Jan van Eyck :: de Vlaamse Primitieven en het Zuiden

De Vlaamse Primitieven behoren tot het summum van de klassieke schilderkunst, daar twijfelen weinigen aan. Het lijkt dan ook een gemakkelijkheidsoplossing om in het kader van Brugge 2002 een tentoonstelling over die Vlaamse Primitieven te organiseren. Maar is het dat wel?

Het antwoord is gelukkig neen. Ook al is deze tentoonstelling in het Brugse Groeningemuseum duidelijk opgevat als eentje die de kassa moet doen rinkelen (en het lijkt erop dat ze die verwachtingen inlost), het is zeker geen verheerlijking van enkele grote werken met daarrond wat mindere schilderijen om de tentoonstelingsruimtes te vullen, maar wel een boeiende confrontatie tussen de Vlaamse Primitieven en de kunst uit het zuiden.

De kracht van het werk van de Vlaamse Primitieven ligt in het sublieme spel van weergave van de ruimte en van de opvulling van die ruimte. Grote en grootse schilderijen die zich proberen te bevrijden van de horror vacui, de angst voor de lege ruimte, die zo typerend is voor de middeleeuwse schilderkunst. Engelen, heiligen en meer godsvruchtig volk bewonen de primitieve kunstwerken in een wereld waarin plaats en tijd uiteindelijk nog steeds ondergeschikt is aan het vertelde.

Dat wordt mooi geïllustreerd met de Passie van Christus, een anoniem Brugs schilderij uit 1500 waarop verschillende taferelen van het lijden van Christus weergegeven worden, zonder zich te bekommeren om het diachronische verloop van het verhaal: onderaan staat Jezus nog in de Hof van Olijven, terwijl hij bovenaan reeds gekruisigd is. Wonderlijk is dat.

De revolutie van de Vlaamse Primitieven — en in het bijzonder van Jan van Eyck — is dat men een nieuw realisme introduceerde. De manier waarop hij de ruimte weergeeft is accurater dan tevoren, zonder evenwel te vervallen in de saaiheid van het puur fotografische. Vooral in zijn subtiele lichtspel, merk je hoe Jan van Eyck de realiteit gaat manipuleren. Op dat moment ontstaat kunst.

Mooi om zien is hoe de Vlaamse kunst doorsijpelt naar het zuiden en ginds schilders beïnvloedt. Dit zonder te vervallen in een flauw afkooksel of — god verhoede — in zielloos gekopieer. Er wordt natuurlijk gekopieerd dat het geen naam heeft. En maar goed ook, want tal van Vlaamse kunstwerken kennen we maar dankzij het overleven van de zuiderse kopieën, maar de aandachtige kijker, voelt sterk hoe elke kunstenaar eigen klemtonen legt en het stuk daardoor een andere kracht meegeeft.

Helaas is het niet al goed, dat wij u kunnen schrijven. Over de schilderijen zult u ons niet horen klagen en dat men plexiglas voor de schilderijen bevestigt ter beveiliging — we zagen mensen wrijven over die schilderijen, gewoon om indruk te maken op een jonge deerne die graag wou weten welke penseeltrek hoe gezet werd! Maar glas tegen een donkere achterwand heeft de vervelende eigenschap te spiegelen, bij een bepaalde lichtinval. En die zat duidelijk verkeerd, waardoor je te vaak naar jezelf keek, in plaats van naar het schilderij. Dergelijke schoonheidsfouten mag een prestigieuze tentoonstelling als deze niet maken.

Om maar helemaal te zwijgen over de rampzalige nummering van de schilderijen. In de eerste zaal hangen schilderijen cat. 2, cat. 3 en cat.1, in de volgende begin je direct met cat. 19! Verwarring alom. Daarenboven komt de chaotische nummering in de tentoonstellingsruimte zelf niet altijd overeen met die in het gratis informatieboekje, waardoor je helemaal begint te dwalen. De schoonheid daarvan ontging ons volledig.

Noem ons nu een mierenneuker, een muggenzifter of gewoon een ouwe zaag: wij vinden het niet kunnen voor een professioneel museum. Maar goed, gelukkig waren er de schilderijen!

De tentoonstelling Jan van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het zuiden loopt nog tot 30 juni 2002 in het Groeningemuseum in Brugge. Info op www.brugge2002.be

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + 15 =