Noisepop in 2009 – deel 1




Noisepop, lo-fi rock, rammelende punk, potige garage, vuile indie,
hoe u het ook wil noemen, er zijn dit jaar weer heel wat groepen
geweest die lak hadden aan gladde productie, strakke instrumentatie
en een radiovriendelijke sound. Het is een trend die al een tijdje
bezig is in het alternatieve muzieklandschap: steeds meer groepen
grijpen terug naar het rauwe doe-het-zelvergeluid van groepen uit
de jaren ’80 en ’90 zoals Dinosaur Jr., Sonic Youth, Sebadoh,
Pavement, Guided By Voices, My Bloody Valentine en vele anderen.
Vorig jaar trok No Age het genre definitief op gang met hun instant
classic ‘Nouns’, maar ook dit jaar waren er opnieuw een aantal
bands die wereldwijd ongetwijfeld weer heel wat moeders ertoe
aanzetten om hun zonen of dochters met aandrang te verzoeken om
“dat lawaai ne keer wat stiller te zetten” of te vragen of “de
geluidsinstallatie kapot is, misschien”.

Toch leunen het soort sympathieke noisegroepjes die ik zelf zo
graag zie passeren vaak opvallend in de richting van een
toegankelijker popgeluid dan hun grote voorbeelden van vorig
decennium. En daar is hoegenaamd niks mis mee. Speciaal voor u
zochten wij naar de meest opvallende releases die dit jaar over het
hoofd werden gezien in het genre van de rammelende pop, hier voor
de handigheid maar even samengebracht onder de noemer – we moesten
één van die termen kiezen, nietwaar – noisepop. Hard of zacht, snel
of sloom, commercieel of niet, het maakt niet uit, als het maar
verborgen gaat onder een gezonde laag distortion, rammelt als een
volleerde ratelslang of met haken en ogen aan elkaar hangt!

Clues: Clues * * * ½

Kijk daar, een zijproject uit de Constellation Records-stal dat de
moeite waard is! Bij god, de wonderen zijn de wereld nog niet uit.
En het gaat verder dan dat: Clues draait niet om deprimerende, van
treurende strijkers en politieke spoken words voorziene
postrock, maar wel om tureluurse indierock. De leden – oké, nu
wordt het echt bizar – hebben zelfs helemaal nooit bij Godspeed
You! Black Emperor gespééld! Akkoord, bassist Thierry Amar
(momenteel actief bij Silver Mt. Zion) is gastmuzikant en ook Lisa
Gamble van Hrsta mag even komen meedoen, maar Alden Penner en
Brendan Reed, de oprichters en enige vaste leden van Clues, hebben
zelf maar weinig te maken met Efrim Menuck en diens vrienden. Dat
werkt voorwaar als een frisse wind bij Constellation.

De twee komen immers uit fijne groepjes als The Unicorns (Penner)
en Arcade Fire (Reed); óók bands die opereren vanuit Montréal, maar
toch, het is eens iets anders. Aangezien Penner de belangrijkste
songschrijver van de twee is, klinkt Clues ook meer als de wild
anarchistische postpunk indie van The Unicorns dan als de grootse,
symfonische barokpop van Arcade Fire. Even goed als het vroege
Canadese indiemeesterwerk ‘Who Will Cut Our Hair When We’re Gone?’
wordt het niet, maar ‘Clues’ is wel een verfrissende plaat geworden
vol mystieke fladderpop en aanstekelijke artpop die soms wat doet
denken aan het geniale ‘Ships’ van Danielson. Of Clues in staat is
tot een adembenemend meesterwerk valt te betwijfelen, maar met hun
titelloze debuut hebben ze alvast wel een erg straffe popplaat
gemaakt – pop voor psycho’s, maar toch – die ons reikhalzend doet
uitkijken naar hun tweede worp.

www.myspace.com/cclluueess

Cymbals Eat Guitars: Why There Are Mountains * * *
½

Van alle groepen uit deze special is er geen een die het
slacker-ethos uit de jaren ’90 zo belichaamt als deze
Cymbals Eat Guitars. Vooral Pavement is nooit veraf op ‘Why There
Are Mountains’, hun gezellige debuut dat pas na een lovende
recensie op Pitckfork enige aandacht kreeg (en vervolgens door de
heren zelf in de lelijkste verpakking van het jaar werd gestopt).
En wanneer ik zeg dat Pavement nooit veraf is, bedoel ik eigenlijk
dat Pavement te allen tijde verdacht dichtbij is in de negen
aanwezige nummers. Dat hoeft echter geen minpunt te zijn, want
Cymbals Eat Guitars verstaat de kunst om een song op te bouwen en
maakte met ‘Some Trees (Merrit Moon)’ alvast het beste
Pavement-nummer dat niet door Pavement is geschreven in
járen.

Ook Sebadoh – wellicht de meest lo-fi groep ever – dringt zich af
en toe op voor een vergelijking. Daarbij heb ik het dan meer over
de DIY-ethiek die zo populair was in de jaren negentig. Do
it
gewoon yourself, want geluidskwaliteit is
onderschikt aan straffe songs. En straffe songs, die hebben ze wel
daar bij Cymbals Eat Guitars. Alleen valt het op dat de jongens uit
New York af en toe iets te veel willen doen; de nummers zijn
rijkelijk georkestreerd, maar af en toe bezondigt het viertal zich
wel aan overkill – nog een strijkertje hier, nog een keyboardje
daar! Ach ja. Baanbrekend, it is not, maar het is wél een amusant,
zeer verdienstelijk album van een beginnend, maar veelbelovend jong
groepje.

www.myspace.com/cymbalseatguitars

Deerhunter: Rainwater Cassette Exchange (ep) * * *
*

2009 was het jaar van Grizzly Bear, het jaar van Animal Collective
en het jaar van Flight of the Conchords, maar ook een beetje het
jaar van Bradford Cox. Met ‘Logos’ van Atlas Sound maakte hij een
van de platen van het jaar – een klein, breekbaar meesterwerk dat u
nú in huis mag gaan halen – en met Deerhunter zette hij de
winning streak die begon bij het briljante ‘Cryptograms’
vlotjes verder. Na ‘Microcastle’ van vorig jaar, volgens velen het
pièce de résistance uit zijn carrière, wandelt hij rustig
verder op het pad van de pop dat hij toen al was ingeslagen. Met
succes. ‘Rainwater Cassette Exchange’ is geen plaat die u
onverbiddelijk van uw sokken zal blazen, maar wel een 15 minuten
durende dijk van een ep die het beste doet verhopen voor de
toekomst.

Ep’s zijn zelden meer dan voorproevertjes voor albums die later in
hetzelfde jaar nog moeten verschijnen, maar gelukkig is ‘Rainwater’
meer dan dat. Toegegeven, het is geen essentieel materiaal dat
iedereen nu meteen zou moeten gaan oppikken in de dichtstbijzijnde
cd-winkel, maar als u daar dan toch bent om ‘Logos’ te gaan halen,
waarom zou u dit kleinood dan in de rekken laten staan? Cox klinkt
nog steeds alsof hij je toezingt van ver weg, met zijn zweverige,
lichtjes nasale stem en dat past perfect in zijn muzikale wereld.
Hoewel ‘Rainwater’ zonder meer toegankelijk is, behandelt hij
complexe thema’s en Zijne Magerheid toont vijf puike songs lang aan
waarom hij bekendstaat als een van de grootste talenten van de
indiewereld. Deze ep is iets te kort om echt te imponeren, maar
toont wel een grote groep op het toppunt van haar kunnen. Mark
my words
, die volgende van Deerhunter wordt weer absoluut
geniaal.

www.myspace.com/deerhunter

Japandroids: Post-Nothing * * * * ½

We used to dream/ Now we worry about dying/ I don’t want to
worry about dying.
” Je kan niet zeggen dat Japandroids hun
boodschap nodeloos ingewikkeld maken, maar, geef toe, het komt wel
áán. ‘Post-Nothing’, hun eerste langspeler, is verfrissend
ongecompliceerd, barst van de energie en bevat enkele
doodeenvoudige melodieën die ook ú binnen de kortste tijd
ongegeneerd zult staan meebrullen. Dit is een verdacht aanstekelijk
groepje dat nergens beweert meer te zijn dan het is: twee luide,
getalenteerde jonge muzikanten die pop en punk met elkaar verzoenen
en zich daar zichtbaar mee amuseren. Toch zit er ook meer in.
I don’t want to worry about dying,” zingen ze dus in het
geweltastische ‘Young Hearts Spark Fire’ en wanneer dat refrein
door de woonkamer knalt, moet je toch even slikken. Het wordt al
snel duidelijk, hoor: dit duo maakt ongecompliceerde muziek, maar
laat al snel z’n sporen achter. Het is muziek die ook iets met een
mens doét.

Japandroids is volgens Wikipedia een “garage rock band”, maar zelf
hoor ik vooral veel punk, veel distortion en heel veel lo-fi rock
van het soort dat men tegenwoordig no-fi placht te noemen. Of
misschien is het toch wel gewoon lekker voorbijrazende garage rock,
wie weet? Normaal houd ik al niet van hokjesdenken en hier gebruik
ik die termen ook alleen om u, als lezer, een beetje duidelijk te
maken hoe een groep klinkt, maar tijdens het schrijven van deze
special merk ik pas echt goed en wel hoe extreem alles wat met
indie te maken heeft, wordt opgedeeld in een eindeloze lijst
nietszeggende subgenres. Dus wat denkt u ervan als we gewoon zeggen
dat Japandroids vlijmscherpe, hoogst besmettelijke rock maakt met
een ontembaar enthousiasme? Jep, ‘Post-Nothing’ is een
onwaarschijnlijk coole plaat, maar ook een onverwacht meesterlijk
stukje popmuziek. Eentje voor de eindejaarslijstjes.

www.myspace.com/japandroids

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 4 =