KVS/De Bottelarij :: Parasieten

Met een jonge bewindsploeg aan het hoofd kon het niet anders of KVS/De Bottelarij zou de kaart
van de jeugd minstens een béétje uitspelen. Dat doen ze dus: elk jaar zal een jonge,
net afgestudeerde, theatermaker de kans krijgen een regie te maken voor de grote zaal. Voor de
maiden trip van dit project viel het oog van artistiek leider Jan Goosens op Raven Ruëll,
net afgestudeerd en nauwelijks 23. Zeer jong talent dus, maar het gaat zeker niet ten onder op het
grote podium, al maakte de tekst van Marius von Mayenburg het hem niet gemakkelijk.

"Tegenwoordig moet je al iemand halfdood rijden, als je hem wil ontmoeten," is het
citaat waarmee Parasieten publiek wil lokken en dat is exact wat er is gebeurd: Multscher, een
oude man, rijdt de jonge Ringo aan, wat er toe leidt dat die verlamd in een rolstoel zijn dagen zal
mogen slijten. Ringo sluit zich vervolgens op in zijn huis, enkel bijgestaan door zijn vriendin
Betsi. Hun status-quo wordt echter gauw doorbroken als eerst Multscher Ringo terug opzoekt en even
later ook Betsi’s zus Frederike toevlucht zoekt in het huis van Betsi en haar vriend.

Deze uitgangspositie gebruikt de jonge Duitse theaterauteur Marius Van Mayenburg om een gitzwart
beeld op te hangen van de condition humaine. In ongemeen scherpe dialogen gaan de personages
elkaar te lijf. Afhankelijk van elkaar gaan ze in bitter gevecht, maar kunnen ze elkaar ook niet
loslaten. Mayenburg ziet zijn stuk als een studie over hoe mensen met elkaar omgaan: onhandig en
ongenadig. Met een gitzwarte humor legt hij de lelijke onbeholpenheid in de getoonde relaties
bloot.

Toch draagt de tekst ondanks zijn zwartgalligheid een zweem van hoop in zich: alle personages
vertonen in hun dagelijkse gevecht een enorme levensdrang, een hoop dat er een uitweg is uit de
uitzichtloosheid. Mayenburg laat zijn personages die hoop op een bepaald moment hartsgrondig, in
ware predikantenstijl, uitspreken, bekrachtigd door een hartsgrondig "Amen". Dat de Duitser
zijn stuk in een o zo klassiek, Sierensachtig, lagere klassemilieu situeert, stoort niet want ondanks
alle miserie is er in zijn tekst ruimte voor een zekere poëzie. In een voor hun sociale omgeving
ongewone stijl steekt elk personage wel een monoloog af over zijn innerlijke onrust en pijn.

En daar struikelt Ruëll. De jonge theatermaker doet wel een verdienstelijke poging om de
tekst van Mayenburg op scène te zetten en ontlokt aan zijn acteurs zeker een sterke prestatie.
Toch wringt er iets, de hele voorstelling lang: door de vormgeving tot op het randje van het
naturalistische te brengen, herleidt hij ook de grote zeggingskracht tot een incidenteel
Sierens-achtig "Kijk ze nu eens." Met zijn opwarmmaaltijden, blikjes Cara-pils en
afgesleten divans wordt de krachtige tekst over de onmenselijkheid van de menselijke omgang
teruggebracht tot een anekdotische schets. Dat dat niet de bedoeling kan geweest zijn bewijzen de
monoloogjes, die de personages rechtstreeks naar het publiek gericht brengen. Het wringt met de rest
van de voorstelling, die gebukt gaat onder de letterlijke omgeving waarin het spel wordt gebracht.

Desondanks heeft Ruëll geen slechte voorstelling afgeleverd. Hij onderbouwt het stuk met
genoeg humor om er de vaart in te houden en weet het publiek tot het einde te boeien. Toch blijft het
wringen dat ergens de verkeerde keuzes moeten gemaakt zijn. De universele draagkracht van de tekst is
herleid tot een anekdotisch niveau en is daardoor zoveel verteerbaarder gemaakt. En dat kan Mayenburg
nooit bedoeld hebben.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een − 1 =