Jeroen Brouwers :: Restletsels

Er zijn ongetwijfeld Nederlandstalige schrijvers die zich met evenveel overgave in de maatschappelijke polemiek hebben gestort, maar op heden lijkt het ras met uitsterven bedreigd: zo literair ongenaakbaar, zo nauwkeurig en uiteindelijk ook zo kwetsbaar, is de Brouwers die uit de gesneuvelde schors van Restletsels verrijst; zonder twijfel een fragiel titaan van onze letteren.

Geen mens is het verschijnsel vreemd: het erop nahouden van idolen. Ook Jeroen Brouwers kijkt met ontzag naar enkele van zijn voorgangers of collegae: voor W.F. Hermans koestert de schrijver een authentiek respect en Harry Mulisch, hoewel een auteur van een totaal ander allooi, draagt de man hoog in het vaandel. De wereld zal dat ook geweten hebben, want Brouwers moffelt zijn mening niet weg onder stoelen of banken. Hier spreekt iemand met een verstand van zaken, een vakkennis die haar bezitter het recht geeft om didactisch het woord tot de ander te richten, om het volk – om een affreuze boutade boven te halen – “op te voeden”. Brouwers koestert niet de wens als didacticus herinnerd te worden of mensen tot een knieval voor zijn eruditie te bewegen. Wel heeft hij een hekel aan dilettantisme, aan diegenen die het woord opnemen zonder datgene waarover ze schrijven eer aan te doen. Dit betekent evenzeer dat Brouwers zijn pijlen niet richt op de eerste de beste materie. Gevolg zijn een hele resem teksten die hij voor deze of gene gelegenheid optekende, waaruit blijkt hoe breed Brouwers’ kennis precies gaat. Niet zelden zijn het polemisten of recensenten die in hun blootje worden gezet door diens onverbiddelijke doch rechtvaardige (althans voor wie meedrijft op de stroom van Brouwers’ denken) pennenstreken, die grootspraak met een paar goed gemikte woorden kan ontmaskeren of onzin in een heerlijke, bijna genoegzame stijl als geschreven door een krankjorum ziel afdoet.

Veel meer dan alleen een antwoord op dingen die zich voordeden en dan vooral reacties op wat elders al werd geschreven, bevat Restletsels ook dagboekfragmenten en korte notities, zeg maar die dingen die een auteur in het leven van alledag noteert, en wanneer die observaties of gevoelens niet in een roman te gebruiken zijn, voor eeuwig verdwijnen in een notitieboekje. Brouwers’ laat zijn eigen bevindingen echter niet zomaar verdwijnen, maar bundelde ze al eerder in wat zijn “eenmanstijdschrift” wordt genoemd. De structuur van dit negende deel uit Feuilletons, de noemer onder dewelke de schrijver zijn grote en kleine ideeën laat postvatten, is dus een gefragmenteerde hutsepot van allerlei bedenksels. Dat betekent echter niet dat de afzonderlijke bijdragen niet perfect gecomponeerd zijn: Brouwers lijnt zijn teksten perfect af, of het nu essays zijn van meerdere pagina’s lang of voorvallen die slechts enkele zinnen in beslag nemen. Het motto “Dit is de zakdoek van mijn gedachten” past dit boek dan ook als geen ander. Voor snot, kwijl en bloed wordt een zakdoek in de dagdagelijkse praktijk nu eenmaal gebruikt, zelfs al gaat het om een fluwelen exemplaar. Niemand moet dat Brouwers leren: zelfs de meest miezerige verschijning waar hij eigenlijk geen woord aan zou willen vuil maken, krijgt een luxebehandeling met Brouwers’ meest delicate, virtuoze proza.

Nieuw werk van een auteur die magistrale romans als Bezonken rood, Geheime kamers en Datumloze dagen op zijn palmares heeft staan, wordt steevast vergeleken met de voorgaande meesterwerken. Voor Restletsels, precies die letsels die, aldus Brouwers, overblijven na een leven lang geschreven te hebben, is dat een oneerlijke vergelijking, want in kortere stukken kan Brouwers uiteraard geen thematisch materiaal tot ontwikkeling brengen – en is dat tenslotte niet een van zijn grote troeven? Desalniettemin zijn de restletsels van een titaan een waar genot om lezen. In afwachting van – hopelijk – een volgende grote roman, zeker de moeite waard, en onmisbaar voor Brouwers-liefhebbers.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee + vijftien =