Cicero :: De republiek of de dood

Hoewel hij ruim tweeduizend jaar geleden leefde en niet kon bogen op eenzelfde afkomst als zijn belangrijkste tijdgenoten en mede/tegenstanders luidt Marcus Tullius Cicero`s naam nog steeds als een klok en moet hij in bekendheid niet onderdoen voor Julius Caesar, Marcus Antonius of de latere Augustus. Het feit dat hij qua eerzucht en zelfpromotie niet verschilde van de andere aristocratische Romeinen en dat hij een belangrijke rol speelde in de gebeurtenissen die het einde van de republiek Rome en de opkomst van het keizerrijk zouden inleiden, hebben zijn postume faam mee verzekerd, maar er was ook zijn literaire kunnen en nalatenschap.

Als geen ander heeft Cicero immers zijn stempel nagelaten op het klassieke Latijn en blijft zijn faam als orator en schrijver, die zelfs verschillende neologismen in het Latijn introduceerde, ook nu nog nazinderen. Toch beschouwde hij zichzelf in de eerste plaats als politicus en trouwe verdediger van de republiek, per slot van rekening had hij tijdens zijn consulaat de staatsgreep van Lucius Sergius Catilina verijdeld en diens medestanders (zonder proces) laten terechtstellen. Dat laatste kwam hem weliswaar op kritiek te staan maar zou zijn reputatie niet besmeuren. Niet alleen was Catilina een aan lager wal geraakte aristocraat maar bovendien had Cicero in zijn functie van consul (het hoogste ambt binnen de republiek) in vier aanklachten, later bekend onder de naam In Catinilam (Catilinarische redevoeringenof Catilinarisen) Catilina zo in het nauw gedreven dat die geen andere uitweg zag dan een militair optreden en zo schuld bekende.

Bijna twintig jaar later zou Cicero zich overigens opnieuw in een zelfde rol geplaatst zien, ditmaal tegenover zijn voormalige collega-consul Marcus Antonius. In niet minder dan veertien redevoeringen dit keer, de zogenaamde Philippicae (Phillische redevoeringen) richtte hij zich in steeds scherpere bewoordingen tegen de oud-generaal van Julius Caesar en diens pogingen, althans in de ogen van Cicero, om de republiek omver te werpen. De titel van de geschriften haalde hij bij de Atheense Demosthenes (4e eeuw v. Chr.) die zich in drie geschriften tegen Phillipus II van Macedonië (vader van Alexander de Grote) uitgesproken had. Dat Cicero ditmaal echter aan het kortste einde trok, is gekend evenals het feit dat Marcus Antonius diens hoofd en rechterhand, waarmee hij de redevoeringen had uitgesproken en geschreven, op het Forum tentoonstelde voor iedereen.

Nochtans zag het er lang naar uit dat Cicero opnieuw als overwinnaar naar voren zou treden na de moord op Caesar. Zo wist hij de senaat zo ver te krijgen dat de moordenaars van Caesar amnestie kregen, en mocht hij net als hen Rome verlaten na goedkeuring van de nieuwe consul Publius Cornelus Dolabella, die de plaats van Caesar innam. Dolabella was niet alleen de (ex-)schoonzoon van Cicero maar beweerde naderhand ook betrokken te zijn geweest bij het complot, wat bij Antonius kwaad bloed zette maar hem niet tot overhaast handelen bracht. De naweeën van de aanslag waren dan ook een vreemde periode waarbij iedere partij de andere argwanend in het oog hield terwijl de senaat officieel de touwtjes in handen hield.

Tijdens dit strijdgewoel zocht en vond Octavianus, die bij testament aangenomen werd als Caesars zoon, de mogelijkheid om veel van Caesars oude legioenen aan zich te binden. Hierdoor zag Cicero zich genoodzaakt `de jongen` (Octavianus was nog een tiener) aan zich te binden. De verstandhouding tussen Cicero en Antonius daarentegen bekoelde in deze periode snel. Niet alleen beschouwde Antonius Cicero als een van de leidende figuren achter de aanslag, maar Cicero zelf meende dat ook Antonius gedood had moeten worden. Paradoxaal genoeg beroemden beiden zich na de dood van Caesar desalniettemin nog op hun vriendschap, zelfs al bleven ze weg uit de senaat wanneer de andere daar aantrad. Zo is Antonius dan ook afwezig wanneer Cicero in zijn eerste Phillipica scherp van leer trekt tegen hem en net zozeer stuurt Cicero zijn kat wanneer een woedende Antonius bij een volgende vergadering Cicero van antwoord dient en hun vriendschap opzegt.

Het wederwoord van Cicero, de uitgebreide en vlijmscherpe tweede Phillipica, zal niet uitgesproken worden in de senaat als pamflet verschijnen, en mee het latere lot van Cicero bezegelen. Op het ogenblik van Cicero’s eerste aanvallen was Antonius naast proconsul door de senaat als gouverneur aangesteld voor de provincie Macedonië en hield hij zelf een pleidooi om Octavianus, die Caesars oude legertroepen verzamelde, tot staatsvijand uit te roepen. Toen de senaat dat weigerde, trok hij met zijn leger naar de provincie Gallië Cisalpina dat hij van Marcus Brutus (een van de samenzweerders) wenste over te nemen. Die laatste weigerde zijn macht over te geven en werd hierin gesteund door de senaat, op verzoek van Cicero.

De positie van Antonius werd hierdoor steeds onhoudbaarder, niet alleen wist hij Brutus niet te verslaan maar daarnaast waren verschillende van zijn legioenen ook overgelopen naar Octavianus. Bovendien sprak de senaat haar steun voor Marcus Brutus en Octavianus uit, evenwel zonder Antonius tot staatsvijand uit te roepen. Cicero bleef er echter op gebrand hem als dusdanig te bestempelen en zou hier in de volgende Phillipica op blijven hameren terwijl hij Octavianus verder ophemelde. De senaat besloot ondanks alle pleidooien verschillende gezantschappen naar Antonius te sturen, waaronder finaal een waarvan Cicero deel van zou uitmaken. In tussentijd was echter Dolabella van kamp gewisseld en werd hij als eerste tot staatsvijand uitgeroepen, al zou Antonius snel genoeg volgen toen duidelijk werd dat hij aan de verliezende hand was.

Niemand had echter voorzien dat uitgerekend Octavianus met Antonius en Marcus Aemelius Lepidus een verbond zou sluiten, waardoor ze dankzij hun gezamenlijke militaire macht de facto de nieuwe heersers werden. Ook Lepidus was aanvankelijk een bondgenoot van de republiek en Cicero, al vertrouwde die laatste hem (terecht zo bleek) niet helemaal. In zijn brieven aan vrienden en medestanders benoemt Cicero dit wantrouwen jegens hem geregeld terwijl hij ondanks twijfels toch blijft geloven in Octavianus, die hij hoopt te kunnen manipuleren en sturen. Het is dan ook geen wonder dat hij in de Phillipica zozeer de lof zingt van de jongen en er succesvol voor pleit hem ambten en taken te geven waarvoor hij vanwege zijn jonge leeftijd wettelijk nog niet in aanmerking komt.

Samen met de Phillipica geven Cicero’s brieven aan vrienden en vertrouwelingen een goed, zij het eenzijdig beeld van de periode tussen de dood van Caesar en de machtsgreep van het tweede triumviraat. In beide toont Cicero zich niet alleen een volleerd stilist maar ook een politiek denker die weet hoe de situatie in te schatten en medestanders aan zich te binden en moed in te spreken. Als een spin in het centrum van het web tracht hij de gebeurtenissen naar zijn hand te zetten, door tegenstanders te demoniseren en getrouwen op te hemelen. Het staat echter buiten kijf dat Cicero hier in de eerste plaats het voortbestaan van de republiek voor ogen heeft, al is hij niet blind voor de faam die hij ermee verwerven kan. Enig eerzucht en narcisme is hem duidelijk niet vreemd. Meermaals beroept hij zich immers net zo goed op de eigen deugden als hij de zonden van anderen in de verf zit.

Binnen het door en door op reputatie en publieke beeld geschapen Rome hoeft dat niet vreemd te zijn (het is zelfs te verwachten) maar voor een moderne lezer die opgevoed is met althans de schijn van bescheidenheid is deze eigenlof wel opvallend. Ook de vaak lage en persoonlijke aanvallen heten typisch te zijn voor de republiek Rome en mogen niet beschouwd worden als een afbreuk aan Cicero`s waarde. In die zin geven de redevoeringen ook een helder beeld van de toen bestaande (politieke) zeden en gewoontes. Het indrukwekkende Latijn en het spelen met betekenissen komt uiteraard minder uit de verf in een vertaling, al blijft het werk van vertaler John Nagelkerken indrukwekkend. Bovendien geeft hij niet alleen duiding bij de brieven en de redevoeringen maar voegt hij ook een uitgebreid notenapparaat mee die het mogelijk maken de vele bedoelingen en verwijzingen van Cicero ook voor een modern publiek te ontsluiten. Hierdoor behouden de Phillipica de literaire en historische waarde die ze met recht en rede verdienen en onderstrepen ze dat in de voorbije tweeduizend jaar het politieke spel nauwelijks gewijzigd is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 4 =