vindt hij snel een job doordat hij gewoon geen nee durft te zeggen. De wereld van Kolostrum is met andere woorden eigenlijk weinig interessant: hij is een ruggengraatloze lamme goedzak die geleerd heeft op te gaan in de omgeving. Gelukkig voor hem stelt zijn omgeving al evenmin iets voor: grootsprakerige studenten en salonrevolutionairen die net zo min een idee hebben van waar ze mee bezig zijn en de ene vergissing op de andere idealistische flater stapelen.

Glavinic is zich bewust van de beperkingen die een dergelijke verhaalkeuze met zich meebrengen, alle tragikomische scènes ten spijt gebeurt er immers weinig interessants in het leven van zijn hoofdpersonage. Binnen de setting van een roman zou het al snel vervelen, maar als zelfhulpdagboek krijgt het een tweede adem. Hoe men leven moet is namelijk opgebouwd als een boek dat middels Kolostrums belevenissen anderen wil leren hoe men leven moet. Zijn leven wordt niet zozeer verteld als wel gekaderd binnen allerlei tips voor een beter bestaan. Alleen is het niet onmiddellijk een leven dat iemand wil leiden.

Met een pijnlijke precisie legt Glavinic de hulpeloosheid van zijn hoofdpersonage bloot, maar ook de luiheid en het schrijnende gebrek aan ambitie of zelfs maar de wil om iets van het eigen leven te maken. Het is niet eenvoudig om sympathie te voelen voor Kolostrum, net zo min als voor een van de andere hoofdpersonages overigens zelfs wanneer ze in het hoekje waar slagen vallen, terecht komen.

In Hoe men leven moet weet Glavinic niet alleen treffend de leefwereld van lusteloze studenten neer te zetten maar imiteert hij ook de vaak idiote toon van zelfhulpboeken. Het vormt een amusante amuse-gueule die af en toe doet grinniken en gelukkig zo weer vergeten is. Gelukkig, want er valt genoeg negatiefs op te merken rond de opbouw en de uitwerking van het verhaal. Wie evenwel — in navolging van Kolostrum — niet te veel van het leven of het boek verwacht, zal zich enkele uurtjes zoet weten te houden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − 7 =