Dez Mona, 15 november, Stuk

Voor zijn optreden staat er een in kostuum gehesen man onopvallend vanaf de toog het voorprogramma Simple Brain gade te slaan. Hij drinkt gulzig van een grote fles water, smeert zo zijn stembanden. Gregory Frateur, de frontman van Dez Mona, verdwijnt even onopvallend weer achter de coulissen om een dik half uur later zelf zijn opwachting te maken op het podium. Samen met zijn vier muzikanten zal hij vanavond een publiek bezweren.

Het begint met de jazzy muziek die aan het hoofdprogramma voorafgaat. Een tapijt wordt op de planken uitgerold, kaarsen worden aangestoken, een bordeauxrode doek fungeert als achtergrondvisual. Dez Mona is een universum dat weinig te zien heeft met alledaagse dingen. Het publiek duikt mee in de trip: wanneer de groep plots op het podium verschijnt, kan je een speld horen vallen.

Frateur is orkestleider en Godfather-lookalike in één statige gedaante. Op ditzelfde podium zagen we dik twee jaar terug nog Antony & The Johnsons aan het werk — nog voor de grote doorbraak. Kon Antony toen van achter zijn piano een enkeling tot tranen toe bewegen met zijn stem, maar was het in de eerste plaats misschien toch zijn androgyne, timide persoonlijkheid die het publiek naar adem deed happen, dan onderscheidt Frateur zich live van elke gimmick die zijn vocale capaciteiten zou moeten ‘verklaren’ en brengt hij, samen met de band een zeer intense en professionele show.

Oreren of voordragen zijn werkwoorden die ‘s mans prestatie op het podium beter beschrijven dan louter zingen alleen. Geruggensteund door piano, accordeon, drums en de contrabas van Nicolas Rombouts laat de “Antwerpse Antony” een eerste keer zijn ijselijk vibrato schallen in prijsbeesten “Forgive My Tears” en een grotesk “Arid Song”. “Save Me Please!” weergalmt het in grote kapitalen door de zaal. De Titanic is al lang gezonken, maar de accordeon zal blijven jammeren, de contrabas zal van de redding blijven dromen tot het laatste moment.

Nee, aan Algehele Apocalyps geen gebrek bij deze band. Dez Mona is evengoed een theatraal als een muzikaal schouwspel en als dat door sommigen nog wel eens als arty-farty mag worden afgedaan, dan zal de band ook vanavond weer uitgebreid bewijzen dat hij lak heeft aan die kritiek. “Forgive My Tears” krijgt eerst de ruimte om rustig door zijn strofen te meanderen, maar spat in extremis open als een bloedrode kers. Frateur toont zich als een rocker met sprongetjes en slangengekonkel, daarmee zijn band opzwepend, naar een nieuwe climax. Ook “On Trial”, de hysterische hidden track op Moments Of Dejection Or Despondency passeert al vroeg in de set en zet nog eens heel erg nadrukkelijk de puntjes op de i. Frateur krijst, kermt, tiert, wordt gekeeld en steekt Mariah Caray in een onbestaande competitie naar de kroon wat betreft het overbruggen van een toonladder of zevenenzeventig. De sinistere en zelfs dreigende sfeer waarin dit alles baadt, voelt achtereenvolgens bevreemdend, beklemmend en betoverend aan en plots vragen we ons bezorgd af of er soms kinderen in de zaal zijn.

“Vandaag spelen wij voor U een aantal songs uit ons repertoire,” deelt Frateur laconiek mee. Dat de groep dat repertoire na amper twee platen ook wel degelijk heeft, mag blijken uit het feit dat er uit het nieuwe Moments amper vijf songs worden geplukt. Gospelcovers als Mahalia Jacksons “Elijah Rock” worden door de band feilloos naar zijn hand gezet . De set wordt verder aangevuld met de beste nummers uit het debuut en enkele nieuwe songs die op het eerste gehoor redelijk onstuimig klinken dankzij een duidelijke Balkaninslag die ook op Moments al hier en daar te ontwaren viel.

Bestellingen worden op fluistertoon doorgegeven aan de toog, wanneer de storm gaat liggen na een nieuwe vloedgolf. “Sister” krijgt een, contrasterend lichte, jazzy toets mee, maar rijdt zich alsnog knel in de diepe plassen der onpeilbare wanhoop. In “Blue Girl” en een verstild “She Says It’s Not For Long” mag de band haar kunnen tonen met een schitterende symbiose tussen de zoete accordeon enerzijds, en de monotoon hypnotiserende contrabas anderzijds. Frateur staat al die tijd roerloos, schijnbaar in zichzelf gekeerd, aan de rand van het podium. Enkel de kaarsen zorgen voor licht.

De band weet zijn moment te kiezen en sluit af met het mooie “Who Knows Where the Time Goes”. Een laatste keer mogen de rust van de contrabas en een bijzonder gevoelige piano het pad effenen voor Frateurs theatrale vertolking van een verhaal dat allicht ook weer in een schemerig niemandsland zijn eindbestemming vindt. De collectieve buiging waarmee het vijftal vooraan op het podium afscheid neemt, is ontleend aan het theater en houdt het plechtstatige, intense en bijna sektarische karakter van deze muziekavond tot op het einde aan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + achttien =