Crossing Border :: 22 november 2009, Arenbergschouwburg

Voor de tweede keer probeerde Crossing Border afgelopen weekend voet aan wal te krijgen in Antwerpen. Met de touwtjes strak in Nederlandse handen serveerde het festival een puike affiche waar muziek en literatuur elkaar de hand reikten. Jammer dat headliner Monsters Of Folk een te lange aanloop nodig had om zijn status van supergroep te bevestigen.

Maar wacht eens? Hadden we al geen festival dat literatuur en muziek verzoent? En toch is dit De Nachten niet. De gangen van de Arenberg zijn geen place m’as-tu-vu vol opzichtig geflaneer van mensen die eigenlijk te hip zijn voor een donkere zaal. Met een luik rond LOOPs, een nieuw tijdschrift rond muziek en schrijven, heeft de groep alvast een boeiender literair programma dan het festival in De Singel en ook muzikaal zit de vinger aan de juiste pols.

Zo is de doortocht van Mumford & Sons een aangekondigde overwinning, iedere radioluisteraar kent namelijk "Little Lion Man" al. Ruim een half uur voor aanvang zit de kleine zaal dan ook al aangenaam vol. Maar ook na het hitje, dat al snel wordt gelost, blijft de band boeien. Frontman Mumford heeft een stem die klinkt als licht aangebrande toast maar zingt loepzuiver en legt samen met zijn ’zonen’ een enorm spelplezier aan de dag. Met knappe songs als "White Blank Page" en "The Cave" nestelt de Londense band zich comfortabel tussen de samenzang van Fleet Foxes en de melodieën van Beirut. Ongetwijfeld te verwachten volgende festivalzomer.

Vervelende overlappingen is één van de kinderziektes die deze eerste editie kenmerken. En dus zijn we maar net op tijd om in de grote zaal nog enkele nummers van The Low Anthem mee te pikken. Het trio, dat voor de gelegenheid vergezeld wordt door een extra gitarist, lijkt tijdens die paar songs een stuk minder in vorm te zijn dan bij de vorige Belgische passage. Dat valt vooral op tijdens een suffe, platte countryrockversie van "The Horizon Is A Beltway" (toegegeven, sowieso al niet het meest verfijnde moment van de plaat), een nummer dat in de AB nog niet op de setlist stond, en er in deze variant liefst zo snel mogelijk weer af gegooid mag worden. Een en ander wordt nog wel goed gemaakt door een kippenvel opwekkend "Cage The Songbird", maar de echte ontroering blijft uit. Herkansing op de Duysteravond in januari dan maar?

Maar was er niet ook literatuur? Juist, en dat via een omwegje langs de fotografie om te beginnen: legendarische rockfotograaf Kevin Cummins heeft immers de vele foto’s die hij de afgelopen dertig jaar van de rockscene in Manchester trok in een boek gebundeld. Voor Crossing Border stelde hij uit dat materiaal een film samen op een soundtrack van Graham Massey, waarin de evolutie van doemerige newwave over indie naar de drugsfeestjes van Madchester netjes doorschemert. Achteraf volgt nog een vlot gesprekje met muziekjournalist Paul Morley, waarin Cummins met veel verve de ideeën achter zijn beelden uitlegde. Dat hij dat met zoveel passie voor Manchester doet, zorgt ervoor dat je achteraf zin krijgt om in één ruk de hele Factorycatalogus er door te jagen en stante pede naar het grauwe oord te verhuizen.

Nog meer literatuur in The Hideout met Suze Rotolo, die u waarschijnlijk vooral kent als dat meisje op de hoes van The Freewheelin’ Bob Dylan. Dat meisje is ondertussen een vrouw van 66 geworden die kan terugkijken op een goedgevuld leven. In de jaren ’60 maakte ze deel uit van de scene rond het New Yorkse Greenwich Village, en over die tijd schreef ze het boek A Freewheelin’ Time: A Memoir Of Greenwich Village In The Sixties. Daarin gaat het uiteraard óók over Dylan (de cover van het boek zegt wat dat betreft genoeg), maar interviewster Kristien Hemmerechts lijkt te vergeten dat er ook meer was dan enkel die relatie. "Was he… a sexy man?" vraagt ze, en ze giechelt erbij als een ondertussen behoorlijk overjaarse puber. Wat een boeiend relaas van een bijzondere periode had kunnen worden, verzandt dankzij het dweperige gedrag van Hemmerechts in oppervlakkige praatjes. Wanneer ze vervolgens ook nog de feministische toer opgaat, wordt het hoog tijd om andere oorden op te zoeken.

The Continental Upstairs bijvoorbeeld, waar Jim White mag aantreden, een man die met zijn rode truckerspet bezwaarlijk van feministische neigingen verdacht kan worden. "Everyone knows me for my sad songs, but I’m not sad anymore," klinkt het, en we zullen het geweten hebben: White doet dolle spelletjes met het publiek ("You like my shirt? Pass it around, we’re gonna have an auction for my shirt!"), schudt anekdotes over vrouwen en strandballen uit zijn mouw alsof het niets is en speelt tussendoor zowaar ook nog goede nummers (zelfs als ze gebaseerd zijn op Amsterdamse draaiorgels). White doet daarbij soms denken aan een meer rootsy variant van de cynische vrolijkheid van Eels, maar slaagt er evengoed in om met gitaar, stevig stampvoeten en een loopstation heerlijk rammelende country voort te brengen. Moeilijk in een vakje te stoppen dus, deze Jim White, en net daarom een ideale act voor een festival als Crossing Border.

The big book of losers

Net zoals Mumford & Sons zijn The Antlers voor het eerst op Belgische bodem. Met Hospice stuurden ze eerder al één van de meest indrukwekkende platen van 2009 voorop, wat niet ten onrechte enige verwachtingen schept voor vanavond. Het nieuwbakken trio uit Brooklyn kwijt zich met verve van haar taak en hoewel de band niet genoeg tijd heeft om de ganse conceptplaat te brengen, blijft het verhaal intact. Het enige jammer punt is dat een gelaagde plaat die met drie wordt gebracht, compromissen vraagt. Zijn blaasinstrument laat Cicci thuis en de prachtige trompetpartijen in bijvoorbeeld "Sylvia" worden met de stem opgevangen. Na de gebalde versie van "Wake" zijn we echter de laatste om te klagen.

Hoewel James Yorkston met Folk Songs een prachtige folkplaat gemaakt heeft, blijft de Continental Upstairs akelig leeg tijdens ’s mans korte optreden. De minimale folk die Yorkston solo brengt, kan op weinig bijval rekenen, en Yorkston gedraagt zich er ook naar: met zijn niet altijd even geslaagde verhaaltjes en onderbrekingen lijkt hij nog het meest op een Schotse lad die om vier uur ’s ochtends het podium van de plaatselijke pub beklimt om zijn — niet bijster interessante — ding te doen. Pas bij afsluiter "Steady As She Goes" weet Yorkston zich te herpakken en maakt hij indruk met zijn warme gitaarspel, maar dan is het kalf al verdronken: het publiek heeft zich al teruggetrokken in de bookshop en de bar, en Yorkston lijkt niet snel genoeg weg te kunnen zijn om hetzelfde te gaan doen.

Nog wat rockjournalistiek? Ze komen wat rockjournalisten betreft niet flamboyanter dan de Brit Nick Kent, die al sinds de prille jaren zeventig actief is. Hij had zowel Syd Barrett, Nick Drake als The Rolling Stones voor zijn microfoon, en raakte van de weeromstuit verslaafd aan heroïne. Nu, jaren na zijn afkicken, is er de heruitgave van zijn sterke boek "The Dark Stuff" (officieus ook wel "Nick Kents Big Book Of Losers" genoemd), waarin hij een scherpe tekening van de zelfdestructieve rockster pent aan de hand van indringende portretten. Van Brian Wilson tot Kurt Cobain; over elk van hen heeft Kent een verhaal.

Erg jammer dan ook dat het interview met de man slechts een half uur duurt. Je merkt dat de man slechts traag op gang komt, maar uitgever/interviewer Lee Brackstone houdt onverbiddelijk de klok in het oog en jaagt de themata er dan ook op een drafje door. Jammer, want zo is er weinig ruimte voor de vele anecdotes die Kent met graagte opdiept. Wachten tot Kents autobiografie Apathy For The Devil volgende maart uitkomt, dan maar? Dat zal ook wel wat de bedoeling zijn geweest.

Steve Earle is een man naar ons hart. Niet dat we het ooit in ons hoofd zouden halen om maar liefst zeven keer te trouwen, maar het eerbetoon aan zijn overleden mentor Townes Van Zandt (’s mans laatste plaat heet dan ook gewoon Townes) kan unaniem op onze bijval rekenen. Vanavond brengt hij in zijn eentje een mix van eigen werk en Van Zandt-covers zoals "My Old Friend The Blues" en het onvermijdelijke "Pancho & Lefty". "City Of Immigrants" wordt opgedragen aan de Koreaanse Delhi-uitbater in zijn straat die tegenwoordig beter Engels en Spaans praat dan hijzelf, opgegroeid in occupied Mexico, Texas. Earle plukt en stampt zich een weg naar een sterke finale waarbij "Copperhead Road" de kroon op het werk is. Tijdens zijn enige stop in België bewijst hij nog maar eens wat voor een geweldig artiest en verteller hij is. Hulde!

Laura Marling is een klein, bleek en tenger meisje met armen die dunner zijn dan die van haar gitaar. Meer nog dan een verkwikkende vakantie aan zee wensen we haar vanavond een publiek toe dat uit meer bestaat dan de wachtlijst voor Monsters Of Folk, waar de zaal volzet is. Bijgestaan door een celliste lokt ze het vijftigtal aanwezigen tot tegen het podium om net boven het geluid van de foyer uit te komen. Voor dit deel van het goddeauteam geen Monsters, maar mooie melodieën zoals "My Manic and I", die ons allesbehalve nachtmerries zullen bezorgen. Slaapwel Laura en denk eraan: weinig gewonnen zieltjes zijn nog altijd gewonnen zieltjes.

Marathonconcert

Eigenlijk had Monsters Of Folk best een veel grotere zaal als het Cirque Royale kunnen vullen, en het optreden in de knusse grote zaal van de Arenbergschouwburg voelt dan ook als een exclusiviteit aan. Met de supergroep rond Conor Oberst (Bright Eyes), M Ward, Yim Yames (My Morning Jacket) en Mike Moggis (het andere creative brein in Bright Eyes) had Crossing Border dan ook een headliner van formaat.

Toch in naam. Want om eerlijk te zijn viel die debuutplaat deze herfst toch wat tegen. Nergens is de som meer dan de delen, en erger nog: geen van de drie heren lijkt echt zijn sterkste werk hier uit te spelen. Om eerlijk te zijn voelt Monsters Of Folk na zijn solo-uitstapjes met The Mystic Valley Band ook vanavond aan als nog maar eens een excuus voor Oberst om niet als Bright Eyes bezig te moeten zijn. Nochtans zijn het nummers van dat alias – "Soul Singer In A Session Band", een kaal "We Are Nowhere And It’s Now" – die van bij de start wat energie in het optreden krijgen.

Natuurlijk is dat wat gechargeerd. Dit draait net zo goed om Ward en Yames (wat is er met het nochtans nog steeds puike Jim James gebeurd?). De twee krijgen ook hun uitgebreide solospotjes, en vooral van My Morning Jacket worden heel wat nummers opgepikt. Dat dat helaas niet echt de sterkste zijn, helpt echter niet om van dit marathonconcert een boeiende zit te maken. Een uur ver blikken we al eens verveeld op de klok. Tot er dan weer eens even beterschap lijkt in te zitten met "At Dawn" of "Bermuda Highway"; Jamesnummers die dan toch even voorzicht het vuur aanwakkeren dat hier doorgaans op een veel te laag pitje zit.

Al te vaak blijkt immers dat de heren zich collectief hebben vastgereden in het drijfzand van de pastiche. Ongeveer tegelijk hebben Oberst en Ward een punt bereikt waarop hun songschrijfkunst niet langer aangevuld wordt met wat stijlkenmerken uit folk of country, maar waar die genreoefeningen als "The Right Place" de essentie zijn geworden. Vooral Ward lijkt met die poses van een rock-n-roller uit de jaren vijftig vooral te betreuren dat hij niet zestig jaar eerder werd geboren. Dit is retro zonder meer, en daarom weinig boeiend.

Goeie nummers worden te spaarzaam over de uitgerekte set verspreid, al is het mooi om te zien hoe weinig ego hier komt kijken. Elk van de songschrijvers zet met plezier een stapje terug om zich in de schaduw ten dienste te stellen van de ander. Want als er één ding is waar we niet op willen afdingen, dan wel het speelplezier van de vier, aangevuld met drummer Will Johnson – als songschrijver bij South San Gabriel en Centro-Matic op zich ook al een folkmonster en hij mag dan ook een nummer spelen.

Met James’ "Smokin’ From The Shootin’" komt er dan toch beweging. Het nummer krijgt een overtuigende finale van de band, die meteen met hetzelfde elan in "Hit The Switch" van Bright Eyes vliegt. En dan barst de bom. "Losin Yo Head" klinkt met die honkytonkpiano van Ward alsof het tussen het beste van The Rolling Stones thuishoort, "At The Bottom Of Everything" is het magische moment waarop duidelijk wordt waarom Oberst zowat de beste songschrijver van zijn generatie is, en duidelijk een paar maatjes groter dan zijn kompanen.

En toch waren die drie kwartier dat de mayonaise pakte niet genoeg om de twee uur verveling vooraf te rechtvaardigen. Met een beknoptere setlist had dit een veel sterker concert kunnen zijn. "Sorry for everything", mompelt Oberst een tweetal keer. Als hij belooft om, nu hij opnieuw met Moggis samenspeelt, Bright Eyes opnieuw van stal te halen, is het hem vergeven.

In Nederland is Crossing Border uitgegroeid tot een meerdaags festival. Dat er volgend jaar een nieuwe editie volgt in de Arenberg is niet de vraag, wel hoe snel het hier zal groeien. Uit inschattingsfoutjes zoals de files aan bar en catering kan alleen maar geleerd worden. Want voor dit festival is duidelijk een markt: Nederlanders die dichter bij Antwerpen dan bij Den Haag wonen, dertigers en veertigers, mannen met hoeden en vrouwen in kleedjes. In aangename omstandigheden met een mojito of FairTradesoepje ter hand de geest verwennen, het is een kolfje naar de hand van de meerwaardezoeker. De Nachten zal volgend jaar met een verdomd sterk programma voor de dag mogen komen, of het zal snel een afgelopen verhaal zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 7 =