COLUMN :: Linkeroor #5 :: Locrian: 9 Albums for The Final Epoch

Peter Wullen teistert maandelijks uw oor met experimenteel luistervoer

Veel metalheads zullen afhaken als we beginnen met de vermelding dat de Amerikaanse doommetalband Locrian de conventies van het metalgenre verlegt. Geen krijsende gitaren, hels drumgeroffel of gillende stemmen meer. Op de fantastische dubbelaar The Clearing/The Final Epoch heerst een zwaar geladen, bijna mystieke sfeer alsof het einde van de wereld al een tijd achter de rug is. De titelloze samenwerking met de Duitse experimentalist Christoph Heemann op Handmade Birds is nog beter. Dit heeft weinig meer te maken met metal, maar alles met experimentele doom. De soundscapes roepen beelden op van ondergelopen steden, giftige moerassen en ontmenselijkte wezens in verlaten ruïnes. We vroegen aan de drie bandleden om een soundtrack samen te stellen voor de laatste dagen van onze planeet.

André Foisy:

Vic Chesnutt At The Cut (Constellation Records) 2009 – Vic Chesnutt was een tragische Amerikaanse singer-songwriter die in 2009 eigenhandig een einde aan zijn leven maakte. Ik hou van dit album. Het is tegelijk intriest en mooi. Telkens ik ernaar luister, krijg ik rillingen. Geen wonder dat Vic’s leven kort na de release eindigde. Het is zeker geen opwekkend album, maar het is één van de weinige albums van de laatste jaren die een snaar in mij raakt.

Anne Briggs Anne Briggs (Topic) 1971 – Anne Briggs is een timide Engelse folkzangeres die aan het einde van de jaren zestig en aan het begin van de jaren zeventig drie zeer invloedrijke folkalbums uitbracht. Ik herinner me dat ik bands ging bekijken in Toronto en Montreal toen ik een tiener was. Ik hield vooral van groepen die wegkeken van het publiek. Om een of andere reden vond ik dat ze echter en authentieker waren. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ik zoveel hou van dit album. Het geeft iets authentieks aan deze muziek. Later verdween Briggs uit de muziekwereld. Dat is heel erg voor ons maar wellicht beter voor haar.

Karen Dalton In My Own Time (Paramount Records) 1971 – De onfortuinlijke Karen Dalton was een Amerikaanse folkzangeres die deel uitmaakte van de vroege Greenwich Village muziekscène. Dalton liet maar een beperkt aantal opnames na, maar deze is nagenoeg perfect. Haar stem is mooi en haar nummers zijn veel krachtiger dan die van haar tijdgenoten uit de Greenwich Village folkwereld. Ze haatte opnames. Haar producer moest haar wijsmaken dat de microfoon uitgeschakeld was om haar te overtuigen om te spelen en te zingen. Dit album hoort bij de beste muziek die bestaat. Onlangs doken thuisopnames op van Dalton en die zijn eveneens geweldig mooi.

Steven Hess:

Main Motion Pool (Beggars Banquet) 1994 – Dit is één van de eerste ambient albums die ik ooit kocht. Ik herinner me dat het tijdens de winter van ’94 was. Ik woonde toen in Seattle. Ik weet niet meer waarom ik het album kocht. Ik had er niks over gelezen in muziektijdschriften of zo. Ik denk dat het de hoes was die me aantrok en de vermelding drumless space achteraan. What the fuck kon dat wel betekenen? Na de eerste beluistering was ik volledig weg van die plaat. Het album nam me mee op een geweldige trip en doet dat nog steeds telkens ik er naar luister. Het ontbreken van drums, percussie of beats deed er gewoonweg niet toe. Alle andere geluiden die de ruimte vulden of net niet vulden, waren genoeg. Deze release opende mijn oren voor sound en mijn aandacht voor wat er tussen de muziek ligt. Ik heb dit album sinds het uitkwam en ik kan je verzekeren dat ik het nooit meer kwijt wil.

Pan American s/t (Kranky) 1997 – Ik hoorde dit album voor het eerst toen ik in Portland, Oregon, woonde in ’98. Ik werkte in een muziekwinkel en een collega-vriend opende mijn oren voor dit album. Ik had net de muziek ontdekt van Chain Reaction en artiesten zoals Eno, Future Sound Of London, Final en Divination, waar ik ook heel erg van genoot. Toen ik Pan American voor het eerst beluisterde, leek het alsof alle elementen die ik verspreid op andere platen hoorde, op één enkel album terechtgekomen waren, maar nog steeds met behoud van die minimalistische benadering. Het was absoluut mooi en perfect uitgevoerd. Puur toeval dat, enkele jaren later, nadat ik verhuisd was naar Chicago, Mark Nelson en ik samen muziek begonnen te spelen en te schrijven. We werden heel goede vrienden. Wat mij betreft, is dit album een onmisbare klassieker.

Supersilent 1-3 (Rune Grammofon) 1997 – Ik hoorde dit album ergens in 2000. Een vriend schonk me een exemplaar. In die tijd luisterde ik naar jazz, freejazz en elektroakoestische improvisatie. Na enkele beluisteringen was ik er compleet weg van (en ook een beetje verward!). De band werd gedurende enkele jaren een ware obsessie voor mij. In 2002 vloog ik speciaal naar Dresden in Duitsland om hen te zien spelen, omdat ik dacht dat ik nooit een kans zou krijgen om hen live te zien spelen in de VS. Het was één van die geestverruimende ervaringen. De jetlag hielp ook wel. Ik ontmoette Helge Sten. Enkele jaren later werkten we samen aan de mix van het eerste On album op Type Records. Later kreeg ik wél de kans om Supersilent te zien in Chicago. Complete deconstructie en reconstructie door vier fantastische muzikanten en pinpoint accuracy. Het album beschrijven, is onmogelijk, maar het veranderde wel de wijze waarop ik naar geïmproviseerde muziek luister. Ik denk niet dat het hun beste album is tot nu toe, maar het is ongetwijfeld een hemelse trip. Zoek het album op. Nadat je 1-3 beluisterde, zoek dan verder naar Supersilent 4 en 6. Je zult niet ontgoocheld zijn.

Terence Hannum:

Wolf Eyes Dread (Bulb Records) 2002 – Ik kom regelmatig terug naar dit album. De muziek is zo schaars, simpel en toch geweldig aangrijpend. Dubgevoeligheid wordt gedrenkt in thuisgeproduceerde dreiging en angst. Alles klinkt alsof het uit elkaar aan het vallen is: de ringmodulatoren, de verbrande circuits, de stompende drummachines die geprogrammeerd werden door onhandige worstenvingers, de totale ritmische chaos en het geraas van de bezeten, halfgekke man die zijn huis in brand stak en de rook laat opkringelen in een lijmwoestijn. Ik vond steeds dat deze perfect kon dienen als soundtrack voor de Rust Belt States van de USA.

Yes Close to the Edge (Atlantic Records) 1972 – Na dit album verliet drummer Bill Bruford de band (nadien ging hij door met King Crimson en werd hij dé kracht op hun meesterwerk Larks Tongues in Aspic). Close to the Edge is zo gefocust, niet zo disparaat als hun vroegere pogingen waar sterke nummers verknoeid werden door zwakker gepriegel. En dan die bastoon! Er staan maar drie nummers op de plaat, waarvan er twee epi zijn die opgedeeld zijn in verschillende stukken van een verbazende en consistente kwaliteit. Ik denk dat ik op elk Locrian album citeer uit hun titels en hun lyrics. Aan de goede luisteraar om uit te maken waar precies. Maar ernstig nu, er werden zoveel goede ideeën verwerkt in deze ene plaat.

Brian Eno Ambient 1: Music for Airports (Virgin) 1978 – Ik kan eerlijk zeggen dat ik waarschijnlijk niet eens geïnteresseerd zou zijn in synths en loops als het niet was vanwege dit album. Ik had erover gelezen in een interview en een week later zag ik het in een platenzaak. Ik zat toen nog op de hogeschool. Ik pikte het album eruit, omdat de hoes er mysterieus uitzag en het direct klikte. Ik kocht het album onmiddellijk. Ik wilde in dat album wonen. Van het begin tot het einde. Ik ging terug in de tijd tot Roxy Music en Eno’s solomateriaal en werd geobsedeerd door alles wat Conny Plank aanraakte. Ik luister ernaar in elke luchthaven waar ik naartoe ga. Ik vind het ongelooflijk hoe het mettertijd groeit. Ik wou dat het nog steeds in de New Yorkse La Guardia Airport geïnstalleerd was. Misschien moet ik dat ooit maar eens doen.

  • The Clearing/The Final Epoch van Locrian verscheen op Relapse Records, www.relapse.com
  • Locrian and Christoph Heemann van Locrian en Christoph Heemann verscheen op Handmade Birds, www.handmadebirds.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in