Thee Oh Sees :: Help

Is het storend wanneer een groep uit een hoop vaatjes tapt? In veel gevallen natuurlijk wel omdat er de minder nobele bedoeling achter schuilt om commerciële pop te maken, wat meestal trouwens eveneens in het resultaat hoorbaar is. Met Thee Oh Sees komt u echter in een totaal ander universum terecht, want het combo gebruikt popinvloeden om er geloofwaardige, psychedelische rock-‘n-roll mee te maken.

Welk soort muziek moet een muziekliefhebber tegenwoordig zoal missen? Er is bijvoorbeeld een schrijnend gebrek aan een alternatief voor het gapende gat dat Talking Heads heeft nagelaten, er is bovendien geen waardige opvolger voor Pixies en zelfs R.E.M. kan men al lang geen echte rock meer noemen. Wat als wij u nu eens onthulden dat er een echte rock’-n-roll-groep bestaat met een uitgesproken voorkeur voor zulke groepen? Wij zouden niet eens liegen, want met het Californische Thee Oh Sees krijgt u ze allemaal wel op een of andere manier op uw bord.

Wat met opener “Enemy Destruct” echter meteen het meest opvalt, zijn The Oh Sees’ grillige vocals. Het is hieraan dat de groep zijn Talking Heads-referentie dankt. John Dwyer komt met zijn afstandelijke zangstijl namelijk heel vaak in de buurt van Talking Heads-zanger David Byrne. Een referentie die door de surrealistische lyrics van “Go Meet The Seed” nog meer in de verf komt te staan. Het grote verschil tussen Talking Heads en een groep als Thee Oh Sees is echter dat u zulke fantasietjes bij Thee Oh Sees achter een heuse muur van geluid à la The Jesus And Mary Chain moet gaan zoeken.

Een soortgelijke bedenking kan men maken bij “Flag In The Court”, waarin het geluid van Thee Oh Sees dat van het rijper wordende R.E.M. van het einde van de jaren tachtig benadert: het kost totaal geen moeite om je het nummer in een propere Michael Stipe-versie in te beelden, tenminste als je over genoeg fantasie beschikt om het ruwe indierockkantje even weg te denken.

Dat Thee Oh Sees met Pixies vergeleken wordt, heeft op zijn beurt alles te maken met Petey Dammit’s vlijmscherpe gitaarpartijen. Dat leidt in combinatie met Dwyers’ labiele stem namelijk heel vaak tot unieke nummers waarbij je spontaan even de credits wil nakijken om je ervan te vergewissen dat er geen Francis Black of Kim Deal in voorkomt. Dat is bijvoorbeeld het geval met “Ruby Go Home” omdat het niet alleen qua vocalen en gitaarspel op Pixies gelijkt, maar bovendien even inventief begint als een gemiddelde Pixies-track.

Met zoveel referenties krijg je uiteraard niet de indruk dat Thee Oh Sees een bijster originele band is, maar het tegendeel is evenmin waar. Het hoofddoel bestaat er immers in om mind blowing rock-‘n-roll te maken en wanneer je in een nummer als “Meat Step Lively” een psychedelische panfluit hoort passeren, ben je er wel helemaal van overtuigd dat het combo dat doel met veel overgave nastreeft. Het risico op net iets te zwaar doorwegende invloeden ligt weliswaar voortdurend een beetje op de loer, maar als bij wonder weet de groep toch altijd net genoeg afstand te bewaren.

Dat resulteert in een plaat waarmee Thee Oh Sees zich voorlopig in ieder geval knus in garageland kan settelen. Daar wacht Thee Oh Sees een publiek dat zich reeds met een coherente sound tevreden kan stellen. Een eventuele volgende stap? Graag nog krachtigere nummers, waardoor de band zich uiteindelijk van zijn kroonreferenties zou kunnen loskoppelen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + 18 =