De Brassers :: ”Vroeger waren we de pest, nu zijn we cultureel erfgoed”

Hoe straf de generatie Belgische rockers van het begin van de jaren tachtig ook waren, veel blijft er niet meer van over. Eén groep blijft echter als een rots in de branding overeind. Net omdat het allemaal niet meer moet, gaat het immers een stuk gemakkelijker dan toen. En dus doen De Brassers nog steeds hun eigenzinnige ding. En dat is nu voor het eerst verzameld op Gesprokkeld en bespoten. Een “niet definitieve copulatie”, want punkers zullen altijd punkers blijven.

enola: Even terug naar het begin: waar kwam de vonk vandaan? Waarom wilden Marc Haesendonckx, Willy Dirkx, Marc Poukens, Eric Poukens en Ben Deckers samen muziek maken?
Haesendonckx (bas): “Ik denk dat het begonnen is in 1977 op Jazz Bilzen. Dat festival was nog stevig geworteld in de hippiecultuur met gezapige lang uitgespannen jams en liep dan ook op zijn laatste benen. Om een of andere obscure programmatorische reden stonden daar echter plots na elkaar The Damned, The Clash en Elvis Costello. Dat was een revolutie: wat een energie hadden die! Een klein deel van het publiek was mee, de rest was totaal gechoqueerd. Voor ons was het een wakker worden: je kwam buiten met de idee “dat kunnen wij ook”. Muziek werd teruggebracht bij de toeschouwers.”
“Ik had in Brussel hier en daar wel een flard van de platen van die groepen opgevangen, maar daar bleef het bij. We zijn dan ook enkele keren naar Londen gegaan om die groepen aan het werk te zien, nadien kwamen ze ook in Nederland spelen en zo was het vertrokken: die oerpunkgedachte om zelf iets te beginnen. Ik weet niet meer hoe het komt, maar wij speelden wel wat trager dan de meeste punkgroepen.”
Dirckx (gitaar): “Een paar versnellingen lager zelfs. En toen we goed en wel op dreef waren gekomen, kwam die eerste LP van Joy Division en de eerste paar platen van P.I.L. uit. Eigenlijk liep punk toen al op zijn laatste benen.”
Haesendonckx: “En doordat wij wat trager waren, waren we onze tijd vooruit.” (lacht)

enola: Ik kan me voorstellen dat het niet zo evident was om aan die punkplaten te raken in Hamont?
Haesendonckx: “In Brussel was er één alternatief winkeltje, waar alle nieuwe punk en new wave in een bak stond verzameld. Daar kocht je dan ongeveer alles van en acht op tien platen waren ook goed. Een beetje later was er Bullet, een winkel in Eindhoven, waar je die ook kon kopen. Eigenlijk was het in het begin vrij simpel en kon je alles vlot volgen.”
“Joy Division hebben we in Eindhoven zien optreden, niet in Londen. Daar hebben we The Damned zien spelen en Adam & The Ants voor hun commerciële periode. Het ging ons meer om de spirit van de mensen die je in Londen op straat en in bepaalde kleine clubs zag.”

enola: In tegenstelling tot de punkers die snel speelden, klonken jullie log en doemerig. “De Brassers verzetten zich maar hebben eigenlijk al te veel geleden”, schreef een recensent daarover in die tijd. Vat die zin het verschil tussen punk en wat jullie deden goed samen?
Haesendonckx: (na een lange collectieve stilte) “Dat weet ik niet. Het verschil met de punkgroepen was dat zij in het begin nog het optimistische idee hadden dat hun nieuwe generatie alles ging veranderen. Wat later, toen wij er aan begonnen, had iedereen wel door dat alles opnieuw gerecupereerd werd. Iedereen plooide zich terug op zichzelf en zo ontwikkelde die doemgedachte zich.”

enola: ’t Was ook een uitzichtloze periode, zo wil de overlevering.
Dirckx: “We zaten allemaal aan de dop in die tijd. Niet dat we dat erg vonden: zo hadden we ook veel tijd om muziek te maken. Maar zo was het: hoge werkloosheid, energiecrisis, rakettenbetogingen, mijnsluitingen…”
Marc Poukens (zang): “CVP…”
enola: En als ik die befaamde Nederlandse reportage zie, dan was het echt wel een andere tijd: rockmuziek maken was nog geen evidentie.
Haesendonck: “Zeker niet in Vlaanderen. Je had wel al een paar clubs, maar daarnaast had je enkel het circuit van de parochiezalen. En in de meeste gemeenten en stadjes kon men maar moeilijk overweg met dat nieuw soort volk dat zich in het zog van de new wave vertoonde.”
Poukens: “Nu, dat filmpje is maar een filmpje hoor.”
Dirckx: “Echt agressief werd er niet op ons gereageerd: je moest niet bang zijn om op je gezicht te krijgen, maar we lokten wel veel reactie uit bij de mensen. De gevestigde orde, zoals de katholieke werknemersbeweging, de burgemeester en politie, de scholen… was toch wel bang, ook al omdat ze zagen hoe hun eigen kinderen aangetrokken werden door ons. Wij zijn allemaal van Hamont, maar hij (wijst naar Haesendonckx) was van Overpelt, tien kilometer verder. En zo reageerde men ook op hem: wat kom jij in Hamont de boel op stelten zetten, ga terug.”
Haesendonck: “We zochten die reacties niet, maar door je eigen ding te doen, schiep je vanzelf verwarring. Dat was een houvast voor onszelf: wat men niet wilde dat we deden, gingen we net meer doen. En dat werd onze identiteit. En het werd soms wél gewelddadig: op een fuif hebben eens een flesje bier op mijn hoofd kapot geslagen omdat ik er punk uitzag. Sommige mensen konden daar niet mee overweg. Nu zijn de mensen al meer gewoon, nu er meer soorten muziek zijn. Toen was het iets nieuws en onbekends waarop men geen antwoord had… een beetje zoals in Easy Rider wordt gereageerd op de hippies, maar dan op de punk.”
Poukens: (imiteert een verontruste burger) “Dat willen we niét hebben…”

enola: Hoe komt het eigenlijk dat er nooit een echte plaat is uitgekomen van De Brassers?
Dirckx: “We hebben er te weinig geduld voor, terwijl je daar echt moet op werken.”
Haesendonckx: “Na de Rock Rallyfinale van 1980 hebben we dat wel eens geprobeerd op aandringen van iemand van een label, maar dat pakte niet. Wij aardden niet in een studio. Nu pas hebben we met Danny Stevens iemand gevonden die met ons overweg kan. We zijn immers geen muzikanten, we zijn het enkel gewoon om te spelen in een garage waar je elkaar aanvoelt. In een studio moet je om beurten je beste beentje voorzetten en dat lukt niet. Dat we de afgelopen drie jaar meer hebben opgenomen dan de jaren voordien is allemaal dankzij hem.”
Dirckx: “Dat is allemaal live gespeeld: in één take er op. We hebben elke song twee keer geprobeerd en dan één versie uitgemixt.”

{image}

enola: Waarom moest er een verzamelaar komen? Poukens: “Het moest van de manager. Imménse druk.” (lacht)
Haesendonckx: “Alles kan veranderen hé. Drie jaar geleden wilden we die nieuwe nummers niet uitbrengen, nu wel. En dan nog hebben we lang getwijfeld. Onze manager heeft uiteindelijk de knoop doorgehakt. Ik ben tevreden dat het er is, want anders zou er veel verloren zijn gegaan.”
Dirckx: “Daarom hebben we tussen de songs ook die interviewfragmentjes uit die Nederlandse reportage erop gezet; om de sfeer van toen weer te geven. We willen daar zeker geen mythe mee scheppen, maar ons eerder wat mee relativeren. Uiteindelijk is het ergens toch om mee te lachen als ik daar nu op terugkijk: hoe we zelf waren, hoe we op die antipathie van de burgers reageerden.”
Poukens: “Want we deden er natuurlijk wel een schep bovenop. Wij waren geen mietjes die zich lieten doen.”
Haesendonkx: “Het toont ook aan hoe de zaken veranderd zijn. Je hoort op de cd iemand zeggen dat hij zijn kinderen nooit zou toelaten zo te worden, maar op dit moment staan we op de website van de heemkundige kring van Hamont vermeld als cultureel erfgoed. Toen waren we de pest. De zaken evolueren dus.”

enola: Hoe komt het eigenlijk dat de nieuwe nummers allemaal in het Engels zijn gezongen?
Poukens: “De Nederlandstalige teksten zijn van de andere Marc, die in het begin alle teksten schreef. Ik kan gewoon goed overweg met een microfoon, meer niet. Geef me een goeie bas, drum of synth en de tekst die daarop moet en we zijn vertrokken. Sinds ik ook teksten schrijf, zing ik in het Engels, want in het Nederlands vind ik het niet zo gemakkelijk.”
Haesendonckx: “Mij leek het indertijd het meest logisch om het op papier te zetten in de taal waarin het in mijn hoofd zat. Zoals het voor hem logischer is om in het Engels te zingen. Of in het Duits, als de muziek wat militair aandoet. (lacht) Dan komen zijn Duitse roots boven. Vandaar ook dat er niet veel Nederlandstalige songs meer worden gemaakt: hij heeft altijd als eerste een Engelstalige klaar, dus het is niet meer nodig.”

enola: Wat zijn de plannen nu met de release van Gesprokkeld en bespoten? Gaan jullie meer spelen?
Haesendonckx: “Als het ons aanstaat en we hebben er zin in, dan doen we het. En neen, we hebben er geen spijt van dat we het vroeger niet professioneler aangepakt hebben. We moeten er toch niet van leven. In het begin dachten we daar ook niet over na.”
Dirckx: “En toen was het plots gedaan. En de volgende keer dat we samen speelden waren we vijftien jaar verder en hadden we allemaal een job.”
Haesendonckx: “Dat is een luxesituatie: we kunnen onze zin doen en moeten niet alles aannemen. Niets moet.”

enola: Weet je dat een origineel exemplaar van de EP They Wanted Us Away op eBay veertig euro haalt? Denk je dan: “toch een impact gehad”?
Haesendonckx: “Dat we op eBay voor zoveel geld van de hand gingen, heb ik ergens gelezen ja. Ik vind die EP nochtans niet eens zo goed; het is één van onze zwakste dingen. Die cassettes die we hebben uitgebracht waren veel beter, zelfs al was de kwaliteit minder.”
Poukens: “Impact? Als er op een concert één gast met zijn kop staat te schudden is het al keigoed.”

enola: Om af te sluiten: Jullie zijn ondertussen bijna vijftigers. Hoe doen jullie dat om nog zo intens te zijn op het podium?
Poukens: “Geef mij een micro en ik ben weg; de rest moet mee, willen of niet.”
Haesendonckx: “En dan staan wij daar hé.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − acht =