Esperanzah! 2016 :: Van het goede doel te veel

Dour uiterst rechts, Les Ardentes bijna helemaal links richting Duitsland. Zo oogt de Waalse festivalkaart van hieruit gezien. Blijkt er pal in het midden al vijftien jaar lang een alleraardigste derde te zijn, die dit jaar met Manu Chao en Patti Smith fameuze headliners op de verjaardagstaart had. Enola dus naar dat Esperanzah!, waar uw reporters een knoert van een muzikale identiteitscrisis zagen, en een festival dat zich daar geen reet van aantrok.

Steek het allemaal maar op Manu Chao overigens, want het was naar aanleiding van een concert van de kleine Franse Spanjaard dat programmator Jean-Yves Laffineur het idee kreeg om een festival in zijn geest in te richten. Eentje dat het goeie doel aan de borst drukt, en hooggestemde ideeën met luide stem wil verkondigen. Neen, Esperanzah! zou geen festival als de andere worden. Elk jaar hangt het zijn inzet op aan een overkoepelend thema, van natuurbescherming tot dit jaar het verzet tegen de vrijhandelsverdragen TTIP en CETA. Wie even niet oplet, loopt meteen verloren in een druk dorp met ngo-standjes voor hij nog maar één podium heeft gezien.

Sponsors kunnen het ook vergeten — en als Sabam For Culture dan per se borden met zijn naam aan de Scène Découvertes wil, dan zullen vrijwilligers die wel schilderen –, grote brouwers keerden onverrichter zake terug naar kantoor. Cola? Vindt u niet; een alternatieve limonade moet de job maar doen. En verder drinkt u op Esperanzah! het ietwat platte maar heerlijk genaamde biobiertje Silly Pils, of het lokale Floreffe, dat in drie kleuren komt: blond, wit of de ondrinkbare kersenvariant “Le Temps des Cérises”. Eerbetoon aan de gelijknamige voorganger van het festival uit de jaren zeventig, het Jazz Bilzen van Wallonië, zeg maar, dat op diezelfde locatie legendarisch moet zijn geweest.

En laten we het misschien maar eens over die locatie hebben, misschien wel de sterkste troef van het festival. Want wat vormt die abdij van Floreffe — zo’n vijftig meter boven de Samber verheven — een prachtdecor. Niet alleen voor het hoofdpodium, de Scène Côté Jardin, die omzoomd wordt door een reeks monumentale classicistische gebouwen en een aangename parktuin, maar ook de middeleeuws aandoende straatjes die de verbinding maken met de lager gelegen Scène Côté Cour, net buiten het abdijterrein, zorgen voor misschien wel de mooiste festivalsetting die we ooit zagen. En ja, dat houdt ook Larmer Tree Gardens in, beste End Of The Road.

Vrijdag 5 augustus

Het zou allemaal meteen très sympa zijn, ware het niet voor een arrivé die het uw verslaggevers droef te moede maakt. Na een flink uur aanschuiven langs de oevers van de Samber blijkt de Zomer Der Terreur immers ook landelijk Wallonië te hebben bereikt, maar het concept “vriendelijkheid” niet de bijbehorende securitymensen. We worden afgeblaft, pogingen tot gesprek worden genegeerd, maar uiteindelijk blijkt het vooraf gekochte campingbandje toch ook zonder persbandje voldoende om éérst onze tent op te slaan op deze Camping Festif. “Festif”? Ow. Hebben we hier wel goed over nagedacht? Geen tijd meer voor bedenkelijke blikken over en weer, er staat een reggaelegende op ons te wachten.

Eentje met een boodschap bovendien (niet de laatste keer op dit festival), want Lee “Scratch” Perry heeft duidelijk wat wijze raad meegebracht voor de festivalgangers. Tachtig is de man ondertussen, en niet te beroerd om een levensles of twee met zijn publiek te delen. Vandaag richt hij zijn pijlen op sigaretten, en dat zullen we geweten hebben. “Cigarette / Is cancer” declameert hij over het gezapig dubritme van zijn muzikanten, terwijl hij zijn zoveelste toeter van de dag aansteekt, en en passant nog een glas rode wijn neemt. Het is een wat bevreemdend schouwspel, zeker gezien Perry’s geflipte podiumoutfit, met purperen broek, een soortement Khadaffi-jasje en bovenop een misschien wel zelfgemaakte spiegelende pet. Tel daarbij het verwarde gemompel, de eindeloze herhalingen en de willekeurig rondgestrooide “wonderfuls”, en Perry begint wel héél erg op de Eddy Wally van de reggae te lijken. Gelukkig sluipt er langzamerhand wat meer tempo in de set, en hoewel we nog maar eens twee nummers over sigaretten krijgen, wordt er ten minste muzikaal gevarieerd op het voortsjokkende ritme van de eerste drie kwartier en lijkt ook Perry zelf eindelijk wakker te schieten. Oppeppende ganja, bestaat dat? Mogen wij ook een trekje dan?

Bij het verlaten van de binnenplaats botsen we nog bijna op Kabochar Orkestar, een jolig klezmerbandje dat het publiek op de keien staat te vermaken. Want ook dat is Esperanzah!: straattheater tot je er bij neervalt, of het nu een vreemde kapper is die al mimespelend en druk de haarlak bezigend een vrijwilligere omstaander “verfraait” met stukken plant, dan wel een orkestje als dit of een uit de kluiten gewassen acrobatenvoorstelling. “Je komt niet alleen voor de muziek”, is één van de slogans van het festival, en er is geen woord van gelogen. Al is dit Orkestar toch wel degelijk vooral fijne muziek, en een aangename opmaat naar het Balkangeweld dat straks het hoofdpodium moet innemen. Ondertussen? Iets anders. Elders.

Halverwege Cour en Jardin, waar de paters vroeger basket speelden — zo stellen we ons voor als we die stiekem weggestopte ring achter een drankstand ontwaren — is het tijd voor een ontdekking. Krijg je altijd met een Scène Découvertes, je zult het zien. Zijn het zusjes? Neen, toch niet, maar daarvoor hebben we even google nodig, want jongens, wat gaan die stemmen van Fanny Van Hammée (toetsen) en Olympia Boule (slagwerk) mooi samen. CocRosie passeert even in gedachten, maar de beats zijn zwaarder en meer rechtdoorzee. Meer dan elektropop is het niet, het arty randje niet meer dan dat: een streepje zelfgemaakte outfits.

Het is goed zo. Faon Faon intrigeert, voert mee, en is soms hartverkillend mooi, zoals in de cover van eightiesdraak “Sauver l’amour” van Daniel Balavoine. Eigen werk staat nog niet op die eenzame hoogte, wegens al eens iets te schrale melodieën, maar je proeft talent. “Chou de Bruxelles”, dat ze met Témé Tan maakten, is een wat onnozel stuiterend niemendalletje (“Pourquoi personne ne t’aime / Chou de Bruxelles”, jaja), maar het klinkt wél erg fris. Het speelse “Eskimo” mag er een vrolijk punt achter zetten. Willen we nog wel eens zien spelen, en — als het wat meevalt — een plaat van horen.

Tijd voor een topper, maar de eerste Esperanzah-avond heeft een ietwat wisselvallige headliner gekregen: Emir Kusturica & The No Smoking Orchestra. Want wat blijkt: het is niet omdat je goed bent in films regisseren, dat je ook een strakke show op poten kunt zetten. Alle elementen voor een verknipt Balkanfeest zijn nochtans aanwezig: een toetsenist in karatepak, een koppel blazers, de onvermijdelijke accordeon en dan nog een violist in een soort dracula-in-de-rechtbank-jurk. Oh, en Kusturica zelf natuurlijk, al is het soms raden waar zijn meerwaarde in dit project precies zit. Een gitaarheld is hij niet, noch een dirigent die de touwtjes strak in handen houdt. Daarvoor is dit te veel een rommeltje – daar kan zelfs het terugkerende Pink Panther-wijsje tussen elk nummer niets aan verhelpen. Kusturica is het natuurlijk ook niet gewend: normaal gezien leidt Dr. Nele Karajlíc deze band, maar om onduidelijke redenen is die er vandaag niet bij.

En zo raakt dit concert maar niet op dreef. Na elke song valt het opnieuw dood, maar de muziek zelf heeft daar gelukkig niet voortdurend onder te lijden: de opgepompte, met rock en punk doorspekte Balkansongs – grotendeels geschreven als soundtrack voor Kusturica’s films – spatten zonder genade door de boxen, met een wervelend “Bubamara” als uitschieter. “Meine Stadt” (uit Black Cat, White Cat) is een klassieker, en nodigt uit tot armen inhaken, liters bier hijsen en hossen doorheen de Jardin. De regisseur neemt het dan weer even over tijdens “Evergreen”: enkele jongedames mogen mee het podium op, en krijgen van hem een drill in onnozele danspasjes die vervolgens uitmondt in een turnles met Kusturica als afmattende trainer. Vermoeiend, maar wel effectief, en dat geldt niet minder voor “Fuck You MTV”. De boodschap – “Do you agree? Fuck you MTV” — mag dan iets minder politiek getint zijn dan gemiddeld op dit festival, de luidruchtige verpakking is zo aanstekelijk dat meebrullen onvermijdelijk is. Volgende keer zo’n nummertje over TTIP, en je bent de held van het festival, Emir.

Biedt Kusturica geen vuurwerk, moeten we het wel elders zoeken. Straattheater, zei u? Volstaat een acteur die theatraal als marionet wordt binnengerold, waarna drie acrobaten aan het jongleren slaan met brandende fakkels? Nog wat trapezewerk nodig? Komt ie, hou uw adem in! Compagnie Boîte à Clous heeft het in La Machine Infernale allemaal, en krijgt van ons een kwartiertje open mond. Krijg je dorst van, tijd om alweer verder te gaan. Maar dat het leuk was zo lang het duurde.

En zo gaat het de heuvel af, richting Scène Côté Cour die nadrukkelijk aan de jeugd appelleert. De felgekleurde harembroeken en dad jeans boven nippen aan een laatste cocktail voor het naar de Camping Famille gaat — zien ze ons nooit, meneer –, hier is het aan de urban stuff, en vanavond: dance. Uw team wordt daarbij van een slaapmutsje voorzien door Bakermat. Met zijn tropisch getinte house een perfecte crowdpleaser, al is het bijzonder jammer dat de Nederlandse dj hier in zijn eentje staat, zonder de saxofonist die hem wel eens durft te vergezellen. Dat instrument is immers zo essentieel in het geluid van Bakermat, dat het zonde is dat ze vandaag uit een doosje moet komen. Maar dat mag de pret niet drukken: de melodieën doen verlangen naar zonnige stranden – de Côté Cour moet het helaas stellen met iets minder aantrekkelijke kiezels – en de beats passen perfect bij ons laatste bekertje Silly Pils. Met “Vandaag” – dat met de “I have a dream”-sample, u kent het wel – heeft Bakermat sowieso een onweerstaanbaar nummer meegebracht dat aan minstens één helft van dit enolateam een blij huppeltje ontlokte. Meer moet dat soms niet zijn; tijd om naar die Camping Festif af te zakken.

Festif? Is dat géén afkorting van festival? Aaaaargh! Wisten wij veel dat die Walen dat zo letterlijk zouden nemen. Gegil en geschreeuw vult de van onheil zwangere lucht, een nimmer aflatende set djembé’s maakt onze nacht tot een hel. Wanneer we om half zes ‘s ochtends moeder natuurs’ roep beantwoorden — nog steeds geen oog dichtgedaan — staan we oog in oog met nog maar eens een dolgedraaide puber die — fikse joint in de ene, blikje Carapils in de andere hand — van “Putaaaaaain” gaat. Wij slaan onze ogen ten hemel, mompelen met tranen in de ogen “Quel bordel”, en in gedachten reciteren we dat oude Vlaamse adagium “Waalse vrienden, laat ons slapen”.


Victorie: als de tellingen kloppen hebben we er toch een uur of drie slaap uitgeperst. Zijn we klaar voor een dag wereldmuziek? Misschien als we ons hoofd onder gindse waterkraan steken. Aaah, voilà. Zoals de locals zeggen: “en avant, la musique!”

“Chassons les vrai monstres”, raast Esperanzah! in zijn themaverklaring tegen de nakende handelsverdragen met de Verenigde Staten en Canada. “En dus niet tegen de vluchtelingen”, is de subtekst die u er met dat vaak op het terrein geafficheerd “Refugies Welcome” maar moet bij denken. Vandaag gaat de daad bij het woord: Refugees For Refugees, dat de Scène Côté Jardin opent, is een orkestje van in België belande asielzoekers dat hier mag tonen wat talloze workshops hebben opgeleverd.

Met muzikanten uit landen zo divers als Pakistan, Syrië, Afghanistan of Irak kan het niet anders of dat moet aftasten en zoeken zijn geweest. Dat hoor je ook in de muziek die meer dialoog dan samenspel is. Speelt de één iets op zijn folkloristisch instrument, antwoordt een ander op dat authentieke ding van hem. Een Belgische gitarist en percussionist overzien de werkzaamheden, kondigen nummers zalvend aan, en spelen zo de Maïzena die dit collectief nodig heeft. Sympathiek project, maar muzikaal niet helemaal voldragen. Excuseer ons dus dat we ondertussen eens van die Floreffe Blond proeven. Zegt de zytholoog in ons: aardig, maar een wat flets boeket.

En even flauw is ook wat we op de Scène Découvertes bij Mantra Suicide te horen krijgen. Alsof de Beatles al niet héél lang verleden tijd zijn, en veel weed roken iets van vroeger — het publiek van dit festival doet nochtans hard zijn best ons van het tegendeel te overtuigen — ademt dit jonge viertal psychedelica. Vervelende, saaie, clichématige, John Lennon op zijn stoneste drugstripperij, helaas. Soit, als Tame Impala uit dit vlakke land kwam, het zou zo braaf en onmachtig als dit klinken. Zo gaan we nooit wakker worden.

Gelukkig is er nog Madagascar, waar de duivel The Dizzy Brains heeft gebaard. Of dat zou frontman Eddy Andrianarisoa u toch graag doen geloven. Ooit moet hij nacht na nacht YouTubefilmpjes van The Sonics en The Stooges in zich hebben opgenomen, daar op zijn zolderkamertje in Antananarivo, en nu leeft hij de droom die zich toen vormde. Met zijn pezige blote torso in de gekste bochten gewrongen lijkt hij een Iggy Pop uit de tropen, een Prince die overleeft op een dieet van Nuggets.

Andrianarisoa krijst. Gilt. De band achter hem — original Malgache hipsters — speelt competent en potig. Gitarist en broer Mahefa draait zijn hand niet om voor een vingervlugge Frusciante in een funkrocktrack. Er moet bovendien duchtig met middelvingers naar politici gezwaaid worden tijdens het boze “Finger Up”, en laat dat nu exact zijn wat zo’n Esperanzah!-publiek graag doet. En dan is het plots op, met nog een half uur te vullen. De luchtballon loopt leeg, de energie — of zijn het de goeie songs? — is op. Manmoedig worstelt de groep zich naar het einde. Jammer, voor iets wat zo opwindend begon dat het wel eens de revelatie van dit weekend zou kunnen zijn.

Tijdens deze driedaagse wordt bovendien ook gestreden om de prijs voor Coolste Bejaarde van het festival. Gisteren ging die alvast níet naar Lee “Scratch” Perry; deelnemer voor vandaag: Calypso Rose, een rimpelige schone uit Tobago van zomaar eventjes 76 jaar oud. Je zou het nochtans niet zeggen: met pretlichtjes in de ogen vraagt ze een man op de eerste rij of hij getrouwd is, en als ze niet voor zichzelf op zoek is naar een lover, dan huwelijkt ze haar bandleden wel uit (“Who of you ladies will take one of my boys home tonight?”), of showt ze met een zwoele knipoog haar benen. En dat alles met het ultieme zomerse geluid van — verrassing — de calypso als achtergrond. Calypso Rose (met een naam als Linda McArtha Monica Sandy-Lewis is zo’n pseudoniem geen slecht idee) en haar muzikanten staan er met een zorgeloosheid die aanstekelijk werkt, en het duurt niet lang voor de hele Jardin zijn beste heupbewegingen en salsapassen tevoorschijn tovert.

“I AM the calypso queen”, stelt ze klaar en duidelijk, “No man alive or dead could take the crown off mi head”, en gelijk heeft ze. Sinds haar vijftiende schreef ze een whopping 800 nummers, en hoe vrolijk het allemaal klinkt, stiekem heeft de koningin héél wat te vertellen, al is het dan bij momenten met krakende stem. “Leave Me Alone” bewijst dat niet alleen Beyoncé het patent heeft op sterke-vrouwen-songs, en met “No Madame” zette ze enkele decennia geleden al eigenhandig een wetswijziging voor uitgebuit huishoudpersoneel in gang. Feministische kwesties of niet, soms swingt het ook gewoon absurd lekker, met een uitgelaten “Zoom Zoom Zoom” als hoogtepunt. De “Calypso Ro-ho-ose”-chants die nog een paar uren over de abdijgronden gonzen, zeggen genoeg: Calypso Rose gaat vlotjes met de bejaardenbeker aan de haal.

Jammer wel voor de frontman van Tchala’s band, want ook deze Kaapverdiaan zet op de Scène Découvertes zijn beste beentje voor, onlosmakelijk verbonden met zijn ukelele. Zijn met melancholie gelardeerde tropische klanken worden bijgekleurd door enkele Belgische jazzmuzikanten, en vooral in “Mosca Rondera”, met droevig gestemde carnavalsblazers, leidt dat tot een feestje mét krop in de keel. Tchala zelf lacht er onverminderd zijn tanden bij bloot, wiegt nog wat met zijn heupen en overlaadt het publiek met een stortvloed aan “obrigado’s”. Minder overrompelend dan Calypso Rose, minstens even innemend.

De Côté Cour een tikje urban? Vandaag meer dan, wanneer de jonge rakkers Bigflo & Oli (20 en 24) opdagen. Sinds hun debuut uitkwam, een dik jaar geleden, zijn de broertjes Ordonez uit Toulouse dé Franse shit, en waarom dat zo is, toont hun okselfrisse rap. Woorden razen als knikkers van een knikkerbaan, beats zijn sec en spaarzaam. Het is aan een opgewonden standje van een cellist om voor wat muzikale omlijsting te zorgen. Doet ie goed.

Het is entertainment, zoals hun dj hoog achter zijn draaitafel torent, geflankeerd door twee potige Romeinse zuilen. En als er een dipje dreigt, is er altijd nog “La Machine Ambiance” die het publiek wel even zal opjutten. Je wil als Belgen niet bleek afsteken tegenover wat opgewonden Fransozen. Het lééft, voel je, het is belangrijk, zelfs al versta je aan dit rateltempo geen woord van de teksten. En het zal niet de laatste keer zijn dat hiphop zal aantonen misschien wel het vitaalste genre te zijn op Esperanzah!. Eentje dat zijn boodschap wel op een hedendaagse manier kan overbrengen.

Want wat moet je in Godsnaam met een koortje dat ergens in een doorgang een belegen liedje tegen TTIP staat te brengen? Wie wordt omgepraat door een dorpje infostanden van Elk Mogelijk Goed Doel behalve de al lang overtuigden? Het is een vervelend belegen geurtje dat rond Esperanzah! hangt, en bij momenten irritant wordt, zelfs al deel je wellicht elk standpunt dat hier ingenomen wordt. Het probleem blijft in het achterhoofd hangen bij de headliner van vanavond.

Een kwade boer — zwart-geel-rood koebeeldje in de armen — mag voor aanvang van Manu Chao‘s concert opnieuw een tirade afsteken tegen de vermaledijde handelsverdragen. Alweer knikt de eigen parochie instemmend. “Monsanto no no no” zal Chao zelf even later gaan, en het voelt goedkoop aan. Ja, er is een probleem met de pesticiden- en zaadpatentengigant, maar doe er iets aan in plaats van dit goedkoop sloganesk gedoe dat niemand zal bekeren.

Het is onze laatste klacht. Zoals gewoonlijk is het concert van Manu Chao en La Ventura — of is het vandaag met twee blazers aan boord toch weer Radio Bemba? — een energiebom die wordt gedetoneerd op de anders zo gezapige Côté Jardin. De sfeervolle binnenplaats van de abdij, de belendende “hangende tuin”, ze staan afgeladen vol, wanneer “Mr. Bobby” het openingsapplaus in een binnenkopper verandert. Chao en band razen zoals we hem lang niet meer zagen tekeer gaan. Voor dit volk van verwante zielen, op het feest dat het geïnspireerd heeft, klinkt dat “Proxima estacion: Esperanza!” bijna tongue in cheek, maar ook nog eens waarlijk enthousiast en urgent. “Une autre monde est possible” lees je op veel T-shirts hier, en het is die hoop die dit publiek naar hier drijft. Je kunt er ook respect voor hebben, denk je: willen veranderen is een eerste stap.

Nog een bedenking, geen klacht: Chao teert nog steeds op het materiaal van laatste plaat La Radiolina, en die is ook alweer van 2007. Ook vandaag is geen enkel nieuw nummer te horen, maar geeft dat als nummers sowieso zeldzaam zijn? Wat De Sprinkhaan serveert, zijn telkens opnieuw potpourri’s van rock, reggae, punk, en elk mogelijk wereldgenre dat op Esperanzah! de voorbije dagen aan bod kwam, waarin enkele songs dwars in elkaar worden geflanst, riedels terugkomen, en alles draait om energie. Elk blokje opnieuw levert de band zich over aan

middelpuntvliedende krachten die ze nauwelijks in toom kunnen houden, en als dat moet culmineren in footballchants à la “oyooo oyoyo” of meegebrulde trompetriedels, dan is dat maar zo. Is Chao een man van boodschappen, dan is het feest dat hij er rond bouwt waarom ze overkomen. Omdat het gevoel van die hartenklop — herhaaldelijk op zijn borstkas gebeukt — meer zegt dan duizend woorden.

Vanavond werkt het wonderlijk goed, meer dan het geval is geweest de laatste keren dat Chao halt hield in ons land. Dat er opnieuw een trombonist en een trompettist van de partij zijn, speelt misschien wel mee. Zonder kan zijn band al eens bruut zijn, met te grote strepen borstelen. Dan is het “gewoon” punk of reggae. Met de kopers krijgen songs als “Minha Galera” of “Forzando Maquina” meer kleur, om maar te zwijgen van een daverende bisronde met “Mala Vida”, dé klassieker van Chao’s vorige band Mano Negra, meteen gevolgd door een uitzinnig gebracht “Sidi H’Bibi”, een Arabische traditional die hier in een razende draaimolen verdwijnt. Ja, het was maar voor gelijkgestemden, geen hond die het nog niet was zal overtuigd naar huis zijn gegaan, maar het was een feest. Het is vandaag moeilijk om geëngageerd te zijn, dit is hen gegund.

Streepje spektakel meegepikt in de Jardin Suspendu naast het hoofdpodium, zo kan de grote massa de weg naar beneden al even voor ons verkennen — je weet nooit of er een kapitalist in de struiken verborgen zit. Lang blijft Compagnie Les P’tis Bras echter niet boeien met zijn Triplette. Alweer is het klassiek trapezewerk, afgewisseld met de al even verplichte jongleernummers. Neen, dan liever terug over de kasseien naar beneden stommelen — onze voeten beginnen zich ondertussen al spontaan in de juiste vorm te plooien — en even dag te zeggen aan dj Funky Bompa. Goeie artiestennaam, leuk laatste plaatje. Pret gemist, dus. Tijd om nog een verdieping te zakken, waar Rone de Scène Côté Cour in de ban houdt. Tot een beter idee opduikt. Als we nu eens éérst naar Camping Negende Hellekring afzakken, wie weet liggen we dan in slaap vóor alle geweld losbarst? Proberen? Proberen!

Heeft het plan gewerkt, of waren zelfs onze piepjonge campingvrienden wat moe na één nacht liederlijkheid? Er is in elk geval zowaar meer dan één oog dichtgedaan, en dus mag de laatste dag beginnen. Al wil die nooit echt op gang komen.

Want tussen Orchestra Vivo! en ons wil het bepaald niet lukken. Zevenentwintig muzikanten doen iets dat naar licht klassiek op zijn soundtracks zweemt, een oude, wat warrige man komt er theatraal over voordragen, maar is zowel in het Frans als het Engels onverstaanbaar, en plots slaat heel de zwik aan het houterig dansen. Straattheater dan maar? Volgaarne!

Bibberen doen we. Zweten. Dat vooral, in die oververhitte circustent, maar dus ook met angst en beven toezien hoe de dame en heer — zelden iemand comfortabeler gezien in een zwart kanten niemendalletje — van Cirque Ozigno bijna achteloos met veertig messen en zeven bijlen aan het werk gaan. What happens in the kitchen, stays in the kitchen, houden ze ons voor. Het is het klassiek soort messenact, in een nieuw kleedje gestoken, maar de essentie blijft: nagelbijten terwijl iemand — madame, om precies te zijn — een ander netjes en precies de messen om de oren gooit. Hoewel: precies? Er loopt al eens iets mis, zeker wanneer een loodzware laatste bijl op de proppen komt. Of is dat net bedoeld? Ah, that’s entertainment, sir; nothing but smoke and mirrors. Tijd om weer adem te halen. In alle opzichten.

Ook vandaag is de kracht van hiphop op Esperanzah! onmiskenbaar. In eigen land Burkina Faso hielpen Smockey & Sams’k Le Jah in 2014 nog president Blaise Compaore aan de kant te zetten, vandaag staan de rapper en de reggaeman zij aan zij om muzikaal te strijden. Het gaat hen minder goed af. Eerst mag Smockey, met zijn ruig uiterlijk en petje nog het meest een rebellenleider gelijkend, met militante energie aan de slag. Aanvankelijk opwindend, wanneer de zware dreunen van “Yaaba” en “Zamana” passeren, wordt het irritant simplistisch met het anti-politieke aftelrijmpje “Votez pour moi”. Wanneer kompaan Sams’k overneemt met lome reggae is alle pit al lang verdwenen.

En Esperanzah! blijft op laag toerental draaien, vandaag. In het verleden mocht Ala.ni al backing vocals doen voor goed volk als Mary J. Blige en Blur, stiekem houdt ze echter van oude, sepiakleurige soul. En zo klinkt ze ook, nu een duwtje in de rug van Damon Albarn haar een solocarrière opleverde. In “Cherry Blossom” ademt ze de invloed van een grootheid als Billie Holiday uit, in “Roses & Wine” fluistert ze ons in het oor met de vertrouwdheid van een beste vriendin. Het is,met die gitarist en harpiste, smaakvol en proper. Té, misschien, maar vooral: het werkt niet op een groot openluchtpodium waar het publiek nog in receptiemodus zit. Ala.Ni overstemt het geroezemoes nauwelijks, trekt dan maar de aandacht met gibberende bindteksten, kruipt op haar barkruk, maar passeert bijna geruisloos. Wat was dat? Een zuchtje wind? Jammer.

Iets klopt niet bij het optreden van Patti Smith. Goed, ze begint deze als “An evening with words and music” aangekondigde set dan wel met Alan Ginsbergs “Footnote To Howl“, dat is het wel zowat qua literatuur. Met “Dancing Barefoot” en “My Blakean Year” wordt wél akoestisch binnengetippeld, en dat gaat zo even door. Smith wuift handjes naar het publiek, laat “Peaceable Kingdom” overgaan in een flardje “People Have The Power”, dist “Frederik” héél even a capella op — “Dat soort songs doen we deze tour niet” — voor een jarige naamgenoot van wijlen haar echtgenoot, en covert Princes “When Doves Cry”, iets wat al sinds het begin van dit millennium geregeld op haar setlist staat.

En zo heb je nergens het gevoel dat dit echt een bijzonder concert is, dat ànders is. Daarvoor zijn de monotone dodenmars “Ghost Dance” en “Beneath The Southern Cross” te veel oude bekenden de laatste jaren. Waarom leest ze geen stukje voor uit Just Kids, die sterke roman over haar tijd met de betreurde kunstfotograaf Robert Mapplethorpe? Of iets nieuws uit haar nieuwe bundel M Train? Neen. Alles bouwt op naar een vertrouwde finale. “Pissing In A River”, publieksfavoriet “Because The Night”, en met “This song is for everybody. Éverybody.” zelfs een volledig, versterkt “People Have The Power”. Het klinkt niet zoals gewoonlijk. Niet met enkel zoon Jackson op gitaar. Waar is vaste snarenheld Lenny Kaye, de onafscheidelijke muzikale metgezel van Smith sinds haar beginjaren? Is deze tour conceptueel anders omdat hij er niet bij kon zijn? Geen uitleg. Maar je voelt dat hij wordt gemist. Dit was mossel noch vis: niet ingehouden genoeg om echt iets aparts te zijn, niet straf genoeg om de vurige, furieuze Patti Smith-de-rock-‘n-rollheldin haar duivels te laten ontbinden. Volgende keer: meer woorden of meer gitaren. Omdat de middenweg de saaiste weg is.

“Ah, St Germain, le dj?” – niet helemaal, Franstalige juffrouw in de rij aan de toiletten. Ludovic Navarre mag dan wel het brein zijn achter de plaat die bij u, al uw tantes en nonkels én elke loungebar al een dikke vijftien jaar in de kast staat, er zal vanavond heel wat meer gebeuren dan eenvoudig knoppengedraai. Navarre ontdekte voor zijn laatste album St Germain het Afrikaanse continent, en dat blijkt live alleen maar in zijn voordeel te spelen. Niet dat de lounge – ja, ook wij krijgen daar een vieze nasmaak van – volledig uit zijn set verdwenen is (“Rose Rouge” wordt al snel op het publiek losgelaten en zorgt daarmee ook voor een vroege uittocht), maar de bende Afrikaanse muzikanten die hij meebrengt, gooien de sfeer helemaal om. De band is een plezier om naar te kijken, niet in het minst door de wonderlijke klanken die ze in onder meer “Forget Me Not” uit instrumenten als de kora weten te halen.

Navarre zelf blijft er behoorlijk stoïcijns onder. Terwijl zijn bandleden filmpjes van elkaar maken, in een treintje over het podium huppelen of compleet loos gaan op hun instrument – met een onnavolgbare percussiesolo als uitschieter – staat hij bijna roerloos achter zijn draaitafel. Hij leidt, maar je ziet het haast niet, en toch is hij onmisbaar. De live dwarsfluit in “So Flute” verweeft hij vakkundig met de plaatversie, zodat ze elkaar versterken én uitdagen. Bisnummer is het onsterfelijke “Sure Thing”, met de zang- en gitaarsample van John Lee Hooker en zijn heerlijk lome beats minder opzwepend dan wat voorafging, maar hier wel de perfecte symbiose van St Germains gladdere, oude werk met zijn nieuwe liveband. Le dj was dit niet bepaald, noch een voor de hand liggende afsluiter, maar wel een onverwacht sterk concert.

Wie dat allemaal toch een tikje te zen vindt, kan nog terecht bij Collectif Z!, een medewerkersparty verhuld als afsluitende dj-set op de Scène Découvertes. De deal: de vrijwilligers draaien feestelijke plaatjes, en u mag daar nog één keer op dansen en ondertussen uw laatste bonnetjes erdoor jagen. Zij worden daar zichtbaar gelukkiger van, wie zijn wij dan om moeilijk te doen? Onze voeten kunnen nog wel een nummertje of twee verdragen, en de Silly Pils is nog àltijd niet op.

Met de tonen van Dub Inc op de achtergrond hobbelen we daarna een laatste keer richting Camping Infernal. Esperanzah! 2016 ligt achter ons, en laat een gespleten indruk na. Kun je zo opzichtig zulke verschillende publieken tegelijk blijven bedienen als Côté Cour en Côté Jardin probeerden? Het voelde soms gewrongen aan, maar tegelijk is de vraag stellen ze beantwoorden: Esperanzah! 2016 was met 35.500 bezoekers over de drie dagen een succes. Kiezen is dan verliezen, en dus is het aan het publiek te beslissen wat het wordt: camping festif of toch maar familial. Misschien moeten we volgende keer toch maar die laatste proberen. Wordt dat vroeg wakker zo’n kleine uk? En roept dat dan ook van “Wazzaa”?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − 15 =