Fur :: An Imaginary Portrait of Diane Arbus




115 min.
/
USA / 2006

Eén van de meest instinctief angstaanjagende beelden die ik ooit
in een film heb gezien, is de beruchte tweeling uit Stanley
Kubricks ‘The
Shining’
. Met een ijskoude blik staan ze hand in hand, met
identieke kleedjes, in een lange gang en ze fluisteren sinistere
dingen als “Come and play with us, Danny”. Die twee freaky
ettertjes werden emblematisch voor de film, maar het beeld was
eigenlijk geïnspireerd op een foto van Diane Arbus, een New Yorkse
fotografe die bekend werd met haar portretten van mensen in de
marge van de maatschappij. Vaak waren dat zogenaamde “freaks”:
reuzen en dwergen, Siamese tweelingen enzovoort. Arbus vestigde
haar reputatie met foto’s die zo min mogelijk sensatie uit hun
onderwerpen haalden, maar hen toonden als volwaardige mensen met
het recht om serieus genomen te worden. Hoewel daarover
gediscussieerd kan worden – in welke mate kun je ooit een foto
nemen van een man die scheermesjes inslikt zónder sensatiebelust te
zijn?

De vreemde dame is nu het onderwerp van ‘Fur’, de nieuwste film
van Steven Shainberg, die enkele jaren geleden het nogal
overschatte ‘Secretary’ op ons
afvuurde. Het concept van de film is best intrigerend: omdat het
genre van de biopic er doorgaans toch niet in slaagt om
reëel inzicht te bieden in het hoofdpersonage besloot Shainberg om
een fictief verhaal te verzinnen met Arbus in de hoofdrol. Als er
iets is dat films als ‘Ray’ bewijzen, dan is het
wel dat een simpele opsomming van de feiten uit een mensenleven
vaak ontoereikend zijn om dat leven op een betekenisvolle manier
uit te leggen, om de essentie ervan duidelijk te maken. Misschien
dat een fictieve anekdote daar wel toe in staat is.

We ontmoeten Arbus (Nicole Kidman) in 1958, als de echtgenote
van Allan (Ty Burrell), een professionele fotograaf die
reclamekiekjes schiet voor wasmiddelen en strijkijzers. Buiten het
assisteren van haar man lijkt Diane niet veel te hebben in het
leven: ze schminkt zijn modellen en zorgt voor de kinderen, dat is
alles. Tot ze haar bovenbuurman Lionel (Robert Downey Jr) leert
kennen, een mysterieuze figuur die de gewoonte heeft om met een zak
over z’n kop rond te lopen. Al gauw komt ze erachter waarom: Lionel
lijdt aan hypertrichose, een ziekte waardoor elke centimeter van
zijn lichaam zwaar behaard is. In een prachtig opgebouwde scène
toont Lionel zichzelf voorzichtig voor het eerst zonder masker aan
Diane, en wat we te zien krijgen lijkt het liefdeskind van
Chewbacca en Cousin It uit ‘The Addams Family’. Arbus ontwikkelt
langzaam maar zeker een diepe vriendschap met Lionel, leert zijn
vrienden kennen (allemaal ex-circusfreaks) en ontdekt een wereld
buiten die van haar man en ouders, waar ze zich zowaar
thuisvoelt.

Shainberg probeert door middel van dat verzonnen verhaaltje
eigenlijk hetzelfde te doen als elke filmmaker die ooit een biopic
draaide: hij wil een historische figuur “verklaren”, hij wil nagaan
waarom Diane Arbus juist dié foto’s maakte en geen andere, en
allicht ook waarom ze, in 1971, uiteindelijk zelfmoord pleegde
(hoewel dat lot in de film zelf niet ter sprake komt). Het is dan
ook jammer dat de psychologische conclusies waar de regisseur toe
komt, zo voorspelbaar en simplistisch zijn. Waarom voelde Diane
Arbus zich zo aangetrokken tot freaks? Omdat ze zich in het
verstikkende, burgerlijke sfeertje van haar huwelijk en haar
familie zélf een freak voelde, goddomme. De zwaarbehaarde Lionel en
zijn vriendenkring van dwergen en vrouwen die met hun tenen een
sigaret kunnen roken, zien er uit zoals zij zich innerlijk voelt.
Vandaar dat ze altijd terugkeerde naar het bizarre – Arbus kon niet
functioneren in een “normale” omgeving, ze beschouwde zichzelf als
een buitenstaander, een freak die het geluk had er niet freaky uit
te zien.

Erg diepzinnig is dat allemaal niet – Shainberg motiveert de
daden van zijn hoofdpersonage zodanig eenduidig en rechtlijnig dat
we er allemaal onze neus voor zouden optrekken mocht een Steven
Spielberg of een andere populaire filmmaker ermee afkomen. Een
tweede centraal idee is echter interessanter en beter uitgewerkt:
Shainberg is immers ook gefascineerd door de manier waarop
fotografen (en ik veronderstel bij uitbreiding filmmakers ook) een
persoonlijke orde in de wereld schappen via de beelden die ze
creëren. Een goeie foto zegt evenveel over de fotograaf als over
het onderwerp: het vertelt ons welk wereldbeeld die fotograaf
heeft, hoe hij de realiteit ziet. In het geval van Allan is dat
simpel: hij is een goedbedoelende, maar dodelijk conventionele man
wiens foto’s een benauwend gevoel voor huiselijkheid uitstralen: de
vrouw aan de vaat, gekleed in kleurige jurken, steeds breed
glimlachend. Voor Diane ligt het, op z’n zachtst gezegd, complexer
dan dat. Haar foto’s neigen steeds opnieuw naar het chaotische, het
bizarre. Het idee van fotografie als een verlengstuk van je psyche
wordt subtiel maar afdoende uitgewerkt, en is inhoudelijk het meest
geslaagde aspect van de film. Shainberg zal dan ook wel weten waar
hij het over heeft: ‘Secretary’ ging over een
SM-relatie, nu heeft hij het over circusfreaks – zijn voorliefde
voor all things weird is al even sterk als die van
Arbus.

Maar waar Arbus haar bizarre beelden koel en zonder franje
ensceneerde, is Shainberg meer te vinden voor sprookjesachtig
surrealisme. De sfeer van Jean Cocteau’s ‘La Belle et la Bête’ is
nooit veraf – denk maar aan de scène waarin Lionel zichzelf voor
het eerst “onthult” en let op het ontwerp van de flat waarin hij
woont: je zou bijna denken dat je in de torenkamers van een
betoverde prins terecht bent gekomen. En verder wordt er ook
vrijwel continu verwezen naar ‘Alice in Wonderland’ (soms zelfs wat
àl te letterlijk). ‘Fur’ is op z’n best tijdens die fantasiescènes:
hoe dromeriger Shainberg z’n film maakt, hoe beter hij werkt. De
momenten tussendoor, waarin Arbus naar huis moet gaan om haar
voorspelbare huwelijkscrisis met Allan door te maken, zijn heel wat
banaler en oninteressanter.

Die surrealistische sfeer kan echter niet verhinderen dat ‘Fur’
soms neigt naar silliness. Op een bepaald moment geeft
Lionel Diane een jas cadeau, gemaakt van zijn eigen vacht. We zien
hoe Diane een luchtmatras laat leeglopen en de lucht die eruit komt
gretig opzuigt, omdat ze weet dat Lionel hem heeft opgeblazen. Dat
soort dingen. De balans tussen poëzie en onzin is altijd moeilijk
te vinden – het is al een verdienste van Shainberg dat hij dat
evenwicht zo zelden kwijtraakt.

Nicole Kidman is oké als Diane Arbus, hoewel ze er schijnbaar
een gewoonte van maakt om in arthouse films zo weinig mogelijk te
doen (zie ook ‘Dogville’ en ‘Birth’). Die passieve
underplaying kan werken, maar het kan soms ook op de
zenuwen werken. Robert Downey Jr maakt echter meer indruk als
real life wookie die toch voortdurend een reële
menselijkheid meekrijgt.

‘Fur’ is sowieso een intrigerende, gedurfde film. Helemaal
geslaagd is hij zeker niet en af en toe flirt Shainberg gevaarlijk
met de grens tussen het surreële en het lachwekkende, maar er zit
wel een sterk concept achter en een overtuigende creativiteit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 2 =