Erik Friedlander’s Broken Arm Trio :: 26 januari 2009, Vooruit

De Vooruit put al jaren uit het kruim van de New Yorkse downtown scène, dus de komst van Erik Friedlander’s Broken Arm Trio was dan ook een kwestie van tijd. De cellist liet nog maar eens horen dat hij zijn instrument beheerst als geen ander en op de proppen komt met muziek die even mooi als verrassend is.

Hij is vermoedelijk nog niet zo bekend als zijn vader (legendarische fotograaf Lee), maar Erik Friedlander is na een kleine twee decennia aan de frontlijn van de avontuurlijke muziek aardig op weg om een gevestigde waarde te worden. Sinds wijlen Tom Cora is er, met de mogelijke uitzondering van Hank Roberts, waarschijnlijk geen enkele cellist opgestaan wiens naam stilaan zo’n breed palet aan associaties oproept. Daarbij zijn het vooral de vele samenwerkingen met guru John Zorn die ’s mans werk kleuren. Luister bijvoorbeeld naar de releases van het Masada String Trio (met bassist Greg Cohen en violist Mark Feldman) of naar zijn solobijdrage aan de Book Of Angels-reeks (Volac), een hoogtepunt in het werk van uitvoerder én componist, om te horen wat een imposant niveau Friedlander in zo’n context haalt.

Voor het Broken Arm Trio wordt hij bijgestaan door bassist Trevor Dunn (o.m. Fantômas en een hele resem Zorn-projecten) en drummer Mike Sarin, die zich al in de kijker speelde aan de zijde van Myra Melford en Ben Allison. De naam is een verwijzing naar een verhaal over jazzbassist Oscar Pettiford, een beboplegende die na een baseballongeluk waarbij hij zijn arm brak noodgedwongen overschakelde op een cello. Die werd gestemd als een contrabas en enkel bespeeld met de handen. Het is een werkwijze die Friedlander ook toepast: pizzicato dus, en (bijna) geen gebruik van de strijkstok.

De gelijkenis met het werk van Pettiford zit hem dus eerder in de aanpak dan in de stijl. De bassist hield vooral vast aan het bebopidioom, maar dat is duidelijk een noemer die Friedlanders lading niet dekt. Door het virtuoze getokkel verschoof het geluid van zijn instrument soms naar dat van een gitaar, waarbij sommige thema’s zo weggeplukt leken uit de flamenco of de kamermuziek van Zorn. Die bewering klinkt misschien alsof het zou gaan om hoogdravende avant-garde, maar daar had het weinig mee te maken. Op een paar occasionele uitbarstingen na speelde het trio immers erg toegankelijke en vaak ronduit mooie en melodieuze muziek.

De drie plukten uit het titelloze debuutalbum (2008), maar pakten ook uit met een resem nieuwe songs, die allemaal aan elkaar gelinkt werden door eenvoudige, soms haast banale thema’s, die zo in romantische films of een of andere receptie hadden gekund. Dan zou je echter voorbijgaan aan de straffe constructies en finesse van de afzonderlijke songs. De interactie met Dunn was steevast erg vloeiend, waarbij die laatste zich van een volledig andere kant liet zien dan we gewoon zijn. Zijn spel was vaak ingetogen, soms stuwend en altijd functioneel, ver verwijderd van overbodige aanstellerijen of de geluidsterreur waar hij ook bekend om staat.

Even indrukwekkend en misschien wel de verrassing van de avond, was drummer Sarin, die zich manifesteerde als een veelzijdig en subtiel drummer van de Joey Baron-school. Stokken, brushes en handen werden aangewend om nu eens te accentueren en dan weer de songs te voorzien van een verfijnde swing. Hier en daar werd gespeeld met invloeden uit jazz, klezmer, roots en pop, al waren het vooral enkele melancholische stukken die indruk maakten. Zo was er een moment waarbij het bijna lieflijke getokkel van Friedlander vergezeld werd van prachtig arco werk van Dunn, wat leidde tot een filmisch hoogtepunt.

Het was geen concert van epateren, grote statements of emotionele rollercoasters. Het stelde de luisteraar ook niet bepaald voor een uitdaging. Anderzijds was het wel een heel erg mooi en pretentieloos staaltje van creatieve muziek, waarbij Friedlander zich toonde als een begenadigd muzikant, componist en bandleider.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht + elf =