Devin Townsend carrièreoverzicht :: deel 1

Devin Townsend is een soort homo universalis van de
hedendaagse (metal-)muziek. Zijn totale loopbaan omspant
ondertussen twee decennia en daarin heeft de wereld hem leren
kennen als een manisch-depressieve
zanger/componist/gitarist/producer/poppenspeler/videoknutselaar/huis-,
tuin- en keukenfilosoof. Periodes van overweldigende creativiteit
en energie wisselden zich af met inactiviteit en teruggetrokken
bestaan. Sinds 2009 staat hij weer 100% ten dienste van zijn
publiek middels uitgebreide tournees van zijn nieuwste
groep: ‘The Devin Townsend Project’ en 4 nieuwe platen.

Ter gelegenheid van de release van ‘Ghost‘ en ‘Deconstruction‘ doken
we eens in de uitgebreide Devin Townsend discografie en kwamen met
deze selectie terug voor de lezer. Ruw geschat coveren we
tweederde van de releases met een Devin Townsend-stempel op. Weet
dat er naast onderstaande (belangrijke) albums ook nog een paar
twijfelachtige soundscape/ambient experimenten circuleren, een
regulier metal-album gemaakt werd, een punk-pastiche de wereld werd
ingestuurd en hij natuurlijk zijn carrière begon als zanger voor
Steve Vai en dat dat niet de enige samenwerking van formaat uit
zijn carrière was.

Wat er in de toekomst nog uit de koker van de Canadees komt, kan
je zelfs met het beste Colombiaanse koffiedik niet voorspellen.
Uniek zal het alleszins zijn. Het verleden heeft geleerd dat iedere
plaat in de eerste plaats een weerspiegeling is van een bepaalde
gemoedsgesteldheid van de schepper ervan. Dat hij in staat bleek om
de extreemste en de lieflijkste sferen tegelijk te creëren is
normaal, bi-polaire stoornis is geen lachertje maar heeft soms zijn
voordelen. De avontuurlijk ingestelde muziekliefhebber doet er zijn
voordeel mee. Heb je Devin Townsend ooit afgeschreven op basis van
een tegenvallende luisterbeurt of optreden, dit is je kans om onder
onze welwillende begeleiding je mening te herzien. Wie hem nog niet
kent, en na het lezen van dit artikel nog geen behoefte voelt om
kennis te maken zit waarschijnlijk met een aantal cruciale defecten
in zijn muziek-DNA.

Strapping Young Lad: Heavy
as a Really Heavy Thing
***

Dit is het spraakmakende debuutalbum van Strapping Young Lad en
tegelijk het eerste solowerk van Devin Townsend. Bij de start was
SYL hoofdzakelijk een soloproject, pas later zouden er vaste
bandleden aangetrokken worden. Deze plaat werd in ongeveer een week
opgenomen. Toch was dit geen haastklus en was de aanpak eerder
relaxt. De lat werd bij de eersteling simpelweg niet enorm hoog
gelegd. Doel was te focussen op zo veel mogelijk dissonantie en
brutaliteit en het geheel compleet over-the-top te laten klinken.
Met dat einddoel voor ogen, is dit debuut een absoluut succes
geweest. Maar weinig muzikale oortjes waren op dit soort
ongestructureerde agressie berekend. Aanvankelijk maakte de plaat
dan ook weinig positieve reacties los (slecht 143 verkochte
exemplaren in het eerste halfjaar), hoewel het ondertussen een
cultstatus bereikt heeft. Grotendeels omdat het wel een goede
preview is gebleken voor de experimenteerlust van de
man.

Townsend zelf heeft zich in latere interviews niet bijster
positief uitgelaten over zijn eersteling. De productie benoemt hij
als een zwak punt en het album bevat volgens de metalmaster slechts
twee goede nummers. Ergens moeten we hem wel gelijk geven. Opener
‘S.Y.L’ is een sterke start, maar daarna worden de nummers minder
pakkend en steeds rommeliger. ‘Heavy as a Really Heavy Thing’ is
geen toppunt in het uitgebreide oeuvre van Devin. Maar ook al zijn
er later veel sterkere producten verschenen, dit debuut heeft de
weg ernaartoe vrijgemaakt.

Het is de klassieker geworden die het begin inluidde van een
nieuw genre binnen metal. Of beter, een anti-genre. Geen enkele
standaard wordt hier gevolgd. We krijgen een samenraapsel van alle
invloeden die Townsend boeiend vindt en toch klinkt het nog altijd
very metal. De perfectionering van de sound volgde later,
de noodzakelijke basis vind je hier al terug.

Kenmerken van genie: dit is en blijft de
grondlegger van Devin Townsends creatieve carrière.
Kenmerken van fobie:
oorsuizingen, hartkloppingen, pure
stress… Deze hoop lawaai kan wel eens gevaarlijk zijn voor de
gezondheid. (svh)

Strapping Young Lad: City *****

SYL’s debuutalbum was geen doorslaand succes. Zonder een aantal
gelukkige ontmoetingen was dat misschien al het vroegtijdige einde
geweest van wat nu als een erg invloedrijke band wordt gezien. Eén
van die ontmoetingen was met de drummer Gene Hoglan, bekend van de
thrasmetalhformatie Dark Angel. Zijn razende,
industrieel klinkende drums zullen een essentieel onderdeel vormen
van ‘City’ en de latere SYL-albums. Om de groep te vervolledigen
overtuigt Devin zijn oude makkers Byron Stroud en Jed Simon mee te
werken.

Op ‘City’ maakt het grootste deel van de wereld voor het eerst
kennis met Devins opgefokte, paranoïde brein en de voornaamste
muzikale uitingsvorm ervan: een overdonderende muur van geluid. Het
fundament van Gene Hoglan is opgetrokken uit graniet en staal, een
voortdurend salvo van dubbele basdrums en inventieve fills. De
productie geeft het album en dan vooral de drums een erg
industrial geluid mee, zoals we dat bijvoorbeeld al kenden
van Ministry. De
staccato thrashriffs worden geregeld ondersteund door
desoriënterende synth-geluiden, die we niet orkestraal mogen noemen
maar in sommige nummers (zoals ‘All Hail The New Flesh’) erg
nadrukkelijk aanwezig kunnen zijn.

Al het bovenstaande garandeert een erg intens plaatje maar eens
je Devins extreme vocals in factor brengt stijgt de intensiteit
exponentieel. Zijn complexe arrangementen, zijn luide heldere
producties, zijn compositorische sterkte, alle drie die dingen
worden sindsdien en tot op vandaag met veel woorden geroemd. Dat
hij ook een zanger is die, ik zeg maar wat, Mikael Akerfeldt (van
Opeth), in de
schaduw kan zetten wordt wel eens over het hoofd gezien. Nochtans
is het erg duidelijk, al die lagen van manisch schreeuwen,
dramatische zingen en de occasionele falsetto zijn puur
Devin en hebben een intensiteit van 7 op de INES schaal van
kern-accidenten.

´City’ is bijna 15 jaar later nog altijd een ervaring om te
beluisteren. Omdat het muzikale amalgaam van exterme metalstijlen
en industrial klanken nog niet voorbijgestoken werd qua schizoide
heftigheid maar ook omdat de productie en de mixing eigenlijk het
hedendaagse, digitale, niveau goed benaderen. Die heldere,
volgepompte maar afstandelijke sound is Devin Townsend’s
handelsmerk geworden. Ook Daniel Bergstrand scoorde later heel wat
mooie jobs gekregen met de mixing van ‘City’ op zijn CV.

Kijken we terug naar 1997 dan was dat natuurlijk een behoorlijk
zwarte periode voor metal. De aanvankelijke vette “oomph” die
Korn in het genre
bracht was al aan het verwateren tot een flauwe hiphopbeat. De
black-metallers staken meer tijd in hun maquillage en zwaarden dan
het schrijven van mergstollende riffs en de rest zat helemaal op
zijn gat. Op dat moment kwam ‘City’ uit en had de kracht om alles
en iedereen een ongenadige stomp te verkopen en de hele scene weer
wakker te schudden met een stel harde, intense en bovenal
memorabele songs.

Luister (nog) maar eens naar ‘AAA’, ‘Oh My Fucking God’ of ‘Home
Nucleonics’ en ervaar de verwarring van bipolaire stoornis en de
existentiële woede op de wereld van de eeuwige weirdo die in geen
enkel groepsgebeuren thuishoort.ne

Kenmerken van genie: de onsloopbare muur van
geluid opgetrokken met blokken gehouwen uit alle soorten
metal.
Kenmerken van fobie:
té is nooit goed (behalve in tevreden
en tegoed). (svh)

Devin Townsend – Ocean Machine: Biomech
****

‘Biomech’ ontstond in dezelfde periode als ‘City’, Devin
Townsend werkte met verschillende groepen aan beide albums
tegelijk. Aanvankelijke verscheen ‘Biomech’ onder de groepsnaam
Ocean Machine maar later werd dat dus ‘Devin Townsend – Ocean
Machine: Biomech’. Er kwam ook nooit een tweede album onder de
Ocean Machine vlag, al kan je wel stellen dat later werk als
‘Terria’ en ‘Synchestra’ opvolgers zijn van ‘Biomech’. Op dit album
wordt het muzikale avontuur opgezocht, Devin Townsend laat er zijn
voorliefde spreken voor progressieve rock, rustige akoestische
gitaren en bezwerende ambient klanken.

Of ‘Biomech’ als een conceptalbum geconcipieerd werd kan ik niet
zeggen maar het heeft wel degelijk de dynamiek van één lang
verhaal. Het eerste hoofdstuk bestaat dan uit de eerste vier
nummers. Die zijn allen te classificeren als rock of metal. De
gitaren zijn aanwezig, maar niet altijd dominant en bovenal is er
een stevige drumbeat die het tempo aangeeft. Opener ‘Seventh Wave’
is wat atmosferischer maar ‘Life’ en zeker ‘Night’ rocken toch
behoorlijk stevig.

Hoewel het album qua sfeer en uitstraling de tegenpool is van
‘City’ heeft het wel een vergelijkbare “muur van geluid” productie
alhoewel “vloedgolf van geluid” misschien een betere omschrijving
is. De lagen van zang, synths, elektrische en akoestische gitaren
leggen zich pijnloos maar onontkoombaar over de luisteraar heen.
Ook al is het geen brutale aanval op al je zinnen, ‘Night’ of ‘Hide
Nowhere’ hebben wel degelijk weerhaken zitten onder het pluis en de
lieflijk dansende schuimkoppen.

Even melodieus als nadrukkelijk zijn immers de metal-gitaren en
Devins zang. Hij beperkt het schreeuwen hier tot enkele sporadische
uithalen maar in zijn cleane zang wordt de agressie
hoogstens verruild voor ontegensprekelijke dominantie. Op een
lekkere cadans denderen deze vier nummers met kop en staart voorbij
en dan begint wat je het tweede hoofdstuk zou kunnen noemen.

Een drietal erg rustige, ambient georiënteerde stukken verruimen
de geest en verruilen de ruige gitaren voor synths, effecten en het
deinen van de zee. De schok is niet groot maar de overgang toch
vrij snel, wie een klein beetje een open geest heeft zal niet lang
tegenspartelen. De sfeer kan immers de totale betovering waarmaken.
Na een geleidelijke overgang begint met ‘Greetings’ hoofdstuk drie
van het verhaal. Dat nummer en volgende worden gekenmerkt door een
grotere bombast en een donkerdere sfeer. De ambient geluiden gaan
vaker samen met ruigere gitaren en ‘Regulator’ is in hoofdzaak een
metalnummer.

Hoofdstuk vier, het slot, draait rond het lange, afwisselende
nummer ‘The Death Of Music’. Dit is ambient met afwisselende, maar
hoofdzakelijk donkere tonen dat ik bijna als een hoorspel zou
durven omschrijven.

‘Ocean Machine: Biomech’ was Devin Townsend’s eerste
progressieve metalalbum, al kan je natuurlijk makkelijk betogen dat
dit geen pure metal is en dat ‘s mans volledige werk eerder
progressief is. Feit is dat dit album op meeslepende wijze zachte
psychedelische tonen en soundscapes gekoppeld worden aan de
indringende muur van geluid die eigen is aan het meeste van zijn
werk. De grootste sterkte van dit album is dat het ondanks de
variatie en het zweverige aura toch erg meeslepend en gefocust
blijft. Zeker een aanrader voor wie Devin Townsends oeuvre nog maar
begint te ontdekken.

Kenmerken van genie: meeslepend geheel van
klanken sferen en songs. Eerste openbaring van Devin Townsen als
scherpzinnig progressief rock/metal componist.
Kenmerken van fobie
: opereert vaak op het glibberige
grensvlak tussen “lang uitgesponnen” en “langdradig”. (svh)

Devin Townsend: Infinity
***1/2

Devin Townsend heeft zijn puberale ambities als poppenmaker dan
wel opgeborgen, maar met deze schijf is hij creatief geweest in een
muzikale poppenkast. Veel gekker kon de mad professor of
metal
, zoals velen hem liefkozend noemen, het niet maken op
zijn tweede soloplaat. Een jaar voor ‘Infinity’ uitkwam (1999)
kreeg Townsend de diagnose van bipolaire stoornis. Deze plaat is
het eerste werkstuk geworden dat werd geschreven nadat de
metalhead alle kwade gedachten min of meer op een rijtje
had gekregen. Hij zag mensen nog als “kleine hoopjes roze vlees op
waterbasis, die moeizaam lucht door zichzelf persen en geluiden
maken die de andere roze hoopjes nog lijken te verstaan ook.” Op
‘Infinity’ wordt deze gedachte geventileerd in ‘Noisy Pink
Bubbles’. De andere tracks zijn stuk voor stuk al even
autobiografisch, op de cryptische manier die Devin Townsend eigen
is.

Op ‘Infinty’ werd gelukkig evengoed het licht gezien. Op een
positieve manier worden depressieve gedachten geventileerd en humor
ontbreekt zeker niet. Maar Devin Townsend is een soort Dr. Jeckyll
and Mr. Hyde op muziekgebied. Zijn bipolariteit uit zich in licht
en donker. Met Devin Townsend (Project) gaan we de constructieve
toer op, met Stapping Young Lad wordt het allemaal veel duisterder
en ruiger.

Onder het motto ‘wat je zelf doet doe je beter’ werd deze plaat
op de drums na volledig door Devin zelf ingespeeld en geproduceerd.
Voor het creatieve brein achter deze herrie is dit nog steeds de
favoriete soloplaat. Wij kunnen hem daar wel in volgen. Hoewel je
de eerste keer serieus de wenkbrauwen fronst, is dit een groeiplaat
die je na jaren nog regelmatig uit de platenkast opvist.

Het is een kunst om iets dat zo gelaagd en complex is, toch zo
goed in het gehoor te laten liggen. Regelmatig komt er een puur
instrumentaal stuk voorbij. Of dit een erfenis is van de periode
met Steve Vai kan niet met zekerheid gezegd worden, maar storen
doet het absoluut niet. Met woorden is het soms moeilijk je diepste
gevoelens en gedachten uit te drukken. Met muziek wil het al wel
eens beter lukken. De sfeer vertelt een verhaal op zich. Naast
sfeervol is ‘Infinity’ experimenteel en totaal anders dan alles wat
u tot nu toe gehoord hebt. Een aanrader om uit te pikken uit de
volledige back catalogue.

Kenmerken van genie: dit is grappig,
ontroerend, diepgravend en rustgevend tegelijk. Zo’n breed spectrum
aan emoties in één plaat vormt een avontuurlijke trip die keer op
keer met plezier wordt ondergaan.
Kenmerken van fobie:
regelmatig wordt het zo gek dat de
eigen geestelijke gezondheid er de brui aan dreigt te geven.
(sb)

Devin Townsend: Terria *****

Vier jaar na ‘Biomech’ focuste Devin Townsend weer op de pracht
en de bedreigingen van onze planeet. ‘Terria’ is prachtig en een zo
mogelijk nog sterker vervolg op Devin Townsend’s eerste uitstapjes
richting psychedelica en ambient. Het album is een uur lange reis
in je hoofd langs allerlei bedwelmende, bewonderenswaardige of
betoverende plekken van onze planeet. ‘Terria’ focust heel erg op
sfeer en dynamiek net als zijn voorloper. In meerdere opzichten is
dit album een dieper uitgewerkte versie van ‘Biomech’. De metalen
gedeeltes zijn heavier en de dromerige partijen voelen nog
meer aan als zweven op een gewatteerd vliegend tapijt.

Opvallende gastmuzikant op deze LP is Gene Hoglan, Devin’s
drumcompaan uit SYL. Zijn grootste talent, ongenadig hard en strak
drummen, wordt hier niet echt aangesproken. Tijdens ‘Earth Day’
laten ze zich echter volledig gaan en krijgen we enkele
SYL-waardige passages te horen. We leren in dit nummer ook bij dat
Devin een trouw afvalsorteerder is.. Bij Devin Townsend’s muziek
krijg je altijd te maken met het totaalpakket aan contrasten en
conflicten die in de man leven.

Na de bijna tien minuten durende rollercoaster van ‘Earth Day’
volgt dan ook het rustigere ‘Deep Peace’. Dat is opgebouwd rond
melodieus gitaarwerk en iets wat op samples van meeuwen lijkt. Hij
is meester in laagjes leggen en samplen zelfs in een rustig nummer
als dit’ kan hij het niet laten om er nog een extra vocale lijn in
te smokkelen of toch sporadisch de drums eronder te steken. Dit
gebeurt echter allemaal met zoveel naturel en zonder de dynamiek
van het nummer te verstoren dat het bijna niet opvalt. Je onbewuste
pikt natuurlijk wel al die details en hints op. Je hersengolven
gaan steeds trager oscilleren en je bereikt een soort van
emotionele schemerzone waarin je enkel nog mijmert over zaken van
algemeen belang als het exacte blauw van onze dampkring. Deze
meta-toestand heb je normaal gezien wel bereikt tegen het einde van
‘Canada’.

In wat volgt lijkt de muziek steeds meer te gaan ademen en
bewegen als een levend organisme. Metal-uitbarstingen blijven
overwegend uit maar door de typische muur van geluid-productie en
de toch wel aanwezige distortion is dit niet altijd licht
verteerbaar. ‘The Fluke’ begint dan wel als een een erg poppy
deuntje, in zijn totaliteit is het net als de rest van dit album
een trip.

‘Terria’ is zonder twijfel een hoogtepunt in de carrière van de
Canadese wonderman. Alle elementen van het album zijn perfect in
elkaar gepast en hoewel die elementen op zich duidelijk te benoemen
zijn: metal, rock, psychedelica, elektronica is er geen enkel
nummer te vinden dat je gemakkelijk kan omschrijven. Alles draait
bij ‘Terria’ om de ervaring en het verrast worden naarmate je
steeds gewilliger meedrijft op de tonen van deze caleidoscopische
muziekcollages. ‘Terria’ is geen album dat zich makkelijk
prijsgeeft aan de luisteraar maar eens die zich één keer heeft
overgegeven laat dit album hem nooit meer los – het is uit
ondervinding dat ik spreek.

Kenmerken van genie: het hele album.
Kenmerken van fobie: als je het nuchter bekijkt is
dit album angstaanjagend perfect, laat je dus meeslepen om een
bad trip te vermijden. (svh)

Lees verder: deel 2deel 3

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen + 19 =