Oscar van Woensel :: State of the Union (SC)

"Daar gaan we dan." Met die woorden opent Oscar van Woensel het Theaterfestival in Brussel, alsof hij er zelf niet overdreven veel zin in heeft. Van Woensel staat er wat onwennig bij. Eerder heeft hij de zin van z’n toespraak al betwijfeld. State of the Union, huh? Hij is geen staatsman of zo, heeft de waarheid niet in pacht. Later zal in Amsterdam iemand anders het festival openen, dus veel hebben z’n woorden niet te betekenen, vindt hij. Goed, ze hebben hem uitgenodigd en hij staat er nu eenmaal, dus daar gaan we dan. Maar eerst even drinken.

Oscar van Woensel is de huisschrijver van Dood Paard, een Amsterdams toneelspelersgezelschap met Manja Topper en Kuno Bakker in de rangen. De groep wist jarenlang voorstellingen te maken op ad hoc- en projectsubsidies. Regelmatig werd uitgehaald naar het theaterbestel, dat — als we stukken als Wie… en Blaat mochten geloven — vol met ratten zat. Hun selecties voor het Theaterfestival zagen ze dan ook als een noodzakelijk kwaad. Ze wilden opgemerkt worden, voerden er sluikreclame voor hun theateropvattingen. Lange tijd leken hun pogingen tevergeefs, maar een achttal jaar na haar oprichting gaat het Dood Paard eindelijk voor de wind. Er is voldoende structurele subsidie, Dood Paard speelde net in haar tweede film, Oud en Nieuw, en haar huisschrijver is meer en meer uithuizig: na schrijfopdrachten voor onder andere Het Syndicaat en het Amsterdamse Bos, herinterpreteerde Van Woensel dit jaar Carmen voor tg. Amsterdam.

Een slecht verstaander zou daaruit kunnen afleiden dat de Dood Paard zich op briljante wijze in het theaterbestel heeft weten te spelen en dat deze State of the Union de kers op de taart is. Niets is minder waar: Van Woensel staat hier niet als gearriveerde feestneus, maar als doodgraver van het festival. Zijn pleidooi voor een franjeloos theater van en voor de theatermakers gaat immers lijnrecht in tegen de jolige sfeer die zich meester heeft gemaakt van het Brusselse Kaaitheater.

Van Woensel mompelt en sleept zich lijzig zich door z’n toespraak, kijkt daarbij het veelal hooggeëerd publiek nauwelijks aan, maar praat met het vuur en het idealisme van een podiumguerrillero. Hij pleit verbeten voor een theater dat nadenkt over de maatschappij waarin het zich beweegt. Een theater dat zonder truuks of spektakel de lelijke en a-logische onderstroom laat zien van onze kapitalistische samenleving. Theatermakers kunnen iets doen tegen het onrecht in de wereld, meent idealist Van Woensel: ze kunnen theater maken.

Nu vertelt Van Woensel hiermee niets nieuws of wereldschokkends: Dood Paard heeft sinds hun oprichting amper iets anders verkondigd. In tijden echter waarin critici en makers voorstellingen veelal afrekenen op hun theatrale kwaliteiten en de politiek het theater tot een van haar sociale assistentes wil maken, kan zo’n boodschap niet genoeg herhaald worden. Het herinnert de theatermaker aan z’n verdomde plicht: slechts met theatrale middelen de wereld die hem omringt en waar hijzelf deel van uitmaakt, voortdurend becommentariëren.

Toch is het moeilijk om onverdeeld enthousiast te zijn over Van Woensels toespraak. Zijn oproep voor meer autonomie klinkt utopisch mooi en aanlokkelijk, maar erg vreemd uit de mond van een van de voormannen van Dood Paard. Zij weten goed genoeg dat de theaterscène geen vrijplaats voor acteurs is. Van Woensel pleit voor het binnenhalen van meer realiteit in het theater, maar lijkt terug te schrikken als hij geconfronteerd wordt met de theaterrealiteit van subsidie, cultuurministers en CKWs. Duidelijk is dan ook dat Van Woensel zijn lezing niet ziet als een pleidooi, als een manifest voor een beter theater, maar als zijn hoogstpersoonlijke droom van hoe een ideaal theater er zou kunnen uitzien.

Of het zo erg met het theater gesteld is, hoor ik een vrouw naast Klaas Tindemans vragen, als Van Woensel naar de uitgang beent en het beleefdheidsapplaus uitgestorven is. Haar woorden zijn nog niet koud of Roel Verniers springt op. De maître d’hotel van het festival in Brussel klapt nog net niet manend in de handen en kondigt dan aan waar iedereen op zat te wachten: er is gratis drank, friet en fun voor iedereen die dat wenst. Daar gaan we dan. Wat vierden we ook al weer?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf − 2 =