Cactus Festival 2010 :: Broeiend heet, loeiend hard

Alsof het weer zich aanpast aan de festivalzomer, was de 29e editie van het Cactusfestival heet, zeer heet, met een afkoelende zomerbui/regendans netjes over de helft geprogrammeerd. De hitte veroorzaakte overwegend lome reacties aan beide kanten van het podium. Deze editie was er dus een met weinig verrassingen, karige hoogtepunten en gezapig gekeuvel.

Cactusfestival is het ideale festival voor dertigers die het leven gulzig aan het opslurpen zijn. De ideale plek om met oude bekenden de miserie met de bouwaannemer op te rakelen of de zwangerschapskwaaltjes te bespreken, terwijl de huidige kroost driftig bekers aan het verzamelen is. Dat Cactusfestival door Ovam uitgeroepen is tot voorbeeldfestival voor het milieu is te danken aan die kinderen die hun persoonlijke spaarpot spijzen door neurotisch (Ze graaien in vuilnisbakken! Ze eisen je halfvolle glas op!) drinkbekers op te halen. Cactusfestival verenigt het beste van Couleur Cafe (de cocktails! de multiculti-horeca!) en Dranouter (de teenslippers! de kinderanimatie!) en voegt daar jaarlijks een uitstekende affiche, een idyllische locatie en gezapige sfeer aan toe, deels door het behoud van slechts één podium, hiermee heen-en-weerverkeer vermijdend.

Zaterdag

Het is dus heet, op dag twee en drie. Het kwik stijgt moeiteloos boven de dertig graden, moeilijk voor een onbekend groepje als Little Dragon om op het heetst van de dag te overtuigen met… euhm… slaapkamer-r’n’b. Het liefje van José Gonzalez heeft zichtbaar moeite om zichzelf niet in slaap te wiegen. Nochtans zijn de twee platen van dit Zweedse project best interessant, dansbaar ook, maar de homemade beats, het handengeklap en de Michael Jackson/Prince-ripoffs zijn vooral in een sensuele bui werkbaar. Sensualiteit en seksualiteit zijn niet meteen aan de orde wanneer het zweet over onze rug gutst. Ook bij u niet, want u overstemt zangeres Yukimi Nagaro aan de lange bar met luid (West-Vlaams) geklets en tuurt beduusd naar Nagaro’s dwaze dansmoves.

Dan liever Black Mountain wier outfit (teenslippers, korte broek, Ray Ban-zonnebril) vrolijk met de snoeiharde muziek clasht. Alsof ze eens met Dinosaur Jr. willen lachen, zetten ze in minder dan een nummer tijd een gigantische muur van distortion op, met daarbovenop de zalvende, intrigerend vibrerende stem van zangeres Amber Webber. Hun psychedelische seventies rock lijkt op een boeiende armworsteling tussen Led Zeppelin en Queens Of The Stone Age. De zingende gitaarsolo’s van groepsleider/zanger Stephen McBean gieren boven gedecideerde basdrumslagen en Webbers hartverscheurende klaagzangen. Er wordt vooral uit In The Future (2008) geselecteerd, waaruit een monumentaal “Wucan”, op deze pagina’s ooit als “een sinister duet tussen een serial killer en zijn slachtoffer” omschreven. Maar ook nieuw werk, uit het in september te verschijnen album Wilderness Heart, weet zonder veel poeha te overtuigen. Armworstelpartner Queens Of The Stone Age wordt voor deze plaat schijnbaar ingeruild voor Black Crowes. De intentieverklaring blijft dezelfde: schroeiende koortsdromen waarvan weglopen zelfs geen noodzaak is. Afsluiter “Stormy High” blijft nog een paar uur nazinderen.

Alvast doorheen de set van Jose James, tenminste. Sommige krantenjournalisten geven hem blindelings, nog vóór de man zelfs maar een noot heeft gezongen, het maximum aantal sterren, maar onze ogen gaan spontaan aan het rollen wanneer dit machotype met rapmoves het podium beklimt. De eindeloze skats boven de gladde jazz die hem geserveerd wordt, zijn op zijn best vermoeiend. “Don’t forget what my name is”, zegt de man wel twintig keer. Wel, graag eigenlijk. En graag snel ook. Met een Dafalgan of twee. De muzikanten spelen ongetwijfeld voortreffelijk maar vinden zichzelf ook zichtbaar het einde, wat de goesting om hiernaar te blijven kijken aantast en ons interessantere oorden doet opzoeken. De horecastandjes bijvoorbeeld.

Om daarna te belanden in het moment van de dag waarop er traditioneel gedanst! moet! worden! Vorig jaar werd Babylon Circus in deze rol geduwd. Dit jaar zijn Balkan Beat Box en Seun Kuti & Fela’s Egypt 80 (morgen) de feestpaardjes van dienst. Balkan Beat Box, een Israëlisch collectief met een ex-Gogol Bordello-lid als stichter, klaart die klus in een mum van tijd. De vaste ingrediënten Mano Negra, grieten op het podium en — vaneigens — Balkanmuziek staan garant voor een geslaagd dansfeestje. Om nadien nog eens richting horeca af te druipen, tenzij u écht zat te wachten op de voorspelbare comeback van K’s Choice.

Broer en zus Bettens doen wat ze al sinds onze puberteit doen: ongevaarlijke poprock met dubieuze teksten afvuren. Het gros van het materiaal komt uit het pas verschenen album Echo Mountain, maar uiteraard kan K’s Choice niet om hits heen als “Another Year”, “Cocoon Crash” en het onvermijdelijke “Not An Addict”. Toch komen ze nooit echt op gang en dat hebben ze grotendeels aan zichzelf te danken. Het publiek dertigers lijkt teksten als “16 for good/16 forever” (“16”) en het daaropvolgende “Stuffed animals are always right” (“Butterflies”) niet meer te pikken. Bovendien bissen ze quasi ongevraagd met een mak en langdradig “God In My Bed”. “Ja-haa” roept u verveeld, daar aan de lange bar.

Want u was tenslotte voor Elvis Costello naar Brugge afgezakt. Toch? De grijns is met geen stokken van ‘s mans gezicht te slaan en wordt nog breder wanneer de regen met bakken uit de lucht komt vallen. Begeleid door dobro, accordeon en viool gaat Costello vanavond ongemaskeerd de country- en bluegrasstour op. Opener “Complicated Shadows” (uit het prachtige All This Useless Beauty uit 1996) spreidt Costello’s talent en spelplezier als een knus dekentje uit. Met enkele nummers later het vakkundige weefwerkje “New Amsterdam” met de Beatlescover “You’ve Got To Hide Your Love Away”. Een magistraal “Good Year For The Roses” doet ons fantaseren over hoe Richard Hawley deze song aan de man zou brengen, terwijl een spitant “Brilliant Mistake” het startsein voor de stortbui geeft. Ook tien op tien voor uw creativiteit bij het zoeken naar schuilmiddelen. Zo zien we hoe sponsorspandoeken perfect als collectieve regenponcho kunnen dienen. Ondertussen geeft Costello een nieuw kleedje aan de klassieker “Everyday I Write A Book”, waarvan de woorden (“Don’t tell me you don’t know what love is / When you’re old enough to know better / When you find strange hands in your sweater”) nog steeds niets van hun kleur hebben verloren. Ook “I Want You” krijgt een nieuwe, verschroeiende versie. Wanneer Costello er met Rolling Stones-cover “Happy” mee ophoudt, betekent dat meteen ook het einde van de bui.

En het begin van een massale aftocht naar de uitgang en een droog bed. Diegenen met voldoende moed pikken nog snel het zoveelste optreden op Belgische bodem van funkmachine Jamie Lidell mee. De man stond eerder op de avond nog als voorprogramma van Prince op Werchter en waande zich klaarblijkelijk ook in koninklijke milieus. Lidell is een waar showbeest geworden, getuige hiervan nummers als “Wait For Me” en “I Wanna Be Your Telephone”, maar wanneer hij het, als staartje van dit nummer, twintig minuten lang op een beatboxen en een draaien aan allerhande knopjes zet, gooien wij de handdoek in de ring. Dat we hierdoor hits als “Another Day” en “Multiply” moeten missen, nemen we er maar bij.

Zondag

Het is opnieuw warm op dag drie, de slotdag. Alela Diane werkt in de blakende zon braaf haar setlist af, maar is duidelijk verveeld. Zelfs wij, fan van het eerste uur, hebben moeite om haar aanwezigheid bij ons gezelschap te verdedigen. Alleen begeleid door haar vader, zonder backing band, ontbreekt het de folkzangeres uit Nevada City aan kracht en overtuiging. De nieuwe nummers duikelen meteen de vergetelheid in en oude favorieten als “Tired Feet”, “Oh My Mama” en “My Brambles” worden geroutineerd en uitgeblust afgewerkt. Gun haar de komende twee jaar wat rust en het komt wel weer goed.

Slapen in de volle zon is gevaarlijk. Heavy Trash, het hobbygroepje van Jon ‘rrrrrrrr’ Spencer, zorgt daarom voor de ideale wake up call met cartooneske rockabilly en in oude wijnvaten residerende rock-‘n-roll. Het sexy diertje rijgt het ene tweeminutennummer na het andere aan elkaar en zet alle muzikanten beurtelings in de verf met een gepast, nooit langdradig solootje. Aardig, aardig, vooral om naar te kijken.

Waarna het klassieke “dansen of bikken?”-moment zich aankondigt. Seun Kuti adopteerde Egypt 80, de begeleidingsband van vader Fela, en maakte in 2008 het volprezen album Many Things. Aanstekelijke afrobeat met loeiende kopers en het kronkelende blote bovenlijf van de frontman alom! Op het gevaar af oneerbiedig over te komen, lijkt hun performance op langgerekte uitvoeringen van slechts twee verschillende nummers. Die eentonigheid jaagt ons over de brug. Daar bevinden de horecastandjes zich namelijk.

Om ruimschoots op tijd terug te keren voor de professionele maar passionele show van Admiral Freebee. De man laat zich tegenwoordig omringen door rasmuzikanten als Björn Eriksson en Flip Kowlier en dat werpt lekkere vruchten af. De band speelt perfect, Tom Van Laere zelf verliest zichzelf af en toe in gitaarsolo’s waar liefde en passie van afdruipen. Wanneer hij zegt: “I say to my lawyer: ‘Lawyer, she can have anything from me: my clothes, the house, my guitars. But she will never get that feeling I have when I play the guitar’” klinkt hij als een pastoor die we geloven. Admiral Freebee brengt voornamelijk werk uit de nieuwe plaat The Honey And The Knife, waarvan het verslavende “Always On The Run” het effect heeft van “Dos Cervesas Por Favor”, uren na het optreden. Maar ook een stil “Rags N Run” passeert de revue. Tom Van Laere toont hoe begeesterend rock van Belgische bodem kan zijn. De horecaruimte was een uur lang bijna helemaal leeg.

Niet zo voor Tori Amos, die zo haar voor- en tegenstanders heeft. De voorstanders zijn beate volgelingen die al sinds de ochtend de voorste rijen bezetten. Amos’ overacting en recente goedkope (lees: vulgaire) makelij spelen dan weer in de kaarten van de tegenstanders. Bovendien is de WK-finale voetbal op dit eigenste moment aan de gang. Amos draagt een oranje polsbandje, ze steunt haar Nederlandse klankman, zo klinkt het. Solo, traditioneel wijdbeens gezeten tussen een Bösendorfer-piano en een orgel, toont ze zich in festivalmodus erg meegaand, haast normaal en oprecht. De ballast die haar zaalshows meer dan eens vergiftigen wordt overboord gegooid. Een Tori Amos voor beginners, maar een regelrechte verademing. Bovendien bevat de setlist niets van haar gruwelijke laatste twee of drie platen, de meest recente nummers zijn opener “Bouncing Off Clouds” en “Beauty Of Speed” uit American Doll Posse (2007). Daarenboven verblijdt ze met een handvol uit haar debuut Little Earthquakes (1993), waaronder “Crucify”, “Leather”, “Precious Things” en “Girl”. Alle respect voor het lief, maar het is heerlijk om nog eens ongegeneerd “So you can make me come that doesn’t make you Jesus” te schreeuwen. En maar liefst vier covers krijgen we op ons bord! “Smells Like Teen Spirit” is een oude liveklassieker en ook “Love Song” van The Cure deed ze al eerder (in de Lotto Arena dit jaar zelfs). Maar Depeche Modes “Personal Jesus” is nieuw en overtuigt, hoewel het nog niet naast de versie van Johnny Cash kan staan. En ook “I Feel The Earth Move” van Carole King hangt mooi vast aan afsluiter “Take To The Sky”. Tori Amos met bullshitdetector, het is een hebbedingetje!

Even twijfelachtig voor aanvang was de plaats van Macy Gray als afsluiter van het festival. De Minnie Mouse van de soul zat de afgelopen jaren meer met haar neus in het wit poeder dan degelijke songs uit te broeden, maar lijkt met de nieuwe plaat The Sellout weer van de partij. Wat ook blijkt uit de amusante, steeds groovende set, met dank aan haar talrijke muzikanten en haar twee geweldige achtergrondzangeressen die in hun oranje kleedje (slechte gok) en afrocoupe Gray net niet weten af te troeven. Gray is in vorm en speelt al vanaf opener “Kissed It” spelletjes met “all you sexy people”, het publiek dus. U (en, toegegeven, wij ook) doen van vraag en antwoord en “oo-ooh” en “loooove thing” en heeft daar, tussen het roepen van “waar zijn die Hollanders?” door klaarblijkelijk veel plezier in. Ook wanneer ze verrassend “Creep” van Radiohead inzet, klinkt het alsof het hele park op niets anders zat te wachten. Radiohead zelf speelt het nummer niet meer live, dus loopt Macy Gray met de pluimen weg. Slim gezien. Ook een prettig weerzien: oude hits “Why Didn’t You Call Me” en “Do Something”. Mooie ballad “I Still” wordt jammer genoeg verdronken in een snelle reggaeversie, waarna de stuivende ska van “Oblivion” wél prettig uit de hoek komt. Het feest wordt onstuimig afgesloten met “Sexual Revolution” versierd met stukken “Do You Think I’m Sexy” en “Groove Is In The House”. Om finaal uit te wuiven met een wiegend “Sweet Baby” en — de complete verrassing! — een cover van Arcade Fire! De collectieve “ooo-ooo-ooh”’s van “Wake Up” zitten boordevol liefde, vrede en begrip voor elkaar. Mooier kon een festival, dat stiekem deze drie kernwaarden vertegenwoordigt, niet afgesloten worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − zeven =