Geen Beck te gek :: Het enigmatisch wonderkind van ridicuul tot subliem

Het hoeft geen betoog dat Beck een ongrijpbaar wonderkind is, maar het was alweer even geleden dat hij dat ook nog eens bewees. Tot Morning Phase in het voorjaar de puntjes opnieuw op de i zette. Wat de jonge Californiër begin jaren negentig op de troon hief, hoe hij er even van tuimelde en uiteindelijk toch weer bovenop klom, vertellen we u graag nog eens.

Nog voor Mellow Gold, nochtans algemeen als zijn debuut gezien, had Beck al twee albums uitgebracht bij kleinere labels. Hoewel geen van beide een onmisbare aanvulling aan ‘s mans oeuvre is, kan vooral het belang van Stereopathetic Soulmanure niet onderbelicht blijven. Het album kwam twee weken voor ‘debuut’ Mellow Gold uit, toen “Loser'” volop Becks “Creep” aan het worden was. Met de verzameling matige tot slechte opnames leek Beck voor het eerst duidelijk te willen maken dat hij niet van plan was compromissen te sluiten. Het album knipoogt naar de experimentele herrie van Sonic Youth op zijn meest verward, en hint dan al op de enorme humor die Beck in zijn latere werk aan de dag zou leggen met songtitels als “Satan Gave Me A Taco” en “Jagermeister Pie”. Maar een goed album, nee, dat is Stereopathetic Soulmanure geenszins.

Nog buiten de mainstream zou Beck tussen Mellow Gold en Odelay het folkwereldje waaruit hij initieel kwam eren met One Foot In The Grave. Zijn derde op een onafhankelijk label is zonder twijfel zijn beste, en verklaart dan al het eclecticisme waarvoor hij tot vandaag bekend staat.

Kruimeldief

Maar flash forward naar Mellow Gold en Odelay. Anders dan het gerammel of gezalf op eerdere albums (One Foot In The Grave kwam dan wel kort na Mellow Gold uit, het was integraal ervoor opgenomen) wordt hier een schier onuitputtelijk kleurenpallet gebruikt. En hoewel “Loser'” uiteraard Becks grootste hit is, en Odelay algemeen beschouwd wordt als zijn magnum opus, had Beck hier nog niet de stem gevonden die hij later zo uitgebreid zou gaan exploreren. Zowel Mellow Gold, maar vooral het echt wel betere Odelay zijn knip- en plakwerk tot kunstvorm verheven. Dat wil meteen ook zeggen dat Odelay noch Becks OK Computer, noch zijn Kid A is. Hoewel “Loser'” hem tot Messias van de Rockwereld had gekatapulteerd, en hem het (ietwat infantiele – heeft hij vandaag nog) gezicht van Generation X had opgeleverd, heeft Beck op geen enkel moment de aversie die Radiohead jegens “Creep” voelde, gemanifesteerd – hij speelt “Loser'” live nog zo goed als altijd. Een tweede, belangrijke reden waarom de vergelijking mank loopt is net omdat Beck als kruimeldief nog geen eigen stem had gevonden, daar waar de jongens uit Oxford dat op dat moment wel al voor elkaar hadden. Tot zover de vergelijking.

Het maakt Odelay op geen enkel moment tot een minder album. Beck is de meester-falsaris die niemand zonder voorkennis ontmaskert, en tovert elk element waarvoor hij leentjebuur gaan spelen is om tot iets dat het origineel overstijgt. Beck was, anders dan een goed deel van de generatie die hem als mascotte gaan adopteren was, geen slacker, maar net een rusteloze muzikale maniak met een tomeloos enthousiasme over alle facetten van de muziekwereld. Of had u zijn achtergrond in kamerbrede arrangementen vermoed vóór Morning Phase?

Odelay is een meesterwerk net omdat het op geen moment aanvoelt als een kunstmatig geheel. Het is een warm lappendeken dat voortdendert op vette riffs, broeierige beats en soundscapes waar menig elektroartiest vandaag nog jaloers op is. “Devil’s Haircut” bevat een James Brownsample, “The New Pollution” doet wat met “Taxman” van The Beatles en vergeten meesterwerkje “Jack-Ass” is opgebouwd op een coverversie van Dylans “It’s All Over Now, Baby Blue”. Beck wist met zijn enthousiasme werkelijk geen blijf.

Ironie

Beck wist verdomd goed dat hij tussen One Foot In The Grave en Odelay een andere weg was ingeslagen, en weigerde dan ook om Mutations als opvolger van laatstgenoemde plaat te zien. Folk is terug prominent aanwezig, maar dan wel vermengd met bossa nova, psychedelica, country en blues. “Nobody’s Fault But My Own” voorschaduwt Sea Change al, en “We Live Again” is Pink Floyd met Sid Barrett aan het roer – eerlijk is eerlijk: matige Barrettfloyd, dat wel. Eclectisch, you bet, maar overweldigend als Odelay was Mutations op geen moment.

Ook opvolger Midnite Vultures zou niemand omverblazen, hoewel ook die plaat zeker zijn momenten had. De plaat is slapstick en billenkletsen tegelijk, een muzikale terugkeer naar Becks jeugdjaren, die hij op die manier ten volle hoopt te beleven, en bovenal een pastiche op dat alles. Het is een feestje, niet langer via samples verteld vanop de tribune maar uitgespuwd van binnenuit, om de eeuw uitgeleide te doen, maar bovenal is het, zoals dat bij Beck meestal het geval is, een ironische reflectie op al het bovenstaande. Het zou pas op Sea Change zijn dat Beck zichzelf helemaal zou blootgeven.

Sober

Met Nigel Godrich en Joey Waronker (huidige bandleden van Atoms For Peace en long time schrijfpartners van Radiohead – he, niet onze schuld dat Yorke en Beck als soulmates door het leven gaan) bij de hand en kort na zijn ondertussen beruchte intrede bij de Scientologykerk, had Beck liefdesverdriet, een etterende zweer die wel vaker tot creatieve hoogmissen leidt. Weg met het postmoderne ironiseren van heden en verleden, Sea Change is opvallend arm gearrangeerd en – een emotionele uitbarsting niet te na gesproken – erg sober. Het album is van begin tot eind, van de eenzame wals van “The Golden Age” over het breekbare en bonken van venten tot de tranen langs hun wangen gulpen brekende “Lost Cause”, tot het sinistere “Little One” subliem in zijn broosheid. Alle twaalf fantastisch, Sea Change moet als break-upalbum nauwelijks onder doen voor Blood On The Tracks en The Boatman’s Call.

Droog

Opvolger Guero was, net geen tien jaar geleden, voor even Becks laatste hoogtepunt. Het album had net zo goed Odelay revisited kunnen heten (zelfs The Dust Brothers zaten opnieuw mee aan het stuur), maar in plaats van lui achterom te kijken ent Beck zijn levenslust van toen op zijn leven van nu: Los Angeles. “E-Pro” is makkelijk meekweelbare rockrap, “Go It Alone” Jack White, maar dan op een album van Beck, en “Qué Onda Guero” presenteert zich als parlando tot stiel gepromoveerd.

Maar na Guero was de bron plotsklaps droog. Niet dat The Information of Modern Guilt hun momenten niet hadden, maar ‘t zijn niet “Think I’m In Love”, “Nausea” of “Chemtrails” waarmee we niet-fans tot het Beckisme zullen bekeren. Beck had zijn aandacht stilaan verlegd van muzikaal experimenteren naar stilistisch knip-en plakwerk, en had gaandeweg meer aandacht voor zijprojecten dan voor zijn eigen albums, met het trieste coveralbum Beck Song Reader als absoluut dieptepunt – wie het kan lezen, oordeelt nochtans dat de songs an sich er wel mogen staan.

Gelukkig komt Beck straks met het magistrale Morning Phase – een nieuwe stap in zijn experiment, waarin hij breed gedragen kamermuziek met een dubbel dozijn aan violen ondersteunt – naar Vorst. Het album ademt het limbo uit, waarin Beck, wellicht voor het eerst, even moet stilstaan om te zien welke richting uit te gaan. De teksten zijn opvallend vaag gehouden, en vaderlijke wijsheid heeft de jeugdige onbezonneheid verdreven. Definitief, of is ook dit maar een fase? Feit is dat Becks vier vorige doortochten in ons land drie maal magistraal waren (hij stond een keer met 40° koorts op het podium – dan vergeef je iemand al eens een minder toonvaste stem), en er geen reden is om aan te nemen dat ook Vorst niet overstag gaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + 18 =