Frode Gjerstad, William Parker & Hamid Drake :: 11 december 2010, Kc BELGIE

Co Sint Andries (10/12) en Kc BELGIE (11/12) hadden free jazz royalty in huis gehaald en dat was niet onopgemerkt voorbijgegaan: de zaal zat afgeladen vol voor een concert dat grote verwachtingen creëerde. Die werden ingelost, want het werd een topavond voor liefhebbers van spontane interactie. Zelfs met Piet Snot van de partij.

Terwijl Antwerpen het moest stellen met het trio (weliswaar met een workshop improvisatie erbovenop), kreeg Kc BELGIE nog volk over de vloer: drummer Federico Ughi en saxofonist Daniel Carter. Nu ja, die Carter is eigenlijk een multi-instrumentalist die zich à la Cooper-Moore, durft laten gaan op de meest uiteenlopende instrumenten, maar deze keer beperkte hij zich tot zijn hoofdinstrument, de altsax. De muziek was volledig geïmproviseerd en sloot aan bij de geest die ook rondwaart op de releases van Ughi’s 577 Records: vrije, vloeiende improvisatie met een contemplatief, soms spiritueel karakter en een afwezigheid van brute uitspattingen.

Hebben beide muzikanten al meermaals bewezen te kunnen uitpakken met explosief spelen vol ratelende roffels, cimbalenherrie of dissonant gegier en gekrijs, dan werd deze keer dus gekozen voor een meer gedoseerde aanpak, met momenten vol subtiliteit, textuurschakeringen, stilte en een slinks verschuivende dynamiek. Van houvast was er weinig sprake: het was geen muziek van terugkerende of herkenbare thema’s en ritmes (zoals later die avond). Dat zorgde ervoor dat je erg geconcentreerd moest blijven, iets dat niet even makkelijk was in het tweede, nogal vrijblijvend meanderende stuk. Carter en Ughi brachten mijmerende en ietwat melancholische muziek die niet altijd even spannend was, maar wel erg muzikaal en die uiteindelijk wel naar een sterke finale evolueerde, die meer vuur bevatte. Het was dan dat Carter ook echt diep ging en het vrije samenspel begon te knetteren.

Knetterend volstaat dan weer amper om het spel van drummer Hamid Drake te omschrijven. Die man is, zoals we laatst ook op C-mine Jazz (waar hij jazz/reggae-programma speelde met Bindu) mochten zien, een wandelend ritmearsenaal, een brok vitaliteit en een groovemonster. Samen met z’n speelkameraad bassist William Parker heeft de man een haast mythische status opgebouwd. De interactie tussen de twee is hypnotisch, beide hebben een onwaarschijnlijk gevoel voor groove en een kennis van meerdere tradities. Hun gezamenlijke spel wordt steeds opnieuw gekenmerkt door een stuwende drive die je zelden te horen krijgt.

Is Ughi een uitstekende drummer met verfijnde voelsprieten, dan is Drake compleet hors catégorie, een man die het allemaal zo makkelijk doet lijken, terwijl hij ritmes stapelt en combineert, laat dartelen of eromheen wentelt met een ongeziene frivoliteit. Prachtig om te zien hoe de tandem vanuit de complete vrijheid een dynamiek brouwt die gaandeweg meer vorm lijkt te krijgen, danst en kronkelt, tot je plots een terugkerend motief kan herkennen in Parkers spel dat Drake dan de kans geeft om met zijn materiaal te spelen. Zelden krijg je bijvoorbeeld een drummer te zien die zo dominant is en toch geen ergernis opwerkt. De man drumt met een bruisende, verbluffende naturel.

Met de rietblazer Frode Gjerstad nam het duo intussen al een vijftal platen op, ze zijn dus geen vreemden voor elkaar. En toch had je soms helaas het gevoel dat er een onzichtbare muur opgetrokken was tussen de swingende Amerikanen en de norse Noor. Die speelde voornamelijk klarinet, afgewisseld met altsax, en slaagde er slechts zelden in om echt deel uit te maken van een trio. Dat heeft ongetwijfeld te maken met zijn iets te eenzijdige aanpak (misschien ook met het feit dat hij ziek was – hij rochelde er op los), die vooral bestond uit het vingervlug verkennen van zijn hoge register, met schrille notenslierten die boeiend waren op zich, maar niet erg geïntegreerd geraakten in de muziek. Nu en dan veranderde hij even van tactiek en instrument, maar zijn aanpak bleef frustrerend lang aangehouden.

Aanvankelijk zorgde het voor een mooi contrast tussen het stugge blaaswerk en de souplesse van de ritmesectie, maar na verloop van tijd werd duidelijk dat de vonk nooit écht zou overslaan. En dat is jammer, want Parker en Drake bleven communiceren op het allerhoogste niveau. Dit was een onaflatend muzikaal festijn met een sensuele puls waarbij zelfs in de meest vrije momenten nog een schwung zat en herhaaldelijk gespeeld werd met Afrikaanse ritmes, funk en zelfs reggaeaccenten. De set duurde een goed uur, en dat had gerust nog een pak langer mogen zijn. Helaas zou het tweede, korte deel niet meer dat waanzinnige niveau kunnen herhalen.

Hamid Drake deed het nu met zijn bekende frame drum, terwijl Parker ook erbij ging zitten om te spelen op fluit en (zo vermoeden we) een paar ghaitas, kleine blaasinstrumenten met een benepen, Oriëntaalse sound. Het had iets Oosters mysterieus en exotisch, haast iets voor bij Japanse houtgravures, maar voor Gjerstad was het business as usual, en hij beperkte zich helaas tot zijn monotoon klarinetgeneuzel, waardoor hij, opnieuw, een buitenstaander leek. Een gemiste kans, want een derde muzikant die zich tussen die twee had kunnen wringen had verantwoordelijk kunnen zijn voor het concert van het jaar. Nu was het kijken naar een ronduit fantastisch duo dat de hort op moest met de eeuwige weakest link.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + zeven =