Joachim Kühn :: 30 januari 2016, Handelsbeurs

Een concert dat al langer aangekruist stond in onze agenda. Hoewel Joachim Kühn niet meer de ronkende naam van weleer is (wat ook af te meten viel aan de eerder bescheiden opkomst), wordt hij door kenners nog altijd beschouwd als een van de groten van de Europese jazzpiano. En terecht: vijfenveertig jaar na zijn eerste soloconcert in Gent maakte hij opnieuw behoorlijk wat indruk.

Kühn, jongere broer van rietblazer Rolf, kreeg een klassieke opleiding (en dat hoor je er ook aan) maar koos vanaf begin jaren zestig voor de jazz. Hij was een van de eerste muzikanten die in Duitsland de freejazz omarmde en besloot na een buitenlands festival in 1966 om niet meer terug te keren naar het toenmalige Oost-Duitsland. Nee, in plaats daarvan trok hij van hier naar daar en belandde hij in Parijs, waar de scene volgelopen was met avontuurlijk ingestelde barricadebestormers uit Europa en Amerikanen die op zoek waren naar een iets minder vijandig klimaat. Het was een fase die van grote invloed zou blijken en voor Kühn een van zijn vele opvallende periodes was.

In de jaren zeventig zou hij zich immers sterker gaan toeleggen op de elektrische variant (fusion, jazzrock, of hoe je ’t ook wil noemen), wat te horen is op albums met o.m. Michael Brecker, Jan Akkerman en Philip Catherine, en die niet allemaal even goed de tand des tijds doorstaan hebben. Maar Kühn keerde terug naar zijn roots, de akoestische piano, speelde vijf jaar lang met Ornette Coleman en ging inspiratie opdoen bij andere muziekculturen in het Midden-Oosten en Afrika. Die vele insteken bleef hij combineren. Op Allegro Vivace (1995) combineerde hij Bach én Coltrane, later ging hij ook een verbond aan met Archie Shepp en een resem jonge Duitsers (Michael Wollny, Christian Lillinger, etc.). Een recent hoogtepunt was Moscow (2014), een duoplaat met de Russische saxofonist Alexey Kruglow, waarop Kühn zijn unieke stijl maximaal wist uit te buiten.

Dat Kühn nu in Gent stond was in grote mate te danken aan het concert dat programmator Wim Wabbes meemaakte tijdens het Jazzfestival van Ljubljana in 2014, waar ook De Beren Gieren van de partij waren en een album zouden opnemen dat uiteindelijk verscheen bij Clean Feed. Maar ook dit zou er eentje worden om hoog mee op te lopen, want vijf kwartier lang opende Kühn de poort tot zijn wereld, waarin knappe, melodische cellen, die soms weggeplukt lijken uit een popsong, naadloos vermengd worden met extensieve uitweidingen die aansluiten bij de klassieke traditie. Het ene moment lyrisch en fragiel, het andere weer hard dreunend, met een donderende, repetitieve linkerhand die de luisteraar meeneemt op een meeslepende trip.

Het zou een avond worden met oud en nieuw materiaal, andermans werk en eigen stukken die geplukt werden uit zijn nieuwe trioalbum, dat in maart verschijnt. De lat lag vanaf de meet alleszins erg hoog, want wat aanvankelijk een gezapige opwarmer leek te gaan worden, groeide stapvoets uit tot een bijzonder expressieve vertelling waarin een frivool dartelende rechterhand voortdurend in overleg ging met een nukkigere linkerhand. Doorleefde, intense muziek, waarop Kühn het hoofd driftig op een neer schudde. Een tweede stuk ging haast romantisch van start, en zou uiteindelijk belanden bij een finale die iets had van een slaapliedje, maar ook daartussen werd een brede zone verkend, met tuimelende notenvloed, uit elkaar gerukte melodieën en sterk ritmische commentaren.

Dan volgden twee weinig bekende stukken van Ornette Coleman, met wie Kühn een vruchtbare samenwerking had in de jaren negentig (wat een bescheiden klassieker in hun oeuvres opleverde: Colors: Live In Leipzig). “Beauty And Truth” was mooi, teder en compact, terwijl “Researching Has No Limits” heel wat speelser, of misschien bokkiger klonk. Die stukken, die eigenlijk mooi de speelzone van dat duo illustreerden, werden gevolgd door een greep uit het nog te verschijnen album, waarbij opviel dat Kühn de lijn volgde van de op Moscow gehanteerde stijl, en het leek alsof “Because Of Mouloud” erin verwerkt was. Het waren alleszins opvallende composities, met hooks die je bij de lurven grepen en bleven overtuigen met sterke melodieën en harmonieën en een onaflatende spanning.

Afsluiten gebeurde met Gil Evans’ “Blues For Pablo”, vooral bekend van Miles Davis’ Miles Ahead (1957), dat nog meer bekende vervolgen kreeg met Porgy & Bess en Sketches of Spain, waarop verder geëxperimenteerd werd met die combinatie van klassiek en jazz. Een gepaste keuze, dus. Een melodie van vijf noten — maar dat volstaat soms — gaf Kühn mee. En hij maakte er dan ook een duizelingwekkende trip van, met soms onwaarschijnlijk snelle loopjes met die rechterhand, die in een vingerknip ook konden oplossen om terug te keren naar de basis. Hetzelfde deed zich voor bij het bisnummer, een bevlogen versie van Ellingtons “Sophisticated Lady”: bij momenten een stortvloed aan noten, maar altijd met de eenvoudige kern binnen handbereik. Veel meer dan zomaar een flauw eerbetoon.

Eenenzeventig is hij intussen, maar de indruk die al gewekt werd door recente albums, werd vandaag enkel nog versterkt: Kühn is een behendig tussen stijlen en tradities slalommende virtuoos met een enorme bagage en een heel eigen stijl, waarmee hij nog altijd in staat is om vijf kwartier hoge toppen te scheren. Was die andere Europese pianomeester, Bobo Stenson, een tijdje geleden een beetje teleurstellend, dan overtrof Kühn moeiteloos de hoge verwachtingen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + 7 =