Dosh :: The Lost Take

De titel van de nieuwste Dosh, The Lost Take, doet denken aan de talloze cd’s vol onuitgegeven materiaal van gesplitte groepen die we tijdens de kerstperiode in onze maag gesplitst krijgen. Niets is minder waar. Met zijn derde worp maakt Dosh zijn meest vitale album tot nu toe en bevestigt hij de status van het Anticon-label als huis van vertrouwen.

Martin Dosh begon zijn loopbaan als toetsenist bij de labelgenoten van Fog. Op zijn eerste soloplaten beperkte hij het instrumentarium dan ook tot de Rhodes piano aangevuld met wat drums. Tijdens de opnames van The Lost Take moest alles wat in de studio te vinden was eraan geloven. Gaande van lo-fi synthesizers over klokkenspellen tot violen en klarinetten, niets bleef onbespeeld. Bovendien nodigde hij zielsverwanten Andrew Bird, Fog en enkele leden van Tapes N Tapes uit om het geluid nog wat aan te dikken. “Alleen is maar alleen”, zo moet de man uit Minneapolis gedacht hebben.

De sterkte van de plaat is het overzichtelijke geheel dat gecreëerd wordt door het samenvoegen van al die instrumenten. Want ook al zit het album bomvol haperende belletjesklarinetten en fragmentarische drumloops, het klinkt op geen enkel moment ongrijpbaar. In plaats van vooraf opgenomen geluiden samen te voegen, bouwt Dosh verrassend organische soundscapes op uit levende improvisaties. Net als bij pakweg Four Tet krijgt elk geluid op die manier een eigen functie.

De nummers die worden aangekleed door de sombere viool van Andrew Bird behoren tot de beste van het album. Zo roept de symbiose van de prachtige vioolpartijen en de synthgeluiden van “Unemployed Blues” referenties op aan Kim Hiorthoy en doet het knip- en plakwerk van de beats van “A Ghosts Business” zelfs aan Prefuse 73 denken.

Dosh verbaast met zijn capaciteit om het menselijke oor te bedriegen; nummers als “Pink Floyd Cowboy Song” en “Fireball” lijken op het eerste gehoor simpele popdeuntjes. Toch zorgt de latente gelaagdheid van de inventieve drumpatronen voor een evenwichtig geluid. Zelfs in het melancholische “Bottom Of A Well”, dat zich als verstild pianodeuntje aandient, zitten tal van knisperende belletjes en dwarse gitaarmotiefjes verscholen.

“MPLS Rock And Roll” is een psychedelisch rocknummer, compleet met roffelende drums, gitaar en bas. Live wordt het wellicht uitgesponnen tot een bezwerende hymne. Dat was ook de bedoeling van de Amerikaan: een album maken met in de eerste plaats een sterke livefeel.

Op „Everybody Cheer Up Song“ zingt Dosh voor het eerst zelf. Al gaat dat niet veel verder dan het lethargisch debiteren van het zinnetje “I’m Tired Of Everything”. Dan levert de samenzang met vrouwlief Erin op “Ship Wreck” een beter resultaat op. Erin stond ook in voor de getekende hoesprenten die op zijn minst gezegd bizar te noemen zijn. Zo zorgt een tekening van het skelet van een rendier voor een vrij morbide achterflap.

Met deze eclectische schijf haalt Dosh het Anticon-label nog maar eens uit de emohop niche. Het album is een sterke aanrader voor wie in zijn cd-rekje nog plaats heeft naast Up In Flames van Manitoba, het schromelijk onderschatte Hymie’s Basement en Neon Golden van The Notwist. Ook al mist Dosh bij momenten de dodelijk efficiënte mix van spontaneïteit en genialiteit van die laatste, toch is The Lost Take een meer dan ge(s)laagd album dat uw luisterbeurt dubbel en dik verdient.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − twee =