James Carter Organ Trio :: 16 maart 2011, De Bijloke

Het prachtig gerestaureerde Bijlokecomplex heeft een en ander gemeen met cultuurtempels als de Brusselse Bozar, het Brugse Concertgebouw en de Antwerpse Singel: de parfums zijn er duur, de akoestiek is op maat van de rinkelende juwelen en Cultuur wordt er ontvangen met haast sacrale reverentie. De ideale stek voor een artiest als James Carter, die na bijna twee decennia in de frontlinie nog steeds op zoek is naar een gevoel voor dosering.

Het was nochtans geinig hoe hij het gewijde sfeertje meteen wist te doorbreken met wat humor. Humor die echter al snel op het snoeverige afstevende, want Carter is niet alleen een virtuoos, hij weet het ook en toont het maar al te graag. Daarvoor werd hij bijgestaan door de ideale partners: Gerard Gibbs op Hammond B-3 en drummer Leonard King. Beiden prima muzikanten, al heeft het er soms iets van dat ze gekozen werden om de ster van Carter nog wat meer te laten schitteren. De set was immers aan hetzelfde bedje ziek als zowat al z’n concerten: er staat geen maat op ’s mans virtuoze notenkakkerij, op welk instrument dan ook (en hij beheerst er veel).

Zoals gewoonlijk werkte het Organ Trio met een set die bestond uit standards (1e helft) en eigen materiaal (2e), waarbij de oudjes vaak enorm uitgerokken werden tot veredelde jamsessies. Nochtans vatte Carter Strayhorns “A Flower Is A Lovesome Thing” mooi aan op z’n sopraansax, door via steeds op het verkeerde been zettende riedels toch het thema op te zoeken. Hij klonk daarbij even ‘hard’ als Coltrane op het instrument, maar dan met de benepen sound van een Sidney Bechet erbij. Kon natuurlijk ook niet ontbreken: een orgelklassieker, en dat was deze keer een diep in de rhythm & blues gewortelde versie van Brother Jack McDuffs “Walking The Dog”, waarvoor Carter de tenorsax bovenhaalde.

Ook op dat instrument is hij bijzonder veelzijdig: ronkend in het lage register als ging het om een bariton en vunzig scheurend als de beste meesters van de vooroorlogse jazz (hij werd niet voor niks gekozen om de rol van Ben Webster te spelen in Robert Altmans Kansas City). King bleef daarbij consequent functioneel spelen, eigenlijk meer dan een soul- als een jazzdrummer, met de nadruk op groove en strakke ritmes. Dat paste prima bij het energieke weerwerk van Gibbs, die duidelijk een en ander opstak van zijn mentor Richard ‘Groove’ Holmes. Hij kon echter niet vermijden dat z’n spel op de baspedalen volledig geruïneerd werd door de logge akoestiek. Idem voor King: zolang die zich bezighield met cimbalen en brushes was er niets aan de hand, maar tromroffels en drukdoenerij gingen meteen verloren in een onduidelijke klanksoep.

Carter trok er zich niks van aan en bleef halsstarrig van leer trekken met z’n kenmerkende high energy solo’s vol bluesy wendingen, schrille uitschieters en de occasionele tongue-slapping. Allemaal heel indrukwekkend, maar we hadden een vergelijkbaar gevoel ook al gehad bij een figuur als Courtney Pine: zelfde technische bagage en geschiedenisoverspannend bereik, maar geen verhaal te vertellen. Door vrij conventionele songs bovendien te voorzien van overdadige versieringen zat je als luisteraar opgescheept met scheve verhoudingen. Als je kan rekenen op muzikanten die mee kunnen/willen gaan in een richting die de ketens afwerpt, dan had dat potentieel spetterende resultaten kunnen opleveren. Nu had het vooral veel van een solo show waarbij alles ten dienste stond van het epateren. Steve Vai met Crazy Horse als backing band.

De diversiteit was er wel: de Cal Massey-cover, met Carter op dwarsfluit, had iets weg van een wiegende Herbie Mann bossa en de bijdrages van de ritmesectie sloten perfect aan bij de standards uit de eerste helft: Kings “Lettuce, Toss Yo’ Salad” was een fijne brok funk en Gibbs “J.C. Off The Set” (een verwijzing naar een oudere Carterplaat) was prima jam-materiaal, maar echt overtuigen deed het trio nooit. De ultieme ergernis kwam er dan nog eens toen Carter, die een heel concert al z’n tenorrieten zat te verwisselen, in de afsluiter nogal omstandig begon te prullen aan z’n sax. Uiteindelijk moest hij die noodgedwongen in het midden van een solo opzij leggen om over te schakelen op de sopraan, iets dat hij al veel eerder had moeten doen.

Amper zes songs in anderhalf uur, dat zegt eigenlijk al genoeg. Het publiek kreeg een staaltje forsbollerij te zien dat, zoals verwacht, onthaald werd met het nodige ontzag, maar als we eerlijk zijn, dan speelde Carter een zelfvoldane en wat gemakzuchtige set die dan wel barstte van de virtuositeit (enkel van hem weliswaar), maar zelden of nooit raakte of meeslepend was. Het was vermoeiend en geen beetje frustrerend om zo’n kolossaal talent zo achteloos verspild te zien worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − dertien =