Underworld :: Barking

Je neemt als veteraan een stel jeugdige knapen in huis die je betaalt om zich over jou te ontfermen. Een praktijk die dezer dagen vrij gevoelig ligt, maar die het Britse Underworld geen windeieren legt. De danceroutiniers lieten zich voor Barking omringen door een rits talentvolle producers en leveren zo hun beste album sinds jaren af.

De messen waren hier al flink ingevet. Underworld ging met een nieuw album komen, dat, als logisch gevolg op het slaapverwekkende A Hundred Days Off en het comateuze Oblivion With Bells, de finale teloorgang van de band zou inluiden. De ideeën waren al een paar platen op, het geluid klonk stilaan gedateerd en wij hielden ons klaar voor de ultieme doodsteek. Maar dat was buiten de groep zelf gerekend; het duo trommelde voor zijn nieuwe plaat een schaar getalenteerde producers op — High Contrast, Dubfire, Applebim, … — om zijn geluid een verjongingskuur te laten ondergaan. Geen drastische ingrepen op zijn Hoeyberghs’, maar eerder subtiele retouches waarbij aan de kern niet wordt geraakt, zijnde de koppeling van de stoïcijnse zangpartijen van Karl Hyde aan de strak geregisseerde, beheerste technobeats van Rick Smith. En kijk, de groep klinkt plots vitaler dan ooit tevoren.

De bevlogenheid van de roedel jonge huurlingen straalt op het ervaren duo af; het speelplezier is terug en de muziek is opnieuw opwindend. De uitstekende opener "Bird 1", waarop de groep hulp krijgt van de Iraans-Amerikaanse houseproducer Dubfire, zet meteen de toon. Hyde laat als vanouds een labyrinthische gedachtenstroom los op de gesofisticeerde beats. "Grace", een van de meer poppy nummers van het album, laat horen hoe Depeche Mode vandaag nog relevant zou kunnen zijn. Ook hier een voortreffelijke combinatie van ingehouden, haast benauwende beats en synths en Hydes bezwerende zang.

Op "Hamburg Hotel" is de invloed van de gastproducer het duidelijkst aanwezig. De Britse dubstephead Appleblim integreert subtiel stemsnippers en basrafels in het vederlichte technonummer. Het resultaat ligt ergens tussen Underworld anno 1994 — herinnert u zich het geniale Dubnobasswithmyheadman nog? —, Four Tet en Pantha Du Prince. Al is "Scribble" hét ultieme prijsbeest van de plaat. Het is al jaren geleden, maar Underworld heeft eindelijk nog eens een hit geschreven. Een levenslustig anthem, als tegenhanger van het deprimerende "Born Slippy". De anders o zo flegmatieke Hyde klinkt energieker dan ooit tevoren — "And it’s okay, you give me everything I need" — en High Contrast injecteert een stevige portie liquid funk.

In al zijn gretigheid wordt de groep af en toe wel iets te overmoedig. Karl Hyde wou al altijd liever de geroemde popster zijn dan de anonieme danceknul achter de knoppen. Vergeefs, want op Barking loopt het opnieuw fout bij de nummers waar de controle verloren wordt, waar de synergie tussen instrumentatie en zang ontspoort. Zo is "Between Stars" platte dance die naar de stadionhouse van Faithless neigt en valt ook "Always Loved A Film" vrij banaal uit. Pas echt pijnlijk is het afsluitende "Louisiana", een tenenkrommende pianoballade waarin Karl Hyde zich even Jeff Buckley waant. Beschamend. Gelukkig wist de groep op de acht voorgaande nummers al de relevantie van Barking aan te tonen.

"Als oude honden blaffen, is het tijd om op te letten", gaat een oud Vlaams spreekwoord.
En zo is het maar net, want op Barking durft Underworld zichzelf opnieuw in vraag stellen, wat een dynamische plaat oplevert waarop een herboren groep te horen is. Soms verslikken de heren zich in al hun enthousiasme, maar het plezier is teruggevonden, en dat is wat wij onthouden.

Underworld stelt Barking voor op zaterdag 13 november, tijdens I Love Techno 2010.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × drie =