Rushmore




Seymour Cassell
e.a.

Net zoals de meeste zelfverklaarde hippe cinefielen (neerkijkend
op alles wat in meer dan tien bioscoopzalen uitkomt), vraag ik me
soms af of ik eigenlijk wel hip genoeg ben om als fan van Wes
Anderson door het leven te flierefluiten. De onafhankelijke
filmmaker, die er steeds opnieuw in slaagt om zijn eigenzinnige
kronkels te laten financiëren met studiogeld, is namelijk één van
de hipste filmgeeks die hinkstapspringt over en langs de
commerciële conventies. Maar onder de symmetrisch afgemeten
attitude en de quirky kwinkslagen zit ook een unieke
regisseur te loeren die zijn vaste stokpaardjes (disfunctionele
karakters, overgestileerde mise-en-scène, gedetailleerde
productieontwerpen, bizarre humor, de neus van Owen
Wilson) wentelt in een oase van warme gniffels en pijnlijke
traantjes. Zijn kleine doorbraak kwam er met het offbeat
pareltje ‘Rushmore’, een bitterzoete coming of age met een
drietal hoeken af, dat zowel stilistische als thematische echo’s
van ‘The
Graduate’
liet nagalmen en tegelijkertijd de emotioneel
gestoorde baan hielp leggen voor de disfunctionele ensemblekomedie.
Enorm populair bij de hippe cinefiel, zolang ze maar in een beperkt
aantal zalen spelen.

Rushmore is de privéschool waar Max Fischer (doorbraakrol van
Jason Schwartzman), de zoon van een kapper, met een beurs is
binnengeraakt. Max is een opvallend kereltje. Een welbespraakte
nerd (die eruit ziet als het jongere broertje van ‘Sara’) die met
zoveel buitenschoolse activiteiten bezig is dat hij geen tijd meer
heeft om te studeren en alleen maar onvoldoendes behaalt. Na een
inspirerende speech raakt hij bevriend met selfmade-industrieel
Herbert (Bill Murray in een comebackrol) en dankzij een al even
inspirerende quote van Jacques-Yves Cousteau wordt hij verliefd op
miss Cross, een Britse lerares aan de lagere school (Olivia
Williams). In plaats van in de boeken te duiken om zijn punten op
te krikken, gaat de vijftienjarige Max op liefdespad om het hart
van miss Cross te veroveren. Een op zich al moeilijke taak die er
niet eenvoudiger op wordt wanneer ook zijn kersverse rolmodel
Herman iets voor de jongedame begint te voelen. Laat de strijd der
quirks losbarsten.

Sic transit gloria. Zo vergaat de glorie… hallo, ik ben Max
Fischer. Het is eens een andere introductie dan ‘what’s up, dude’,
het taaltje dat we doorgaans te horen krijgen uit de monden van de
door Hollywood gevestigde John Hughes-stereotypen. ‘Rushmore’,
Andersons follow-up na de kleine culthit ‘Bottle Rocket’, is zo
verfrissend en origineel (ook een applausje voor co-scenarist en
Andersons alter-ego Owen Wilson) dat er minstens een paar visies
nodig zijn om deze deadpan afgeleverde variant op een
tienerkomedie volledig te vatten. Het is een kurkdroog cinefiel
geschenkje met massa’s invloeden (Anderson liet zich voor zijn
hoofdpersonage inspireren door ‘Catcher in the Rye’ van J.D.
Salinger), dat zich grillig voortbeweegt op de groeipijnen en
hormonenbubbels van een verliefde en zelfingenomen puber.

Net zoals de hele film valt Max Fischer, schitterend vertolkt
door de toen nog onervaren Jason -zoon van actrice Talia Shire en
neef van Francis Ford Coppola – Schwartzman, niet in een hokje te
plaatsen. Hij is een arrogante nerd, maar geen bolleboos. Hij
reageert volwassen op zijn problemen (zijn reactie nadat Rosemary
hem voor het eerst afwijst is er één van ‘oké, ik begrijp het
volledig, u bent gewoon niet tot mij aangetrokken, c’est la
vie’
), maar blijft een gefrustreerde loser met een klein
beugeltje en een groot ego. Anderson heeft met Max Fischer
verschillende archetypische, bijna karikaturale kenmerken uit het
schoolleven gehaald en door elkaar geschud om een nieuw en
eclectisch mannetje te creëren dat in een al even intrigerend
miniwereldje rondloopt. Max Fischer is zowel de enthousiaste
sporter (als reserve weliswaar), de onhandige nerd, de
verachtelijke streber, de snobistische intellectueel als het dom
tommeke. En toch blijft het een herkenbaar personage dat soms
onuitstaanbaar (het awkward etentje met een cameo van Luke
Wilson is puur venijn) en dan weer sympathiek (de sprankelende
montage op ‘here comes my baby’ van Cat Stevens!) overkomt. Max is
trouwens op zich al een geweldige mop. Een overachiever
die zo hard zijn best doet in vanalles en nog wat (hij heeft zelfs
een imkerclub opgericht!), dat hij juist daarom overal in mislukt.
Het is misschien nog wat vroeg om te stellen, maar Max Fischer is,
in navolging van Ben Braddock uit ‘The Graduate’, een onvergetelijk
filmpersonage for the ages.

Tegenover Max Fischer staat zijn vriend en latere nemesis Herman
Blume, die in de autodidactische Max zichzelf herkent en dankzij
hem en miss Cross een snuif levensvreugde herontdekt. De dynamiek
tussen de twee rivalen is fris, aandoenlijk en zet de tragikomische
toon van de film, waar sluimerende tristesse en jeugdig optimisme
hand in hand lopen. Zo is het stuk waarin de twee elkaar
overtroeven met wraakacties geweldig leuk maar tegelijk
ongelooflijk bitter. Blume wordt bovendien meesterlijk neergezet
door Bill Murray, die zijn uitgeputte carrière met succes een
nieuwe wending gaf door zijn triestige clowngezicht meer te
gebruiken voor depri rollen zoals in ‘Lost in Translation’,
‘The Life Aquatic
With Steve Zissou’
en ‘Broken Flowers’. Het
moment waarop een whisky zuipende Herman, totaal weg van de
sucky wereld, in zijn zwembad springt en wanhopig op de
bodem blijft drijven is misschien wel de mooiste scène van de hele
film.

Dat de ‘waar blijft de clou?’-humor van de heer Anderson een
acquired taste is, zal niemand ontkennen, maar je moet al
heel koppig de verkeerde kant uitkijken om zijn unieke en uit
persoonlijke fetisjen gebricoleerde filmstijl te negeren. Een
voorliefde voor nostalgische cultuurreferenties, composities die
nog breder gaan dan de breedste cameralenzen van Stanley Kubrick en
een omkadering die gevuld is met zoveel diepte en kleur dat je
eigenlijk een 3D-brilletje nodig hebt om elk detail op te merken.
Er zal geen shot passeren of het is een esthetisch haarfijn
gekadreerd plaatje waar minstens veertien rusteloze nachten aan
zijn voorafgegaan. Gekunstelde en opschepperige beeldvoering?
Misschien, maar perfect passend bij het abstract-absurde wereldje
waarin Anderson en zijn spinsels vertoeven. En dan is er nog zijn
onbetwiste smaak in muziek, die hij meer dan sporadisch inschakelt
om de onuitgesproken emoties en symboliek kracht bij te zetten.
Voor ‘Rushmore’ werden de mannen van de British Invasion (onder
andere The Kinks, The Who, The Rolling Stones passeren) erbij
gehaald om een rebels retrosfeertje van de jaren zestig te
evoceren. Inhoudelijk kan je afknappen op de films van Anderson,
maar de man weet wel hoe je een cinefiel moet verwennen met
oogstrelende prentjes en oorverwennende deuntjes.

Naast die opvallend gestileerde aanpak laat Anderson zich ook
opmerken als een regisseur die meer het theatrale en
surrealistische dan het realistische opzoekt. De dialogen horen
evengoed thuis op de planken (‘I saved Latin, what did you ever
do!’
poneert Max dramatisch nadat hij ontdekt dat Blume ook
een oogje heeft op zijn vlam) en ook het verloop van het verhaal
wordt ingedeeld als bedrijven die letterlijk openen met een doek.
Maar het meeste plezier beleeft Anderson met de door Max Fischer
geregisseerde toneelstukken van ‘Serpico’ en ‘Heaven and Hell’, een
naar ‘Apocalypse
Now’
knipogend Vietnamepos waarvoor er veiligheidsbrillen en
oorbeschermers onder de bezoekersstoeltjes zitten om de knallende
pyrotechnics te overleven. Schitterend gewoon.

Het kriebelend originele ‘Rushmore’ is eigenlijk een beetje
zoals het oeuvre van Cat Stevens. Vluchtig als een vlinderkusje,
tintelend speels als een lentebriesje, maar ook stiekem wiegend op
een herfstblad van onvervulde verlangens en mijmerende melancholie.
Aan het begin van de film zegt Max Fischer dat het geheim van het
leven erin bestaat om te weten wat je graag wilt, en dat je hele
leven te doen. Voor hem is het Rushmore, laat ons hopen dat het
voor de fantastische meneer Anderson films maken is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + 14 =