Sigur Rós :: 16 november 2008, Vorst Nationaal

Sigur Rós in Vorst? Wie het enkele jaren geleden voorspeld had, zou toen ongetwijfeld rare blikken hebben geoogst, maar zo ver staat de band tegenwoordig wel. Een vlekkeloos concert werd het evenwel niet, want nog steeds lijken de groepsleden niet helemaal grip te hebben op de grote schaal waarop ze opereren. Dan maar een stuk subtiliteit achterwege laten bleek alvast niet de juiste optie.

Het is ook vreemd hoe de IJslandse band er in geslaagd is om over de laatste drie jaar uit te groeien tot een grote act die overdag de radio haalt en een breed publiek kan aanspreken dat gaat van kinderen (die waren er vanavond, echt waar) tot al wat ouderen. Dit is al lang niet meer hét koestergroepje van een kleine schare hipcats, en zo hoort het ook. De muziek van Sigur Rós had altijd al die universele aantrekkingskracht, met hun vijfde plaat Með suð I eyrum við spilum endalaust kwam het er ook eindelijk uit.

Na tien jaar toeren is Sigur Rós een sterke live-groep geworden, maar deze toer doen ze dat voor het eerst sinds lang als viertal, zonder de strijkersmeisjes van Amiina. Is dit dan back to basics? Eerder voelt het als Sigur Rós-voor-dummies: herleid tot de essentie, de basiskenmerken zonder al te veel nuance. Een slecht concert? Absoluut niet, maar Sigur Rós speelde puur op kracht, en dan klonk alles al eens te goedkoop.

Zo vinden we het behoorlijk knap hoe "Við spilum endalaust" op plaat als één van de beste nog niet verschenen U2-nummers van de laatste jaren klinkt, maar wanneer we vanavond bij dat nummer en bij "Inní mér syngur vitleysingur" — die andere popsingle — aan Coldplay moeten denken, weten we dat er ergens een grens richting gemakkelijk publieksbehagen is overgestoken.

Neen, dan was de manier waarop het concert opende met oude nummers als "Sven-G-Englar" en "Ny Batteri" een stuk beter. Dit is Sigur Rós zoals het in 1999 aan het venster kwam piepen: met lange soundscapes, onbegrijpelijk gezang en tonnen sfeer. Van de notie popmuziek was toen nog geen sprake, behalve in het ironisch getitelde "Popplagið/The Pop Song" dat ook vanavond opnieuw de vaste en wat voorspelbare afsluiter was. We vragen ons af waarom Sigur Rós al jaren blijft zweren bij dat nummer om haar optredens mee te eindigen, als wat voorafging al lang niet meer aansluit bij de duisternis die dat nummer ooit omgaf en het bijgevolg ook niet meer die indruk maakt die het moet nalaten.

De zwaarte die dat laatste nummer niet langer heeft, vonden we vanavond wel bij "E-Bow", het duistere hart van de set dat nog eens herinnert aan het getormenteerde album () uit 2002. Kort erna krijgen we met "Hafsól" een terugblik op het obscure debuutalbum Von met donderende, epische geluiden die opbouwen naar een daverende climax die sommige fans van het laatste uur bevreemd doet opkijken. Hier is Sigur Rós dan ook nog altijd het meest in zijn element: als er vanuit schoonheid een geluidsstorm kan opgebouwd worden, als er een catharsis kan teweeg gebracht worden.

Ook al krijgen we nog even die vreemde single "Gobledigook" (één en al tribale percussie en "lalalala"’s), zo zijn we terug waar we begonnen zijn: bij de postrock waarmee het allemaal ooit begon. En even krijgen we het vermoeden dat het allemaal maar om te lachen was, die laatste twee cd’s vol lichtere, echte liedjes.

Dat was het natuurlijk niet — daarvoor is de evolutie te logisch gegaan; het was de enige richting die de groep uitkon. Maar waar het nu naartoe moet is maar zeer de vraag. Nog groter worden zal de band pijn doen, zo werd vanavond bewezen. Om ook op dit niveau uitstekende concerten te geven, zal er echter iets moeten veranderen. We willen niet muggenziften en geven grif toe: dit was wel degelijk een goed optreden. Maar na verschillende sterke tot ijzersterke passages van de band, is het behoorlijk ontgoochelend om te zien hoe ongenuanceerd en gemakkelijk alles vanavond werd afgehaspeld. Deze band kan beter, en dat weten de groepsleden beter dan wie ook, zo vermoeden we.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 + 4 =