The Black Keys :: 23 november 2008, Vooruit

Al vijf platen lang heeft The Black Keys een patent op smerige, ongepolijste en oorverdovende blues. Voor het dit jaar verschenen Attack & Release kroop zowaar Danger Mouse (het creatieve brein van Gnarls Barkley) achter de knoppen, met een gierende groeiplaat als resultaat. Zondag kwam The Black Keys de nieuwe songs voorstellen in de Gentse Vooruit.

Eerst moest echter voorprogramma Liam Finn doorworsteld worden: een zangeres met twee enorme talenten, waartoe een aangename zangstem helaas niet behoorde, en Liam Finn zelve wiens enige claim to fame is dat hij Crowded House-boegbeeld Neil Finn als pa mag aanspreken. Al zou hij ook een parallelle carrière kunnen opbouwen als imitator van Dan Dority, het schoothondje van Al Swearangen (die op zijn beurt een prima Balthazar Boma neerzet) in de cultserie “Deadwood”. De truc met het loopen is aardig voor even, maar geen half uur lang en niet kriskras door elkaar. En wat is er in godsnaam mis met in de juiste toonaard zingen?

Nee, dan koesterden wij hogere verwachtingen voor dat andere Amerikaanse tweetal: Dan Auerbach (stem, gitaar) en Patrick Carney (drums), samen The Black Keys. Na vier platen vol modderige blues on eleven trekt dit taaie tweetal uit Ohio op Attack & Release, onder invloed van producer Danger Mouse, voorzichtig enkele nieuwe registers open: banjogeriedel hier (“Psychotic Girl”), funkinslag daar (“Oceans & Streams”), en bovenal een moderne en meer afgewerkte productie. Voorzichtig, want Attack & Release klinkt nog steeds vintage The Black Keys.

In tegenstelling tot op plaat echter geen tierlantijntjes op het podium. Geen banjo-intro bij “Psychotic Girl” (we hadden ons nochtans op het beeld verheugd), laat staan piano-intermezzo of spookachtige vrouwenstemmen, en “Oceans & Streams” werd zelfs helemaal op stal gelaten. Zondag hoorden we The Black Keys zoals ze op hun best moeten klinken: ongewassen, zeg maar punk, primitief en vooral oorverdovend luid.

Met de drums pontificaal vooraan en Auerbach als een woeste wildeman ernaast, straalde The Black Keys meer kracht en energie uit dan veel vier- of vijfkoppige bands. Songs waarbij de tekst vaak al na twee minuten op is, gelardeerd met imposante bruggen en weinig verrassende doch indrukwekkende stop-start trucjes. Alsof Seasick Steve, Triggerfinger en John Spencer elkaar in een doorzopen nacht tegen het lijf lopen. Een duivels duo, quoi.

In iets meer dan een uur tijd stoomden The Black Keys doorheen hun ganse back catalogue. Uit Thickfreakness werd “Set You Free” geplukt, uit chef d’oeuvre Rubber Factory kregen we onder meer een machtig “All The Hands Against His Own” en “Girl Is On My Mind” voorgeschoteld. Magic Potion op zijn beurt vaardigde “Your Touch” af. Captain Beefheart-cover “I’m Glad” toonde dan weer dat The Black Keys het ook meer ingetogen kunnen, maar haalde dan weer vooral de vaart uit het optreden.

Nieuw en oud materiaal losten elkaar zondag naadloos af. Vielen pakweg “Strange Times” en “I Got Mine” nog iets te licht uit in vergelijking met oude krakers als “Stack Shot Billy”, dan stonden “Lies” (“I got a stone where my heart should be/and nothing I do will make you love me”), “Same Old Thing” en bisser “Psychotic Girl” integendeel moeiteloos hun mannetje tussen het oudere werk.

Een optreden van The Black Keys is inderdaad weinig origineel, maar hey: The Black Keys een gebrek aan vernieuwing aanwrijven, is als zeggen dat “Top Gear” niet alleen een geweldig maar vooral erg milieuvriendelijk televisieprogramma is. Enfin, u snapt het wel. Hail hail rock’n roll!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 − een =