Jeroen Brouwers :: Zonder trommels en trompetten

Jeroen Brouwers publiceert nog steeds aan de lopende band en bundelingen van zijn klassiek geworden essays en succesvolle romans gingen de afgelopen jaren niet onopgemerkt voorbij. Toch acht Uitgeverij Atlas het niet onverstandig om eens terug te keren naar de kiem van Brouwers’ schrijverschap. Met Zonder trommels en trompetten uit 1973 is immers pas een van de auteurs vroegste novelles opnieuw verschenen.

Zonder trommels en trompetten zelf is eigenlijk niet genoeg voor een uitgave. Dus voegde de uitgeverij ook Overal stilte toe, waarin Brouwers al gekscherend uitweidt over Vlaanderen. Deze tekst is zeer natuurlijk geschreven en lijkt bijna een uitgetikt interviewfragment: zo “logisch” converseert de schrijver via zijn boek met zichzelf. Toch is de tekst die Brouwers negen jaar later zou publiceren en die de critici toen werkelijk omver zou blazen, de best denkbare reden om achter deze editie aan te gaan. Het werk werd bij zijn verschijnen geslikt als een onverwachte, bittere literaire pil, maar wel een die stilistisch fel gesmaakt werd. De uitgepuurde taaltovenaar die Brouwers ook vandaag nog is, was hij dus evengoed op jonge leeftijd. Het verhaal van Zonder trommels en trompetten vertrekt bij de dood van de kat van Brouwers, hetgeen de schrijver er toe aanzet te beginnen mijmeren over de betekenis van dood, en bij de gratie van de dood, ook “het leven”. Brouwers lijkt zich te laten meeslepen door zijn herinneringen en speelt het autobiografisch kantje ook expliciet uit. Zo is de ondertitel van dit verhaal Een markante anekdote over mijzelf door mijzelf vertelt. Toch is het overduidelijk dat de schrijver nergens de controle verliest: geen woord staat er te veel en de stroom herinneringen en gedachten verslapt geen enkel ogenblik. Zo wordt datgene dat aanvangt bij de dood van een kat, plots iets veel minder triviaal. De schrijver legt later een zekere fascinatie voor zelfmoord in literatuur voor de dag, wat tot interessante anekdotiek, maar ook tot een verruimende visie op de wereldliteratuur leidt. En dan rest natuurlijk nog de vraag hoe de schrijver zelf de akte van de zelfdoding percipieert: met een perverse fascinatie misschien?

Brouwers bouwde al vroeg een band op met bepaalde auteurs, die zijn eigen morbide kijk op het leven deelden. Hij raakte betrokken bij hun oeuvre en op die manier ook onherroepelijk bij hun dood. In Zonder trommels en trompetten leest men dan ook de worsteling van een jonge man met het al dan niet cultiveren tot zelfs in de praktijk brengen van het doodsverlangen. Getuigt het niet van integriteit door het leven zwart af te schilderen en er vervolgens ook bewust uit te stappen? Brouwers maakt het gelukkig niet ondragelijk gewichtig: via leidmotieven als scheren, tandjes en kleine beestjes – elementen die bizar genoeg voortdurend terugkeren, als ervaart de lezer dit boek in cirkelbewegingen – blijft deze zware kost alsnog verteerbaar. De novelle is een continu heen-en-weer zwerven tussen droom en gepijnigde melancholie. In het heulen met de dood komen beide elkaar volledig te overlappen, waardoor de lezer net als Brouwers die dood als een “oplossing” begint te overwegen. Brouwers wordt daar heel concreet in: volgens hem is sterven samen met een geliefde en een afscheidsbrief achterlatend, de ideale methodiek voor een volmaakt sterven.

Interessant is dat Brouwers enorm put uit de eigen ervaringen, maar dit tegelijk ontkent door hier en daar in de derde persoon enkelvoud te schrijven. Via jeugdherinneringen en beelden van zijn kat, komt Brouwers altijd opnieuw uit bij de literatuur. Zo komen het abstracte en het concrete helemaal te overlappen, in wat een briljante stijloefening is. Het ontdekken waard, zowel voor de doorwinterde Brouwers-fan als voor nieuwsgierige Nederlandofielen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × twee =