Jabberwocky




‘t Was brillig, and the slithy toves / Did gyre
and gimble in the wabe / All mimsy were the borogoves / And the
mome raths outgrabe.

Dat is het begin van ‘Jabberwocky’, een gedicht van Lewis
Carroll, de man die ook ‘Alice in Wonderland’ schreef – een stukje
poëzie dat tsjokvol nonsenswoorden zit, maar in ruwe lijnen over
een jongen gaat die een monster doodt en het hoofd aan zijn vader
laat zien, om te bewijzen wat hij waard is. Voor zijn eerste
solofilm nam Terry Gilliam dat basisconcept over, en hij maakte er
een prent van die vaak al even onzinnig is als het gedicht zelf.
Alle begin is moeilijk, zo wordt wel eens gezegd door mensen die
graag in clichés spreken, en dat blijkt hier. Anno 1977 (nog vóór
hij met Monty Python ‘Life of Brian’ maakte, en slechts twee jaar
na ‘The Holy Grail’) toont Gilliam zich nog in hoge mate een
regisseur-in-wording, die nog lang niet zeker is welk verhaal hij
wilt vertellen of hoe hij dat moet doen. Bepaalde thema’s duiken
wel op, ja, maar die gaan maar al te vaak verloren in de chaos van
losse ideetjes die ‘Jabberwocky’ is.

Het zijn de Middeleeuwen (ages darker than anyone could have
foreseen,
klinkt het in de film), en het Britse land wordt
geteisterd door de Jabberwock, een mysterieus monster dan mensen
met huid en haar verslindt. Slechts enkele kleine dorpjes zijn
gespaard gebleven van het verschrikkelijke beest, waaronder dat van
Dennis Cooper (Michael Palin), de sullige zoon van een tonnenmaker.
Dennis probeert wanhopig het hart te veroveren van de
angstaanjagend dikke Griselda Fishfinger, en wanneer dat niet
blijkt te lukken, besluit hij dat er drastische actie nodig is. Hij
trekt naar de grote stad om daar de rijke en moedige man te worden
die Griselda verdient. Na een nauwelijks na te vertellen reeks
avonturen komt hij terecht in een steekspel, georganiseerd door de
koning, om te bepalen welke ridder de Jabberwock moet gaan doden.
Het spreekt voor zich dat Dennis zich al gauw oog in oog bevindt
met het gruwelijke beest.

Dat is de basisplot (die inderdaad overtonen laat horen van wat
er in het gedicht plaatsvindt), maar op, onder en naast dat
primaire verhaal stauwt Gilliam z’n film vol met personages en
situaties, die al dan niet erg veel invloed uitoefenen op dat
verhaal. We krijgen half-demente koningen, botergeile prinsessen,
nonnen in travestie, overspelige herbergiersvrouwen en ga zo maar
door in een oneindige parade aan karikaturen, die allemaal in
sketch-situaties worden gestoken. Dat is een belangrijk probleem
met ‘Jabberwocky’: enerzijds wil Gilliam duidelijk verder evolueren
van de Monty Pythonfilms, en een échte film met een fatsoenlijk
verhaal vertellen, met een begin, een midden en een einde. Maar
anderzijds blijft hij vasthangen aan de episodische structuur van
zijn werk met Monty Python. Verschillende scènes hebben nauwelijks
iets met elkaar te maken, maar lijken er enkel te zijn ingeschreven
omdat de filmmakers het op het moment van schrijven wel lollig
vonden. In een Monty Pythonfilm werkte dat, omdat dat nu eenmaal de
opzet van die films waren – ze probeerden ook niets meer te zijn
dan dat. En het werkte ook omdat er aan werd geschreven door het
hele Python-team, dat verdorie goed wist wat grappig was en wat
niet. Hier voel je continu dat de regisseur eigenlijk meer
samenhang in z’n film probeert te brengen dan er maar inzit, en dat
wringt. Bovendien zijn de grappen nog niet half zo succesvol als
die in de gemiddelde Pythonfilm: hier en daar zit er een giller,
maar veel ervan vallen ook plat op hun neus.

Net zoals in ‘Monty Python and the Holy Grail’, krijgen we ook
hier weer een visie op een decadente, glorieus corrupte
maatschappij. Dennis vertrekt naar de stad met een nobele, hoofse
bedoeling: een echte man te worden, een heer die de liefde van zijn
vrouw verdient. Hij gelooft in de idealen die we allemaal kennen
uit de literatuur van (en over) die tijd: zuivere liefde,
heldenmoed en al de rest. Maar om hem heen zien we uitsluitend
idioten en smeerlappen. Zijn grote liefde Griselda keurt hem
nauwelijks een blik waardig en is enkel geïnteresseerd in vreten.
De koning is een bloeddorstige dwaas, die een steekspel onder zijn
ridders organiseert om er één te vinden die de Jabberwock aankan,
maar vooral ook omdat hij graag hun bloed ziet rondspatten.
Soldaten zijn sadistische pestkoppen, de kerk is er enkel om
anderen op de brandstapel te zetten en zijn eigen macht te
vergroten. Alles en iedereen in ‘Jabberwocky’ is corrupt, behalve
Dennis.

Da’s een interessant gegeven, maar het gaat verscholen in een
film die worstelt met z’n eigen fragmentarische structuur.
Bovendien hamert Gilliam veel te veel op de lelijkheid en
vunzigheid van z’n setting en z’n personages. Alle personages lopen
rond met zwarte tanden en modder op hun gezicht. De kak- en
pisgrappen zijn, zeker tijdens het eerste half uur, haast constant
aanwezig, en Gilliam lijkt ook een bizarre voorliefde te voelen
voor komische gore: een bedelaar hakt zijn eigen voet af
omdat daar meer profijt uit te halen is. Een stroper wordt aan het
begin van de film gedood door de Jabberwock, waarna er enkel een
skelet met enkele brokjes vlees overblijft. En zulke momenten zijn
er nog: de regisseur benadrukt waar hij maar kan de vunzigheid van
zijn film. Nu zal persoonlijke hygiëne in de Middeleeuwen niet
bepaald hoog op de lijst van prioriteiten hebben gestaan, maar
Gilliam wentelt zich in die vuiligheid, en dat zorgt voor een
bepaalde weerstand bij de kijker.

Er zit dus wel een idee achter ‘Jabberwocky’, en hier en daar
zitten best leuke scènes, maar de flauwe momenten overheersen te
veel, en de makers kunnen niet beslissen of ze nu een sketchfilm of
een volwaardig verhaal willen maken. Een hobbelige start voor
Gilliam, maar één die hij nog meer dan goed zou maken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf + 16 =