Brötzmann, Kondo, Pupillo & Nilssen-Love :: 5 september 2008, KC België (Hasselt)

“HIJ BLAAST ‘M KAPOT! HIJ BLAAST ‘M VERDOMME KAPOT!” Dat is zo ongeveer de eerste gedachte die door je hoofd spookt als je het monster van Wüppertal aan het werk ziet. Eerder dit jaar eiste deze orkaan, enkel geflankeerd door een ritmesectie, de hoofdrol op in De Werf in Brugge. In Hasselt werd de Gustav van de Europese free jazz echter ondersteund door drie muzikanten die een al even grote ravage aanrichtten.

Zijn Teutoonse karakterkop met die pitbullkaken geeft het eigenlijk al weg: zodra de intussen 67-jarige (!) Brötzmann het op een blazen zet, staat de tijd even stil. Het is een oersound, de primitieve uithalen van Albert Ayler verder doorgetrokken en opgeblazen tot gruzelementen van gebulder en gegier. Met Machine Gun (1968) tekende hij voor één van de meest radicale en extreme albums van de tweede helft van de twintigste eeuw, een tabula rasa dat hij sindsdien in steeds wisselende bezettingen is blijven voortzetten. In de loop van vier decennia en dozijnen albums zijn er zeker ook elementen van compositie, introspectie en traditie terug te vinden, al blijven het instinct en de rauwe emotie steeds de boventoon voeren. Terwijl jazzmuzikanten die op hun strepen staan uitpakken met technische hoogstandjes en uitvoerig bedachte thema’s, is Brötzmanns eenheid die van de ademstoot. Blazen, schouders optrekken, inhaleren en opnieuw blazen. Hard, destructief, meedogenloos.

Dergelijke gewelddadige aanpak vergt sparring partners die hun mannetje kunnen staan, en dat is net wat de internationale band wist te bewijzen. De Japanse trompettist Toshinori Kondo, een experimentalist met een zwak voor elektronica, is al lang een bekende in de genreoverschrijdende jazz en was in de jaren negentig ook al lid van het befaamde Die Like A Dog-kwartet met William Parker en Hamid Drake. De Italiaanse bassist Massimo Pupillo overbrugt al jaren de afstand tussen jazz en punk met zijn trio Zu, en de Noor Paal Nilssen-Love staat intussen al enkele jaren bekend als een van de leidende Europese free jazz-drummers, een gretige energiebom die beschikt over de duizelingwekkende techniek en gelooide fysiek die nodig is om de saxofonist weerwerk te kunnen bieden.

De eerste minuten doen meteen denken aan Last Exit, het terreurgezelschap waarmee Brötzmann, Sonny Sharrock, Bill Laswell en Ronald Shannon Jackson de cocktailjazz in de jaren tachtig de dood verklaarden. Nilssen-Love roffelt er op los als een bezetene, Pupillo mishandelt zijn elektrische bas (en klinkt aanvankelijk wat té dominant), en de Duitser barst los in zijn kenmerkende klankenvloed, een aan de tenorsax ontrukte notensoep van kronkels en gesputter. Er valt geen matiging te bekennen en er zullen gewonden vallen. Geen tijd voor korte structuren met herkenbare thema’s, maar een uitwisseling van razende aanvallen, forsbollerij met een doel. Het handvol nummers, soms makkelijk twintig minuten lang, exploreert de mogelijkheden van de respectievelijke instrumenten, opgezweept door een collectieve dynamiek die de traditionele noties van jazz ontmantelt en vervolgens een andere bestemming meegeeft.

Brötzmann, die afwisselt tussen tenorsax, altsax en tarogato (een klarinetachtige houtblazer) doet exact wat van hem verwacht wordt, en daardoor gaat Kondo lopen met de prijs van de verrassing. Wat de kleine Aziaat doet met veel minder noten en een batterij effecten, zorgt voor een immense verrijking van de sound, die nu eens sci-fi-oorden opzoekt en dan weer een etherische inslag weet te geven aan de decibelbom. Het klinkt als Miles Davis op Bitches Brew of In A Silent Way; spaarzaam en met een soms onaardse sound. Belangrijker: het maakt de bijna anderhalf uur durende set meer dan een oefening in grotesk extremisme. Als er al sprake zou zijn van dit soort free jazz als een muzikaal equivalent van je m’en-foutisme, dan wordt dat argument vakkundig de kop ingedrukt door het avontuurlijke spel van de Japanner.

Een uur en twintig minuten lang teerden de vier op elkaars kunde, zweepten ze elkaar op tot soms hysterische hoogtes en wisten ze alle conventies te omzeilen. Zelfs tijdens de bescheiden kalme momenten die vooral dienden om te spelen met geluiden, wisten ze de aandacht vast te houden, een aandacht die beloond werd met een overdondering van formaat als climax. Uiteindelijk was dit geen avondje voor rolkraagsnobs of ander volk dat (free) jazz een elitarisme toedient waar het niet om gevraagd heeft. Het draaide niet om eens buiten de lijntjes kleuren. Welke lijntjes? Dit was fucking hardcore.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × vier =