WERCHTER 2012: The Cure :: donderdag 28 juni, Main Stage

The Cure? Op Rock Werchter? Twintig jaar na hun laatste echt boeiende plaat (het door ons hard gekoesterde Wish)? Dan moet het blik headliners voor dit jaar echt wel tot de bodem zijn leeg geschraapt, en Placebo niet op tour. Niet dus: met een lipstickgrijns om de lippen kwam Robert Smith even tonen wat voor onwaarschijnlijk sterke songcatalogus hij in drie decennia bijeen heeft geschreven.

4:13 Dream, hun laatste, erg teleurstellende plaat, is alweer vier jaar oud, en dus moet daar gelukkig niet al te veel acht meer op geslagen worden. Het enige teken dat The Cure toch een beetje passé is, is het volstrekt onuitstaanbare “Bananafishbones” waarin begot zelfs een mondharmonica zit. Een mondharmonica! Maar passons, want daarrond cirkelen 22 wereldnummers die we maar wat graag nog eens horen langskomen.

In plaats van met het “boem-paukeslag” van “Plain Song” wordt bijna voorzichtig, onachtzaam geopend met een langzaam openbloeiend “Open”. Het geluid is dun en niet echt indrukwekkend. Staat het wat te stil? Waarschijnlijk wel. De hele gehoorschadediscussie laat zich op Werchter al langer voelen in headliners die te stil staan.

Met Reeves Gabrels heeft The Cure tegenwoordig ook een oud-gitarist van David Bowie in huis, maar of dat altijd een goeie zaak is, kan bediscussieerd worden. Zo verstoort hij “From The Edge Of The Deep Green Sea” met een vreemde, ongepaste solo. Wel fijn: zien dat toetsenist Roger O’Donell opnieuw aan boord is.

“Pictures Of You” is een eerste hoogtepunt; het melancholisch doorslikken van een brok liefdesverdriet op muziek gezet, een wei smult er van. “Lullaby”, erna, is een nachtwandeling in de Efteling: barok, kitscherig, en onweerstaanbaar. Mooi ook hoe na zoveel jaar die synthesizerlijn van “Play For Today” nog altijd wordt meegezongen als was het een uiterst eloquent refrein.

U zou denken dat Robert Smith zoveel enthousiasme met een uitbundig “Cheers”, of iets anders zou beantwoorden, maar dat soort frivoliteit laat de gespinnenwebde voor mindere groepen. Communicatie is er nauwelijks, maar de megaschermen laten minstens een halve glimlach zien. Waarna de intro van “A Forest” tergend lang wordt gerekt; er is geen haast bij als er een klassieker afgeleverd wordt.

En dan gaan we op een kwartier tijd van het zwartgalligste van The Cure (dat galmende “It doesn’t matter if we all die” blijft er inhakken) naar het meest euforische. Met “Friday I’m In Love” en “Boys Don’t Cry” krijgen we twee van de meest upbeat nummers die de groep ooit schreef, en brengen ze de oude fan in ons net niet tot een delirium. Als de fucking Dewaele Brothers van “Love Will Tear Us Apart” een anthem mogen maken dat Pukkelpop afsluit, dan zijn dit overtuigende schaduwvarianten: een vreemde vreugde in samen beleefde tristesse.

Boys don’t cry; ze dansen op The Cure.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − 2 =