CirKus :: Laylow

Een lo-fidebuut uitbrengen vol met nummers die constant tussen twee en zelfs meer stoelen vallen, is vragen om moeilijkheden. De kans dat het door het enorme aanbod aan releases tussen de plooien valt of vroegtijdig in de uitverkoopbakken belandt, is dan ook groot. Een ronkende naam in de gelederen tellen als Neneh Cherry kan dat euvel wel verhelpen, al willen ze dat bij CirKus vooral niet benadrukt zien.

Toeval of voorbestemd — hoewel het geen pas geeft in een van beide te geloven — het moet wel van toepassing zijn op het verhaal van de totstandkoming van CirKus. Producer Burt Ford (meneer Neneh Cherry) kampeert zowat in Londense studio’s, producties bijschavend waar hij geen enkele binding mee heeft, wanneer hij op de tapes stuit van de jonge productieassistent (Karmil) die pas is aangenomen. En jawel, blijkt die Karmil toch de perfecte aanvulling van Ford te zijn en een natuurtalent dat op de slaapkamer thuis aan zijn vaardigheden als gitarist, dj en producer timmert. Enter de jonge deerne Lolita Moon, wier heldere engelenstem het ideale contrast vormt met de gruizige raspstem van Ford, en de puzzel is bijna compleet.

De dubbele shifts die hubbie Ford de laatste tijd klopt en zijn hernieuwde enthousiasme wekken de honger naar de planken weer op bij Neneh Cherry, die al een tijd met vervroegd pensioen is. Een terugkeer naar de showbusiness ziet Cherry al een tijd zitten, maar alleen als het in een groep is, zoals in de begindagen van haar carrière met The Slits en Rip Rig & Panic. Dat de sterrenstatus en de focus op haar persoon niet gewenst is, blijkt duidelijk uit het gebrek aan profilering op Laylow. Het is soms met een hoorapparaat zoeken naar de bijdragen van Cherry, want de show wordt op deze plaat onmiskenbaar gestolen door wederhelft Ford.

De interactie tussen de drie stemmen op Laylow verdient de grootste pluim: Ford, met zijn dijk van een love it or hate it stem die het midden houdt tussen Horace Andy en het Disney-figuurtje Jiminy Cricket, domineert de songs waarin hij opdraaft, maar de zeemzoete vocals van Lolita Moon bieden telkens het nodige tegengewicht, zoals in de titelsong. Ford spuwt het hele nummer lang snerpend zijn gal, maar de fluimen worden gewillig opgevangen door Moon, die als in trance en in de trant van een wiegelied repititief Soon enough you’ll lay low neuriet. Cherry ligt in het midden van het bed, netjes tussen de twee uitersten, en tekent voor de scherpe raps en rake sarcastische punchlines op het album. Vooral in "You’re Such An …" gaat de vroegere glorie weer herleven: Cherry disst met hoorbaar genoegen de macho’s die haar pad kruisen en zet ze vakkundig op hun plaats, zonder ook maar een moment haar cool te verliezen. The lady’s still got it.

Tegen al dat stemmengeweld is weinig kruid gewassen, en dat had man-achter-de-knoppen Karmil duidelijk door. De soundscapes waarop de drie zangers hun ding mogen doen, worden laagje per laagje opgebouwd: de basis neigt steeds naar folk, maar elementen uit rock, electro en hiphop brengen de brouwsels van de vier steeds uitgebalanceerd op smaak. Dit evenwel zonder de nummers vol te proppen: overdaad zou hier inderdaad schaden. Zo komt het dat het frenetieke riffje in "Fuck All The Doh" en de lome loop in "Time For The Whistle" genoeg zijn om met een voldaan gevoel achter te blijven. Less is more, we hebben het zelden op een plaat zo overtuigend gehoord.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + achttien =