Jazz & Beyond Deluxe :: 2 februari 2012, Vooruit

Op Dag 2 kwam De Grote Tolerantietest, want het zou een slingerbeweging worden van het ene uiterste (synthetische, hedendaagse muziek) naar het andere (traditionele, akoestische muziek). Zoals wel vaker gebeurt, werd het pleit beslecht in het voordeel van de centrumpartij die de extremen verenigde, en dat deed op een adembenemende manier.

De Oostenrijker Christian Fennesz (foto) — intussen al zo lang een boegbeeld van de gediplomeerdenelektronica (we vinden dat niet uit) dat sommigen al geneigd zijn om hem bij het grof huisvuil te zetten — is niet vies van een onverwachte samenwerking (in het verleden stond hij al naast jazzmuzikanten, maar ook Jim O’Rourke en Mike Patton), maar opende de avond met een ouderwetse soloset. Met een MacBook, een batterij knopjesapparaten en een gitaar nam hij plaats achter een tafel om daar zijn kenmerkende, wat etherische golfbewegingen op poten te zetten. Zoals gewoonlijk was het visuele aspect verwaarloosbaar: de man staat er vooral stijlvol gekleed en statisch te werken, ijzig kalm, onverstoorbaar zelfs, nu en dan meewiegend op z’n pulserende ruisgolven, de gitaarsnaren betastend en intussen op onzichtbare knopjes drukkend.

Verrassend was vooral het geluidsvolume: de sudderende frequenties bliezen van meet af aan behoorlijk luid door de speakers en naargelang de densiteit van zijn spektakel toenam — en het had soms iets van een bijna symfonisch gewicht — gingen de decibels onverbiddelijk omhoog. Het was wat veel van het goede voor sommige aanwezigen, die misschien niet bereid waren om mee te gaan in dit cerebrale verhaal. De muziek blijft immers steken in een (weliswaar intrigerende) afstandelijkheid, die een constante blijft doorheen de bewegingen. Het ging er desondanks vrij subtiel aan toe, met organische overgangen van de ene sectie naar de volgende. Het was aanvankelijk een fascinerende trip (meeslepend zou net iets te sterk uitgedrukt zijn), maar de man kon niet voorkomen dat hij over de helft van zijn performance in herhaling begon te vallen, iets waar zijn wat fletse gitaarstukken weinig aan konden veranderen. Geen tegenvaller, maar hij liet al meer geïnspireerde dingen horen.

Het overgangsconcert was dat van de Palestijnse zangeres en oud-speelster Kamilya Jubran (foto) en de Zwitserse elektronica-artiest en trompettist Werner Hasler. Ze brachten een combinatie van traditionele en moderne muziek die vanaf opener “Wanabni” (de titeltrack van hun gelijknamige album uit 2010) de lat waanzinnig hoog legde, met zowel bijzonder passionele, intense zangpartijen als atmosferische elektronische inkleuring. Op een enkele verwaarloosbare inzinking na (een van meer nadrukkelijke beats voorzien oudje klonk intussen wat passé), slaagden de twee er in om dat verbluffende niveau aan te houden. Het was dan ook muziek die gebracht werd met een granieten emotionaliteit en fabuleuze dosering, die ronduit betoverend werkte.

De teksten van de stukken, ontleend aan een handvol dichters uit meerdere windstreken (Syrië, Marokko, Griekenland, …) werden gebracht in het Arabisch, maar je hoefde ze niet te begrijpen om hun geladenheid te voelen (er waren bovendien Franse vertalingen beschikbaar voor wie wilde). Jubran is dan ook een prachtige zangeres die schijnbaar zonder een inspanning te moeten doen de mooiste melodieën en halfgesproken stukken uit haar keel haalde. Haar spel op de oud was al evenzeer geïnspireerd. Hoewel ze een behoorlijke bagage heeft (misschien geen verrassing als dochter van een instrumentenbouwer), nam ze vaak toevlucht tot repetitieve, haast bluesachtige motieven, die creatief weerwerk kregen van Hasler, die flarden terugkaatste of zorgde voor subtiele zoemklanken en eenvoudige toetsenriedels.

Nog mooier ging het er soms aan toe wanneer Hasler de trompet gebruikte om kleine, vaak ruisende accenten te plaatsen. Dat klinkt misschien vrij flets op papier, maar dat was het allerminst. Zelden hoorden we die combinatie van wereldmuziek en elektronica zo bedwelmend uitgevoerd worden, zo vanzelfsprekend vloeien en bewegen. Zelfs de stukjes uitleg tussen de nummers leken wel gebracht met diezelfde charme. Het is altijd moeilijk om uit te leggen hoe muziek er in kan slagen om in te werken op het gemoed en je gewoon even de strot dichtknijpt om drie kwartier niet meer te lossen. “Hemels”, was het antwoord toen we een collega vroegen wat hij ervan vond. Een beter adjectief hebben we zelf niet voorhanden voor dit concert.

De vier kerels van Arifa kregen vervolgens de zo goed als onmogelijke opdracht om die overdondering te overtreffen. Ze zouden er niet in slagen, maar ze zijn vermoedelijk de laatste om daarmee in te zitten. Zelden zagen we immers een band die zo gemoedelijk, zo ontspannen en zo amicaal zat te musiceren. Hun combinatie van traditionele invloeden — wat wil je ook met volk uit Turkije, Irak en een naar Nederland verkaste Roemeen? — was kleurrijk en werd gebracht met een charmante ongedwongenheid. Waande je je nu eens op een marktplein in Oost-Europa, dan maakte je al snel een reis naar Anatolië of het Midden-Oosten. Mehmet Polat (oud), Osama Abdulrasol (kanoen), Sjahin During (percussie) en de gortdroge humor spuiende leider Alex Simu (sax, klarinet en elektronica) zijn stuk voor stuk uitstekende muzikanten, maar technische kunde trad zelden op het voorplan. Het had soms iets van het bijwonen van een spontane repetitie van muzikanten die al lang niet meer het nut van aanstellerij inzien.

Het eigenaardige was vooral hoe vreemd de nochtans eenvoudige lijkende muziek soms ontwikkelde. Het eerste luik van het concert was een meanderend, suite-achtig stuk van meer dan een half uur dat bestond uit meerdere bewegingen, maar daarbij was zelden duidelijk tot waar het ene liep en het volgende begon. Dat de band zijn composities en stemmomenten naadloos in elkaar liet overvloeien, zal daar ongetwijfeld voor iets tussen zitten. Opmerkelijk was nu en dan ook de elektronische bijdrage van Simu, die soms diep ronkende bastonen uit zijn klarinet perste en het geluid met succes uit het traditionele korset trok. Allemaal heel fascinerend, maar– en het voorgaande concert zal daar zeker iets mee te maken hebben — de gemoedelijkheid van de performance (want het was eerder luister- dan feestmuziek) was ook een beetje zijn achilleshiel: om van een hoogtepunt te kunnen spreken, leek de draad net iets te weinig gespannen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × een =