BEST KEPT SECRET 2014 :: Het gloeien op de barbecue van onze ziel

Alsof het allemaal niets was, pakte Best Kept Secret vorig jaar om zijn debuut te vieren uit met Sigur Ròs en Portishead. “Zou nooit blijven duren”, dacht de concurrentie, maar die had verkeerd gegokt. Ook dit jaar pakt het festival in de Beekse Bergen uit met een line-up om u tegen te zeggen. En dus zond enola alweer zijn zonen uit. Zolang er Jupiler is, vallen die mannen immers altijd te detacheren, zo bleek maar weer.

Dag Eén

Strijken dus neer op de parking van dat safaripark: (mvs) en (mvm), beide gerodeerde rotten in het festivalwezen; trekken de bandjes van de rugzak nog wat aan, steken dat extra flesje rum nog wat dieper in die pullover om de security te verschalken, en trekken hun ernstigste gezicht wanneer ze eindelijk het terrein betreden. Hé, dit mag dan onze job niet zijn, als we lekker hard doen alsof, lijkt het minstens een beetje zo.

Krijgen we zo als eerste op ons bord: Cosmonauts, een bandje uit Orange County, Californië, en bij deze nog geen beetje schatplichtig aan Dandy Warhols. We horen aanstekelijke psychedelische jams, en het is allemaal nog wel meeslepend als je er mentaal een gi-gan-tische toeter bij denkt, maar die hebben wij — we zijn ondertussen langzamerhand immers volwassen, weet u — helaas niet voorhanden. Na drie nummers is het dan ook goed geweest, en met gezonde interesse voor het culinaire aanbod sjokken we richting podium Two.

Want wat we daar hebben, is Circa Waves waarover (lt) — meegereisd in het kielzog en de valies van (mvs) — juicht “hoera! woehoew! joepie!”. Dit is immers rammelrock van de gezelligste soort, gespeeld door frisse jongemannen die duidelijk al eens een plaatje van The Libertines gekocht hebben bovendien. Op Eurosonic eerder dit jaar maakten ze weinig indruk, maar in het anderhalve nummer dat we nog meepikten, ging het deze keer lekker vooruit, al doen ze nog steeds weinig nieuws met het geluid van hun grote voorbeelden. Dit soort bandjes gaat er sowieso wel in als zoete koek op Best Kept Secret; bij het gelijkaardige rommeltje Tijuana Panthers een paar uur later aanschouwen we zelfs voor het eerst de hipsterpogo (springen-botsen-haar goed leggen-repeat). Snel onder de indruk van wat simpele rock-‘n-roll, die Hollanders.

Podium Three dan, waar David Cameron, of neen toch Peter Matthew Bauer, het podium opgestommeld komt. U kent hem misschien van het ter ziele gegane Walkmen (“extreme hiatus”, heet dat dan), vandaag doet hij het onder eigen naam en met pas afgewerkte soloplaat Liberation! in de achterzak. Bauer lijkt al stevig in de wijn te zijn gevlogen, en in het begin hindert hem dat nogal, al zal hij de fles tijdens de set nog geregeld aan de lippen zetten. Hij zweet zich te pletter terwijl zijn Springsteenachtige, klassieke rock wat sputtert en hapert, maar halverwege lijkt hij zijn draai gevonden te hebben, en tekent de man voor het eerste hoogtepunt van vandaag. Ouwelullenrock, ja, maar wel verdomd schoon.

Midlake doet het tegenwoordig zonder frontman Tim Smith, maar slaagt daar niet helemaal in. De — alweer — Californische rock van het gezelschap kabbelt dan wel aangenaam in de ondergaande zon, het duurt tot afsluiter “Head Home” voor het houtskooltje eindelijk wat gaat gloeien en de barbecue van onze ziel oplicht. Het is net iets te weinig om ons nog mild te stemmen, en dus vrezen we toch dat Midlake aan bezinning toe is.

In de Two-tent staat ondertussen Breton, en dat heeft zich duidelijk iets voorgenomen. Na twee platen waarop hiphop en indie op hoogst ingenieuze, maar nooit helemaal tevreden stemmende wijze, werden verbonden, besloot de groep om dan maar op power te spelen. Gek resultaat: dat blijkt te werken. Terwijl zanger/gitarist Roman Rappak zich ontpopt tot een echte frontman, beukt de groep nummers als “Envy” en “Edward The Confessor” uit de instrumenten alsof het allemaal niet zo subtiel is als het ooit was bedoeld. Het zal voor hen wel aanvoelen als een compromis, en het resultaat klinkt dan ook als Bastille-met-capsones; het is wat ons betreft een stuk boeiender dan Breton-op-plaat, dus u hoort ons niet klagen. Met een paar tientallen slagen om de arm: laat Breton eens met de wetenschap die deze optredens opleverden een plaat opnemen, en we spitsen onze oren. Het kan maar meevallen, weet u.

James Blake gedijt niet om acht uur ‘s avonds op een heerlijke zomeravond op een strand. Blake heeft een donkere, zweterige kelder nodig, of een muisstille concertzaal waar koppels innig verstrengeld wegdromen en zich af en toe uit elkaar laten dreunen door zijn subbassen. Goed? Mjaahaa, het is een topmuzikant die ook live tot de boeiendste elektronica-artiesten behoort. Al is boeiend misschien een groot woord. Blake doet altijd ongeveer hetzelfde: loopt als de besten, is gezegend met een prachtstem en weet zijn prachtige luisterelektronica regelmatig te doen ontploffen tot een half dance anthem. Dat doet hij perfect met “Retrograde” en “Voyeur”. En ook het tegendraadse “CMYK” (gewaagde setopener) swingt als de beesten, maar doet dat in intervallen van halve minuten. Verder zijn “Limit To Your Love”, “Lindisfarne I & II” en afsluiter “The Wilhelm Scream” mooi als vanouds, maar hebben we die ondertussen al iets te vaak gehoord. In zweteriger tenten, zalen en kelders en ook in de huiskamer, om precies te zijn. Goed dus, maar intussen, ook al meer dan een jaar na Overgrown, niet echt meer verrassend.

En wat staat daar stevig te meuren op Stage Two? Jazeker, overjaarse indiesnoepjes Interpol, die een jaar of tien geleden één memorabel en twee best passabele albums maakten, en toen de weg kwijt raakten. In tussentijd moeten ze stevig van de trap gevallen zijn en overhaast voor een nieuwe tour en vijfde album – de penthouse moet afbetaald, mijnheer – weer slordig aan elkaar geplakt zijn.

We willen maar zeggen: Interpol klinkt vandaag behoorlijk kapot. Dat kan aan een matige mix liggen, want tussen de songs door zoemen de boxen harder dan een niet al te best gezind wespennest, maar toch: frontman Paul Banks is allerminst bij stem en ook drummer Samuel Fogarino lijkt maar wat te doen, en versnelt en vertraagt het ritme naar believen, zonder dat de band daar echt op voorzien is. Zo wordt “Say Hello to The Angels” te snel gespeeld, start “Evil” te traag en maakt het halfweg een vreemd wippertje. Al blijven het (net zoals het op wat overdreven gejuich onthaald “C’Mere”) topsongs, die door de aardig kaduke prestatie van de band heen schemeren. Dat we jaren lang met Turn On The Bright Lights gelééfd hebben, helpt natuurlijk wel. Maar als ze het bloedmooie “Hands Away” de vernieling in spelen — ruk geluid, drummer die in een andere maat speelt dan de rest, subtiele gitaarlicks die verzuipen –, houden we het echter voor bekeken. Zullen we wel gewoon dat machtige debuut blijven koesteren, en Interpol verder wat vergeten. Hadden we ons al veel eerder voorgenomen en zouden we nu toch écht wel eens moeten doen; dit komt niet meer goed.

En we twijfelen verder. Alsof het helemaal niet meer dan twintig jaar geleden is dat ze de rockwereld van een gezonde dosis krankzinnigheid voorzagen, touren Pixies opnieuw de wereld rond, en dat doen ze zelfs met een nog niet eens zo slecht nieuw album. Moest dat per se? Drie weken geleden was het antwoord op Primavera Sound nog “Waarom niet?”, maar vandaag zijn we iets minder positief. Frank Black en de zijnen — incluis nieuwe bassiste Paz Lenchantin — mogen dan vanaf opener “Bone Machine” een gezellige greep in hun uitgebreide catalogus klassiekers doen, echt impact heeft dat niet. Daarvoor is de groep zelf iets te afstandelijk zoals gewoonlijk, en raakt ook het publiek niet meegesleept in de gekte van pakweg “Nimrod’s Son”. Het is wachten op niet kapot te krijgen wereldnummers als “Here Comes Your Man” en “Debaser” vooraleer het concert echt ontploft. En dan is het natuurlijk al bijna gedaan, met alleen nog fijn armwuifmoment “Where Is My Mind?” en een explosief “Rock Music” als kers op de taart. Hebben we Pixies anno 2014 dus nog nodig? Ja natuurlijk, maar graag iéts snediger dan ze op Best Kept Secret stonden. Revanche op Werchter straks, Frank?


Dag Twee

Dag twee op editie twee van Best Kept Secret en de! Zon! Schijnt! Bovendien staan er vandaag wel erg veel niet te missen namen op de affiche en hebben uw dienaren er dankzij een goede nachtrust, een behulpzame geriater en koude pintjes wel erg veel zin in vandaag. Dat is buiten de file gerekend waardoor (mvm) een klein uur te laat op het strand (geen weide, strand! In Noord-fokking-Brabant!) arriveert. En zelfs dát kan de pret niet drukken.

Maar dus wel en helaas veel te laat aangekomen bij Nils Frahm, die er al de helft van zijn set heeft doorgejaagd. Het publiek in de Two tent eet echter al uit zijn hand. Frahm doet het met een vleugel, enkele synths, effectenpedalen en slim afgestelde loop stations waarmee hij ter plekke de meeste gekke canons en contrapunten fabriceert. Waar Steve Reich en Philip Glass jaren geleden nog een plat gerepeteerde troep muzikanten met feilloos gevoel voor ritme nodig hadden, doet Frahm nu zijn voordeel met technologie en zijn eigen virtuositeit om betoverende minimalistische klanktapijten te creëren.

Op plaat kan dat soms net iets te dicht aanleunen tegen kunstmuziek waarvoor je moet gestudeerd hebben, live doet hij het zo moeiteloos en swingend, dat hij duizend man festivalpubliek vroeg op de dag minutenlang laat applaudisseren. Fe-no-me-naal. Ga dat zien als hij in uw buurt speelt of doe in afwachting daarvan uw voordeel met de schitterende liveplaat Spaces. U zal dan ook ineens begrijpen waarom er geen songtitels in deze review staan: Frahm improviseert minutenlange trips bij elkaar, weliswaar vaagweg gerelateerd aan twee of drie albumcomposities, maar telkens weer helemaal uniek. Geweldig, maar dat wist u intussen al.

Het wordt er niet slechter op. Mogwai brengt ondertussen dan wel al jarenlang volgens een gestaag tempo nieuwe albums uit, telkens gevolgd door “zo fris als op hun debuut zal Mogwai wel nooit meer klinken, maar dit album laat in tegenstelling tot het vorige toch weer een fris geluid horen, dat Mogwai weer wat zuurstof zal geven”-recensies en concerten waar we met zijn allen toch stiekem vooral op de klassiekers staan te wachten, het hoeft daarom niet tegen te vallen. Vandaag stelen de nieuwtjes “Heard About You Last Night”, “Deesh” en vooral “Remurdered” een beetje onverwacht de show, samen met de verwachte “Hunted By A Freak” en “Mogwai Fear Satan”. Het eerste is groots en meeslepend als vanouds, maar werkt net iets beter in het pikdonker, laat op de avond als allerlei roesmiddelen hun werk doen en de melancholie van het einde van het festival wenkt.

Lachen is het dan weer tijdens “Mogwai Fear Satan” dat meesterlijk de extremen van oorverdovend luid en nauwelijks hoorbaar stil opzoekt. De band speelde het middenstuk zo zacht dat de muziek nauwelijks nog hoorbaar was doorheen het geroezemoes in de tent en iemand zelfs “Luider!” roept. Als de band enkele seconden later gewelddadiger dan ooit uithaalt, zien we iemand zelfs een halve meter de lucht in springen. Dat vinden wij — blasé ouwe lullen met al wat Mogwaiconcerten op de radar die we zijn — best geestig. Toch: best bijzonder, Mogwai zo vroeg in de namiddag. Indrukwekkend als steeds, maar speciaal. En dan misschien die nieuwe plaat nog eens aandachtig beluisteren, want die elektronische toetsen werkten live alvast erg goed in de nieuwe songs en vanaf nu willen we naast “…Fear Satan” ook elk concert “Remurdered” horen als het even kan.

Gisteren nog op het Camden Crawl Festival in Londen, vandaag in Hilvarenbeek: met de diepe openingsbastonen van “Tusks” neemt School Is Cool stormenderhand het hoofdpodium in, maar lang blijft die hoerastemming niet duren. De trip over het kanaal zit de heren en dames duidelijk nog in het lijf, en ook de zon, die net besloten heeft even ongenadig te branden, doet geen deugd. Halverwege de set duikt frontman Johannes Genard zelfs even de frontstage in om van het publiek wat zonnecrème los te weken, en de gulle gever dan maar meteen ook het podium op te trekken. Waar een doortastende securityman hem meteen weer van leidt wanneer de groep het volgende nummer inzet.

Het is tekenend: de groep wil vandaag wel heel graag, maar in praktijk blijkt het vooral ploeteren. Slaat een zinderend “Warpaint” nog wel aan, dan moet School Is Cool het in het geweldige “Your Body And Me” doen met een wanstaltige geluidsmix die het nummer volkomen naar de knoppen helpt. Zonde, maar ach, een drama is dit optreden nu ook weer niet. “The Soothing Sound Of Breaking Bones” en “Blue Jeans” zijn hobbelende punknummers die doen wat ze moeten, en wanneer “The World Is Gonna End Tonight” de werkzaamheden afsluit, bemerk je dat je “New Kids In Town” zelfs niet hebt gemist. Komt allemaal wel goed tegen Cactus Festival dus, wanneer de groep België nog een keer zal inprenten wat voor geweldige plaat dat nieuwe Nature Fear wel is.

Nu Best Kept Secret er een extra podium bij gekregen heeft, is er in de Three en de Five heel wat ruimte gecreëerd voor jonge, verse bandjes. Dat zorgt vandaag voor een namiddaglijke ontdekkingstocht, die met Lyla Foy (“dromerig” volgens de bio, slaapverwekkend én vals in het echt) en Honeyblood (euh, twee meisjes, verder alweer vergeten) jammerlijk traag op gang komt. Gelukkig is daar Woman’s Hour, dat ook voor sfeervolle zweverigheid kiest, maar zichzelf — en ons — wakker houdt met een goeie dosis synths. Alles draait om de wondermooie Fiona Burgess, volledig in het zwart en getooid met een SM-achtige blaadjeskroon. Haar handbewegingen doen aan Channy Leaneagh van Poliça denken, haar stem is ijl maar meeslepend, en het kost haar maar een glimlachje om ieders hart te veroveren. “You might recognize this one”, zegt ze, en wat volgt is de traagste, allermooiste cover van “Dancing In The Dark” die we ooit hoorden. De toetsenist mimickt een bonkend hart, op de eerste rij waagt een koppel zich aan een dansje: natuurlijk is dat verschrikkelijk melig, maar met dank aan deze band kan zelfs de notoir onromantische (lt) haar kippenvel niet verbergen.

Krijgen we vervolgens: Slowdive dat een concert lang demonstreert waarom zij en andere en minder vergeten bands uit de jaren ’90 “shoegazers” genoemd werden: twee gitaristen staan haast constant naar hun gitaarhals en/of effectenpedalen te kijken om zeker te zijn dat ze de juiste nuance in hun deel van de dromerige gitaarwolk leggen. Mét resultaat, want dit is een betoverend concert. Jaren geleden stopte Slowdive er na een onterecht matig onthaald derde album (het geweldige, maar weerbarstige Pygmalion waar Sigur Ros heel wat mosterd haalde) mee. Intussen staan ze er gelukkig, en hopelijk niet alleen voor wat concerten, weer helemaal. Hun muziek zweeft ergens tussen Mogwai, The Cure (die van Disintegration) en Boards of Canada in: recht op de sweet spot van (mvm) dus. Het concert gaat in een waas voorbij, “Catch The Breeze”, “Machine Gun” en “Souvlaki” worden onthaald als oude vrienden en “Golden Hair” eindigt met een gitaarstorm waar “Popplagid” en “Mogwai Fear Satan” beleefd hun hoed voor afnemen. ‘Beter dan Mogwai. Nog beter!’ Stamelt een glazig kijkende (mvm), ‘Bwoh ja, niet slecht’, mompelt (mvs) op weg naar het hoofdpodium, waar Babyshambles hun best gaan doen.

PETE DOHERTY STAAT ER BEST LUCIDE BIJ, ZO EEN HEEL “DELIVERY” LANG. MAAR DE GELUIDSMAN HEEFT ER PRECIES GEEN ZIN IN, ZO ABSURD LUID STAAT ALLES. ZELFS MET OORDOPPEN IN AAN DE PA, DOEN SOMMIGE UITHALEN NOG PIJN. VREEMD GENOEG IS HET DRAAGLIJKER ZONDER DAN MET OORDOPPEN OMDAT JE DAN NIET HOORT HOE FOKKING VALS DE BAND EIGENLIJK STAAT TE SPELEN. DE GELUIDSMAN VINDT HET ALLEMAAL BEST, DRAAIT NOG WAT KNOPJES VERDER IN HET ROOD EN GIET NOG EEN BLIK GUINNESS BINNEN. DOHERTY ONTDEKT INTUSSEN IETS DAT NOG IRRITANTER IS DAN MORRISEY EN ZIJN PODIUMTICS: PETE DOHERTY MET DE PODIUMTICS VAN MORRISSEY. JAHAA! HIJ LALT OOK NOG WAT VAN ZIJN (OP ZICH MEER DAN AARDIGE) SONGS DE VERNIELING IN EN VERKRACHT IN EEN MOEITE DOOR OOK NOG “BLITZKRIEG BOP”, WANT HEY: DA’S PUNK! LIEVE PETE DOHERTY, SOMMIGE VAN UW SONGS WORDEN ZEER GEKOESTERD TEN HUIZE (mvm) MAAR FUCK ALSTUBLIEF EEN BEETJE OFF IN PLAATS VAN FOREVER EN NEEM DIE LIBERTINES-REUNIE OOK MAAR MEE ALS HET ZO MOET. Of leer weer goed genoeg te spelen zodat je geen debiele geluidsmix nodig hebt om je (Rock ‘n’ roll! Punk! Mijn gat!) lamentabele performance te maskeren. VERDER ALLES TOPPIE OP BEST KEPT SECRET! HEUS!

Die geluidsman van Babyshambles moet toch iets kapot gekregen hebben, want The War on The Drugs vecht twee songs (en dat is toch al gauw een kwartier) lang ook tegen een al te schel en hard geluid. De geluidsman gaat halfweg “An Ocean Between The Waves” even voor zijn desk luisteren en kruipt er met opgetrokken neus weer achter. Veel knopjesgedraai, haargekrab en gefrons later, krijgen het machtige “Red Eyes” en “Under The Pressure” gelukkig wel een perfecte mix mee. Nog steeds te luid, maar de vele nuances in de prachtig meanderende songs van Adam Granduciel komen eindelijk tot hun recht. Met dank ook aan de subtieler sax- en synthtoetsen.

Het is het werk van op Lost In The Dream dat de set domineert, maar “Baby Missiles” en “I Was There” houden zich goed recht tussen het onvolprezen nieuwe werk. Ergens tussen Bob Dylan, The Band, Bruce Springsteen, Unforgettable Fire-U2 en Fleetwood Mac in, zorgt dit War on Drugs voor lichtjes wazige rock die mooi balanceert tussen euforie en melancholie. Op het Best Kept Secret-strand komt het allemaal perfect aan en staat het publiek tot helemaal achteraan te dansen. Als Granduciel “Lost In The Dream” als laatste song aankondigt, is de teleurstelling bij het publiek voelbaar. Jammer van het geluid, maar dit concert had veel langer mogen duren, zeker in deze setting.

Maar zo gaat dat niet op een festival. Daar houdt men een strakke timing aan, en kijk eens aan: Chvrches heeft er vandaag zin in, en dat mag wel voor een flink volgelopen tent. Dat het geluid vooraan alweer net iets te hard en indringend staat, is dan wel wat vervelend, dat het zo stevig klinkt helpt het trio wel; zo kunnen aanstekelijke popsongs als “Lies” en “Gun” ten volle de hoofdrol spelen, die zangeres Lauren Mayberry nog steeds weigert te nemen. Verscholen tussen haar twee muzikale kompanen gaat ze op in de achtergrond, en zoekt ze slechts zelden het voorplan op. Er valt bij Chvrches dus nog steeds geen bal te zien, maar dat is niet eens nodig; met dit soort popsongs kom je zo al ver genoeg, zo bewijst overrompelende afsluiter “The Mother We Share” die nog lang in de oren zou zijn blijven hangen mocht Franz Ferdinand niet net het hoofdpodium aan het kapotspelen zijn.

Want: Wat. Een. Band. Met de wetenschap dat het even flauw is geweest de laatste vijf jaar, bestormt het Schotse viertal de planken alsof ze wijlen hun naamgenoot even willen leren wat écht veroveren betekent. Alsof het flauwe Tonight: Franz Ferdinand er nooit is geweest, sluit de groep met “Right Thoughts, Right Words, Right Action” van op de gelijknamige nieuwe plaat, naadloos aan bij de opwinding van de begindagen, en dat wordt nog eens extra gestaafd door er meteen ook nog “Matinee” aan vast te knopen,van toen de groep nog een kwartetje nieuwkomers was dat alleen maar kon dromen van een passage bij radiopresentator Terry Wogan.

De toon is dan gezet en wordt een uur en een kwartier lang virtuoos aangehouden: in strak marstempo volgt de ene hitsingle op het andere topnummer. “Evil Eye” doet een wei collectief “It’s red, you bastard” brullen als antwoord op de vraag “What’s the colour of the next car?”, in “Do You Want To” ontploft het “tu-tu-dududu”-refrein en op “Take Me Out” wordt van puur enthousiasme het strand van frontstage tot merchandisingstand achteraan tot loopgraven omgeploegd. Frontman Alex Kapranos ziet breed grijnzend dat het goed is, beklimt de versterkersmuur om in machtig silhouet “Goodbye Lovers & Friends” in te zetten, maar verdwijnt niet. Het is uiteindelijk een nog explosiever “This Fire” dat een punt moet zetten achter een feestje dat nog lang net voorbij mocht zijn. “We’re gonna burn this city” zindert het nog lang na over het festival, maar alles blijft gelukkig rechtstaan.

Gelukkig want Pional weeft nog een dansende coda aan deze “midzomernachtsdroom van een festival” (aldus Kapranos daarnet). De diepe housebeats van de Spaanse producer komen aardig aan in een nog flink gevulde Two-tent, en dansend verdwijnen we de nacht in, onze eigen midzomernachtsdroom tegemoet. Best Kept Secret, we zien u doodgraag; kom hier voor een knuffel.

Dag Drie

Dat heb je dan ook weer met die kortste nacht: staat de zon al erg vroeg en verdomd gemeen op de tent te branden. Om 10 uur ‘s ochtends wakker worden: een onchristelijk uur op een festival, zelfs met de triomf van Franz Ferdinand nog in de oren. Voordeel: (lt) en (mvs) zijn er vanmiddag vroeg bij om Best Kept Secret Dag Drie in te huldigen.

En dat gebeurt met een dubbel muzikaal ontbijt. Eerst de luizige, Californisch aandoende rock van het Londense Childhood, door Sonic Boom van Spacemen 3 ooit geprezen als “het soort ding dat je maar één keer tegenkomt tijdens een zomer van zalvende blauwe manen”. Geen idee welke drugs hij nu weer had genomen om muziek te maken om drugs op te nemen, maar ze waren verdomd goed, want wij horen een bandje dat aangenaam kabbelende muziekjes maakt, maar het concept “hook” en het begrip “refrein” nog moet ontdekken. Werkt ongetwijfeld beter met een portie geestesverruimende middelen, maar daar is het nu echt nog te vroeg voor.

Horen wij vervolgens al van ver krijsen in de Three-tent: Isabella Manfredi van The Preatures. Als een kruising tussen Tina Turner en Joan Jett leidt het Australische kindvrouwtje haar band door het soort soulvolle rock dat het ongetwijfeld goed doet in menig groezelige bar in de outback. De strakheid en overtuiging waarmee het vijftal staat te spelen doet overigens vermoeden dat ze zich jarenlang goed hebben kunnen warmdraaien in dat circuit voor er van de verovering van Europa sprake was. Er is nog een lange weg te gaan, maar met opwindende songs die tegelijk aan The Boss, Ike & Tina en die Joan Jett doen denken, kan het er nog wel eens van komen. En die handstand op het podium was ook niet mis. Tofkens!

Je moet al erg slechtziend zijn om niet te weten wie zo dadelijk het hoofdpodium zal innemen. George Ezra heeft immers een backdrop mee die in koeien van letters zijn naam spelt, maar zelfs dan zal het voor sommige meisjes duren tot het hitjestijd is — “Aaaah, is dat die van Bùdapest?” — voor ze beseffen naar wie ze al een halfuur staan te kijken. Misschien ook wel een beetje zijn eigen schuld: allemaal erg onschadelijk, lieve popliedjes als “Cassy O'” en “Listen To The Man” onder de hete zon, maar Ezra en zijn band staan zó laidback te spelen (een gitarist op slippers, en een zanger die alvast aankondigt dat hij straks nog wel een zwemmeke gaat doen, van die dingen), dat zo’n vrolijk meezingmoment nodig is om iedereen uit zijn aangename namiddagcoma te halen. Dat lukt sowieso beter als Ezra er alleen voor staat, met niet meer dan die doorleefde oudemannenstem uit dat jongenslijf.

Dat dit jonkie gelukkig ook wel meer is dan een charmant snoetje, mag het magistrale “Did You Hear The Rain” bewijzen: de akoestische intro alleen al, met Ezra die zijn meest bluesy howl bovenhaalt, slaagt erin een strand vol Hollanders stil te krijgen, en dan moet het gegrom van de rest van het nummer nog komen. (mvs) durft zelfs de woorden “Chris Cornell” in de mond te nemen — hij ziet dat als een compliment –, wij denken vooral dat dit waarschijnlijk het enige nummer is dat Ezra níet schreef om de meisjes te plezieren. Grondig mislukt, in ons geval. En dat we Ezra dit wel eens in duet met Soundgarden willen zien brengen.

Volgt: een lachbui van (mvs), een vloek van (lt). Een sitar. Een fucking sitar. Na een nummer of drie neemt frontman Rishi Dhir van Elephant Stonedroogweg in kleermakerszit plaats om het meest psychedelische alle instrumenten vast te grijpen. En het stoort niet eens. Met een groepsnaam die verwijst naar een nummer van Stone Roses kon je het al verwachten, maar meer dan in oeverloos gepiel grossiert de Canadese groep in aardige popsongs die eerder aan de Britpop-era doen denken, dan aan naar patchouli geurende jongenskamers uit de jaren zestig. Al blijft die pret niet duren. Gaandeweg krijgen we al eens een sitarsolo te veel, en rekt de groep een nummer veel en veel te lang. De cynicus in ons krijgt al heimwee naar Kula Shaker, maar we onderdrukken hem met veel liefde om dat blik “voordeel van de twijfel” open te trekken. We beloven dat we eens een plaat van dit groepje zullen opzetten; op een ontdekkingsmoment als dit is dat al heel wat.

Op het hoofdpodium mag The 1975 haar vreemde mix van emopunk en eighties kitsch brengen. Dat gebeurt met enige bombarie en een galmkast die overuren draait. Dat is een half concert draaglijk en één nummer best leuk. Dat ene nummer — het geinige singletje “Chocolate” — zit helaas helemaal achterin de set, dus tegen dan hebben we de echt wel ge-wel-di-ge omgeving uitgebreid in ons kunnen opnemen, een Belgische vlag op de wang geschminkt, nagedacht over welke eetstand we vandaag gaan proberen en ons minstens vijfmaal afgevraagd of dat nu dan toch de single was. Niet dus, want hoe leuk dat gitaartje ook galmt en de huilerige emozang contrasteert met de vrolijk huppelende beats: als elke song zo klinkt, moet je toch even wat meer je best doen om met album twee iets te gaan betekenen. Maarre: weertje!

Zowat alle Belgen zijn ondertussen naar de camping getrokken om eindelijk te mogen doen waar ze al een heel weekend — met driekleur op de wangen — op wachten, maar bij enola zijn er een paar volhouders. Om naar broer en zus Angus and Julia Stone te gaan kijken, bijvoorbeeld. De folkies lijken niet gekomen om gemakkelijk te pleasen, want zowat al het bekendere werk blijft in de kast. “Big Jet Plane” zit wel in de set, en toont nog maar eens aan dat die beats in de remix nergens voor nodig waren, en ook oudjes “Private Lawns” (inclusief trompetje) en “And The Boys” (waarin de lieflijk kapotte stem van Julia een glansrol krijgt) mogen op véél en terecht applaus rekenen. Verder wordt hier echter een berg nieuwe nummers gespeeld, overigens vaker wél dan niet elektrisch, waarbij het wel gezellig strandhangen is — zeiden we al dat het wárm is vandaag? — maar een memorabel concert levert het deze keer jammer genoeg niet op.

The Notwist mag dan een rits vrij geweldige studioalbums geproduceerd hebben, hun livereputatie is behoorlijk knudde. Dat hun songs het nogal eens moeten hebben van de subtiel krakende klankjes en knap op elkaar gestapelde details en melodietjes, maakt het natuurlijk al wat moeilijker live. Dat Markus Acher zonder hulp van de computer valser zingt dan wij na een sloot gin op een karaoke, doet er ook al geen deugd aan. Dus: The Notwist was veel op Best Kept Secret, maar allerminst subtiel en evenmin toonvast. Dit gezegd zijnde, speelt de band een best te genieten concert dat nieuw, stevig rockend materiaal afwisselt met flink verbouwd oud werk. Dat wordt dan weer gelardeerd met noise- en jazzuitspattingen en bij wijlen wel erg snerpende computergeluiden van Martin Gretschmann en is zo stukken beter dan gevreesd, al had de nadruk iets minder op het nieuwe Close To the Glass gemogen, en was klassieker “Chemicals” best welkom geweest. (mvm) wandelt echter tevreden weg, al breekt ie zich het hoofd hoe immens toonloos de zanger van zo’n ontzettend muzikale band kan zingen.<\p>

Geen idee waar het gebeurd is, maar ergens in de schaduwen van de laatste vier jaar is Belle & Sebastian zelfs zonder een nieuw album een headlinerspotwaardige band geworden. Vorig jaar zou de groep dat op Best Kept Secret ook geworden zijn, maar toen annuleerde het sextet zijn volledige tour en nu moet het Elbow boven zich tolereren. Er valt dus wel iets goed te maken wanneer Stuart Murdoch “Judy Is A Dick Slap” inzet, maar als dit concert één ding bewijst dan wel dat het goed is dat de groep met deze setlist geen festival kan plat spelen.

Eigenzinnig kiest Belle & Sebastian immers voor een collectie songs die niet bepaald tot de livefavorieten horen, laat staan dat ze in het collectieve geheugen zitten zoals die van Franz Ferdinand gisteren. Slechts één keer wordt er met “Like Dylan In The Movies” uit de iconische vroege platen geput, liever kiezen de Schotten voor minder opwindend werk als een oeverloos dreinend “The Loneliness Of A Middle Distance Runner” en een middelmatig “Another Sunny Day”. Op die manier voelt dit optreden een beetje aan als de match van de Rode Duivels daarnet: het sjokt en het slentert, en je voelt dat de stomende verliefdheid op de band van weleer al lang is verwasemd tot hoogstens een warme genegenheid. En zoals altijd in dat soort omstandigheden hangt de vraag “is dat voldoende?” ongemakkelijk in de lucht.

Want ook “Piazza, New York Catcher” huppelt niet zoals het moet, en het duurt tot “I Didn’t See It Coming”, gezongen door Sara Martin, dat er iets gaat gloeien. Het verdict is dan echter al lang gevallen: Belle & Sebastian zijn té lief en té braaf om hier echt aan te slaan, en zelfs Murdoch houdt zich in. Waar we hem vorig jaar op End Of The Road Festival nog als een rasechte frontman tekeer zagen gaan, blijft hij vandaag even bleekjes als de rest van de muzikanten. Een gemiste kans, want met de juiste setlist had dit een spetterend optreden kunnen worden,

Nog een pak eigenzinniger: Lykke Li, die middels haar recente plaat I Never Learneen knoert van een breuk uit te zweten heeft, en daar op het podium van de Two-tent lustig mee voortdoet. Ook de songs van haar vorige platen worden dus in het keurslijf van dit optreden gedwongen en dus omgevormd tot een klaaglijke ballad of iets daaromtrent, waarbij ze ook dankbaar steunt op de tweede stem van haar toetseniste om vocaal iets meer body te krijgen. Het werkt voor een half optreden, zeker als het songs als “No Rest For The Wicked” of “Just Like A Dream” betreft. Op die momenten is dit concert van een bloedmooie schoonheid, maar gaandeweg gaat die eenvormigheid vervelen.

Niettemin fascineert de schone Zweedse mateloos. Ze beweegt vreemd als Cat Power, zij het zonder allesverterende plankenkoorts, maar je vraagt je ook voortdurend af “speelt ze of is ze echt?”. Het is een vraag waarop het antwoord in de lucht blijft hangen, maar wat wel duidelijk is, is dat ze weet waarmee ze bezig is; hier is grondig over nagedacht. Al is het dus op dit moment een beetje een al te stapvoets concert, dat niettemin fantastisch uitgelicht wordt. Zoals op Pukkelpop enkele jaren terug is het visuele aspect weer tot in de puntjes uitgewerkt.

Het zal uiteindelijk pas in de laatste twintig minuten zijn dat de voet op het gaspedaal mag en dat “I Follow Rivers” tot grote collectieve tevredenheid wordt gespeeld. “Get Some” wordt zelfs even voorafgegaan door een flard “Send It Up” van Kanye West. Het slaat nergens op, behalve om ons te doen opzoeken dat ze wel degelijk met zijne groot gemuildheid heeft samengewerkt. Voor een nummer van Gifted dan wel. Het is genoteerd, lieverd, net als de opmerking dat de vorm vandaag beter was dan de set. Ooit gaat Lykke Li echter verbluffen; daar zijn we zeker van.

“This all very beautiful indeed. You know: this our job. Amazing, isn’t it?”, zegt Guy Garvey nadat zijn band Elbow net een magische versie van “The Bones of You” heeft gespeeld. Inderdaad, het is allemaal behoorlijk mooi en prachtig om Elbow in deze setting te horen. Het is ook fijn om te merken dat de band helemaal het evenwicht heeft gevonden tussen hun nieuwe status als stadionact/headliner en gewoon helemaal zichzelf blijven. De rand van de Beekse Bergen en de ondergaande zon: het is het perfecte decor voor Elbow. Wanneer ze het mooie, nieuwe “Real Life” en een massaal meegezongen “Lippy Kids” spelen, lijkt het publiek elk moment te kunnen gaan zweven van genot en ontroering.

Dat Garvey nog steeds de meest sympathieke en leukste frontman ter wereld is (“Everyone still allright? Not getting chilly?” “Hands please. Freestyle this time. Oh, that’s very inventive, sir”), maakt het grote podium nog net wat intiemer. We zouden bijna het woord huiskamer in de mond nemen, ware het niet dat zelfs Alexander De Croo dit wat groot wonen zou vinden.

Elbow ontroert overigens niet alleen, maar kan ook stevig uithalen, getuige het pittige, dik elektronisch aangezette “The Birds” en het als steeds noest rockende “Grounds For Divorce”. De band speelt overigens slechts tien songs, alleen van hun laatste drie albums. Dat is dan ook meteen het enige puntje van kritiek op dit prachtige concert: het had gerust minstens een half uur langer mogen duren en dan mocht er ook wat fantastisch oud werk bij (we zouden graag “Rede”, “Powder Blue”, “Switching Off” of “Fallen Angel” nog eens horen). Verder: fantastische afsluiter voor een schitterend festival.

Afsluiter? Afsluiter? Forest Swords heeft lang genoeg gewacht om in de Five aan zijn set te beginnen om ook iets langer te mogen doorgaan. Het wordt geen gemakkelijke zit, wel een donkere, beklemmende trip die ons meezuigt, weg uit de festivalomgeving naar een koortsdroomwereld waar om elke hoek het gevaar lonkt. Matthew Barnes en een naamloze kompaan die al eens een gitaar omgordt, weven subtiele elektronicatapijten waarop het goed wiegen is met de vrees in de oren en dat één enkele keer zelfs dansbaar is. Het is dub van de duivel, die zoals steeds de beste melodietjes in zijn winkel heeft. Een verontrustende laatste noot voor dit festival dat van sprookjesachtig zijn nochtans zo zijn specialiteit had gemaakt.

En zo was editie twee van Best Kept Secret — ook met dank aan het betere weer dan vorig jaar — er een om in te kaderen. Helaas belden met The Haxan Cloak en Young Fathers twee acts die hoogtepunten hadden kunnen worden net op het laatste moment af. En één — ééntje maar — werkpuntje voor volgende editie: doe alsjeblieft iets aan het bij wijlen afschuwelijke geluid. Het zou niet mogen zijn dat heel wat concerten pas na vijftien minuten een draaglijk en dynamisch geluid hebben. Maar dus tot volgend jaar, Best Kept Secret, we missen je nu al.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 7 =