Dagbladen, weekbladen, vakbladen: in de literaire katernen van diverse media is de naam Lisa Weeda de voorbije maanden nauwelijks weg te denken. Dat heeft alles te maken met Aleksandra, een boek dat ruim een eeuw geschiedenis beschrijft van de betwiste territoriale gebieden tussen Oekraïne en Rusland. Druk na druk gaat Weeda’s debuutroman vandaag nog steeds vlot over de toonbanken, met hernieuwde interesse van een breder publiek sinds het uitbreken van de oorlog. Of alle superlatieven daarom ook op hun plaats zijn? Dat is daarmee nog niet gezegd …
Schrijven hoeft niemand Weeda te leren. Voor de familiekroniek die Aleksandra is (vernoemd naar haar 94-jarige grootmoeder), blijkt de roman op een atypische manier onweerstaanbaar meeslepend. Daar zit de vorm alleszins voor iets tussen. De schrijfster zapt immers voortdurend heen en weer tussen de voormalige Sovjet-Unie en de spanningen in de zelfverklaarde Volksrepubliek Loegansk, waar het dodentol binnen haar familie anno 2015 verder oploopt. De verbinding tussen de verschillende tijdsassen is evenwel niet evident. Weeda valt daarvoor terug op een limbo, een voorgeborchte waar ze het met de vader van haar grootmoeder over haar wortels heeft, over wat het betekent om het bloed der kozakken door de aderen te voelen stromen.
Het imaginaire Paleis van de verloren Don Kozak, een mentale ruimte waarbinnen de Sovjetpropaganda met decadente luister in een kritische dialoog onder de loep wordt genomen, vormt als technische kunstgreep helaas een belemmering om werkelijk in het verhaal te duiken. Schipperend tussen historisch relaas, journalistieke documentaire en magisch-realistische droomsequens kan Weeda haar vertelling steeds de gewenste richting uitsturen, zij het dat de lezer zich als een stuiterende speelbal voelt. Als gevolg hiervan wordt Aleksandra een weliswaar fraaie compositie, maar niettemin een compositie – met andere woorden een construct, waarvan de fictionele pijlers de gevoelsmatige impact van de pijnlijke waarheden die de auteur blootlegt niet maximaal laten renderen.
De eerste grote politiek-ideologische beweging die de kozakken treft, is de collectivisatie van de landbouw, passend binnen Stalins Vijfjarenplan. Hardwerkende, eerlijke boeren die een beetje welvaart kennen (zoals Weeda’s overgrootouders), worden eerst murw geslagen door haast onmogelijk waar te maken inleveringen ten bate van Vadertje Staat. Publieke vernederingen en bloedbaden op kleine schaal: zij blijken slechts een opmaat voor de omvorming van een door zelfstandige ijver en liefdevolle verderzetting van decennia oude tradities gedreven landbouwapparaat naar Stalins kolchozen, met name boerderijen waarvan vermeende koelakken onder doodsbedreigingen werden verdreven.
Tewerkgesteld in de steden laat men de voormalige grootgrondbezitters wegteren, getroffen door artificiële hongersnoden omdat Stalin oogsten in het buitenland te gelde maakt. Ondertussen verloedert de agricultuur, omdat de kennis en kunde van talloze boeren plaats ruimt voor het ploeteren van door incompetente lieden geleide collectieve boerderijen. Alsof dat nog niet dramatisch genoeg is, zaait het nazibewind niet veel later opnieuw dood en terreur. Ook nu weer is er geen sprake van vrijheid van meningsuiting. Elke afwijking van de voorgekauwde norm kan de kogel betekenen, dus gaan hele gezinnen gebukt onder de willekeur van gedwongen deportaties, waarna ouders en kinderen jarenlang niets meer van elkaar vernemen – als ze überhaupt ooit nog terug met elkaar in contact kunnen komen.
Als de regio’s rond Loegansk en Donetsk na de eeuwwisseling opnieuw ten prooi vallen aan pro-Russische sentimenten, installeert zich wederom een fascistoïde cultuur. Stemmen mag – of liever: moet? – maar de biljetten zijn al op voorhand ingekleurd. Democratie? Met de geweerkolf in de rug! Net zoals in de 20e eeuw is er sprake van plotse verdwijningen, martelpartijen en plunderingen in naam van een groter ideaal waarin haast niemand nog gelooft. Het instrument van de macht is geen kunstige schijnvertoning zoals ten tijde van Stalin, maar een ijzingwekkende dwingelandij bedongen met onverholen geweld.
Hoe verder de lezer in Weeda’s universum wordt ondergedompeld, hoe meer deprimerend en onvermijdelijker de emotioneel geïnduceerde misselijkheid. De fatale afloop dient zich almaar duidelijker aan, maar men ziet het niet. Of toch? Met haar magische insteek suggereert Weeda dat het gewone volk al lang weet wat er staat te gebeuren, maar er zich door het repetitieve karakter ervan over de decennia heen niet meer tegen kan verzetten. De kozakken hebben mettertijd leren buigen en van hun wonden een merkteken gemaakt. Weeda raakt dat intrigerende gegeven aan, maar de parallellen ontdekken tussen de politieke ontwikkelingen van verleden en heden laat ze voor een groot stuk aan de lezer over. Dat is dankbaar voor wie romans niet graag voorgekauwd weet, maar anderzijds laat ze de kans liggen iets wezenlijk over de toekomst van dit grensgebied te proberen openbaren.
Aleksandra is een wat gemaniëreerd, maar toch indringend portret van het Oekraïne dat vandaag tegen wil en dank wederom strijdtoneel is geworden. Boven haar eigen stamboom stijgt Weeda echter niet uit, hoewel in dit verhaal de ingrediënten voor een meer omvattende benadering besloten leken te liggen.



