Benno Barnard :: Krijg nou de lyriek

“Krijg nou de lyriek!” Met een beetje verbeelding hoort men het de Nederlandse taalvirtuoos Benno Barnard zo zeggen. Onlangs kwam hij nog in het nieuws met onverdroten islamkritiek, maar in zijn nieuwste bundel onthoudt hij zich grotendeels van maatschappelijke interventies. Wat overblijft, zijn ritmische, gelaagde gedichten van een onwrikbare schoonheid.

Barnards nieuwste bundel voor Atlas Uitgeverij valt uiteen in drie delen. Het eerste, getiteld De bovenwereld, is een vormelijk experiment waarvoor Barnard zich baseerde op Zone van Guillaume Apollinaire. De formuleringen zijn ongewoon scherp voor Barnards doen en elke vorm van zoete dichtersnostalgie blijft in de kast. Vanaf de beklemmende openingszin — “Uiteindelijk slenter je door Parijs alsof je gelukkig bent” — tot en met de laatste — “Alles moet blijven zoals het nooit is geweest” — houdt Barnard de lezer in zijn greep. Het karakter van het hele gedicht is onrustig en zoekend, met een protagonist die door Parijs doolt en zich door allerhande indrukken laat vermurwen. Doordat het schema niet bepaald stug gekozen werd, ontstaat een wervelend ritme dat de lezer als het ware van de ene kant van het gedicht naar de andere blaast. Bovendien tovert Barnard prachtige beelden van de Parijse binnenstad tevoorschijn, doorwroet met een worstelend personage waarvan de problematiek van vereenzaming en richtingloosheid gaandeweg duidelijk lijkt te worden.

Het volgende gedeelte heet en bestaat uit Twintig gedichten, waarin Barnard plots wel teruggrijpt naar zijn gebruikelijke stijl. De kolkende, bedwelmende beelden uit De bovenwereld maken plaats voor meer erudiete beschouwingen, waarbij de sfeer niet bruusk, maar zachtmoedig wordt opgeroepen. Dat is uiteraard een schromelijke veralgemening voor wat de twintig heel verschillende gedichten betreft, maar telkens weer ervaart de lezer een zekere constructie en lijkt een bepaald filosofisch beginsel als uitgangspunt te dienen. Nochtans zijn er veel menselijke gedichten opgenomen, waarvan sommige expliciet opgedragen aan collega’s en vrienden, maar zelfs die versmaden het intellectuele basisidee niet. Deze twintig gedichten culmineren uiteindelijk in Ars poetica voor een blondje, een spitsvondige, innerlijke monoloog waarin Barnard zijn mannelijke drift cultiveert — “Hij liegt zijn niet te behappen gekkenpraat / ten behoeve van het binnendringen in vrouwen. Daartoe / snoeft hij met allusies, exhibeert hij existentiële pijn / relativeert hij de kunst met gekunstelde grappen.” Alweer valt op dat Barnard ondanks de vaste vorm een prachtig metrum bereikt waarin hij zich, als was hij de belichaming van de metier zelve, vrijelijk beweegt.

Tot slot is er nog een derde cyclus gedichten, met name Zijne Kortstondigheid, bestaande uit zes iets langere gedichten over een brede waaier aan onderwerpen. Het motto ontleent Barnard als “klassiek dichter” niet toevallig aan Homeros, hoewel de auteur zich niet in een strikt keurslijf laat vangen. Zelf noemde hij Krijg nou de lyriek (onder meer wegens zijn zeer natuurlijke aanvoelen) zijn beste bundel, waarbij hij ook meedeelde dat hij deze gedichten ervaart “alsof je een motiefje van Mozart laat horen met scheten en boeren.” Tot dergelijke platitudes bewaart Barnard al dichtend echter de nodige afstand. Hoewel het openingsgedicht van Zijne Kortstondigheid de zinnen “Je kakte hem eindelijk uit. Leve het denken van Dawkins!” bevat, blijven de scheten en de boeren achterwege. Behalve over Dawkins en Darfur, leest men in het laatste luik overigens ook over Ikea, schaken en “larynxen die lijden aan lyriek”. Zwaarwichtiger mag ook, bijvoorbeeld in de gedaante van de Tijd, de Republiek of de Liefde. Bij Bernard is het onderscheid echter nooit expliciet. Meerdere gedichten gaan zowel over het een als over het ander en vooral in dit laatste gedeelte begint alles te overlappen. Op die manier eindigt deze bundel in een prachtig, intens crescendo, met enkele sublieme liefdesregels als slot.

Ooit was de poëzie van Barnard tastbaarder dan in Krijg nou de lyriek, maar dat de dichter blijft evolueren, is uiteraard prettig om vast te stellen. Met een cover die aan de Franse Editions Gallimard doet denken, probeert Barnard alvast een plaatsje te veroveren tussen de groten der Nederlandse taal. Niet minder dan terecht, als u het ons vraagt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − zes =