PUKKELPOP 2007 :: Main Stage, zaterdag 18 augustus

Zaterdag, kleppersdag op de Main Stage met restjes At The Drive-In, een Mike Skinner die iets goed te maken heeft na een schabouwelijke passage enkele jaren geleden en luidruchtige headliners als Nine Inch Nails en Tool. Bring the noise!

Aan de meeste emocore hebben wij een broertje dood en de enige reden dat Sparta het voordeel van de twijfel krijgt, is dan ook dat de groep is ontstaan uit het geweldige At The Drive-In. “Emo op je nuchtere maag” kondigt Luc Janssen hen aan, alsof het een slecht idee is om te blijven luisteren. Strak in het zwart gestoken en met een hoop redenen om boos te zijn op de wereld in hun achterzak, betreden de Spartanen het podium. En hop: emocore, het idiootste en meest ergerlijke genre dat vaag iets met punk te maken heeft. Al weet Sparta het nog een beetje inventief te brengen, na drie songs hebben we het wel gehad, en ook van op een wat veiliger afstand horen we helaas geen “Cut Your Ribbon”. Het zal wel nooit goed komen tussen ons en emocore.

Tweeëneenhalve dag Pukkelpop maakt zelfs de meest doorgewinterde festivalganger enigszins loom. Bovendien straalt de zon voor het eerst in volle kracht neer op een goed gevulde weide. The Streets hebben het dus niet helemaal onder de markt, maar Mike Skinner blijft trekken en sleuren tot de gereserveerde massa in beweging komt. Hij springt als een bezetene heen en weer, vangt en passant een frisbee op (en gooit hem weer terug), eist dat we plezier hebben en laat ons ook een beetje raven. Tegen slotnummer “Fit But You Know It” zijn we dan ook weer helemaal wakker en een onverwoestbaar goed humeur rijker. Respect!

Eén zomer, twee festivalconcerten en toch geen twee keer raak zeker? Waar voor de meeste bands geldt dat ze in een zaal beter tot hun recht komen, klinkt de southern rock van Kings Of Leon net zo goed of zelfs beter dan in een zaal in een grootstad. De Followill-clan staat vol zelfvertrouwen op het hoofdpodium en heeft in geen tijd het publiek in z’n zak. Met nummers als “On Call” lijkt zulks evident, maar dat de band niet kiest voor makkelijk succes, bewijst het heerlijk uitgesponnen “Knocked Up”. Het betere gitaargeweld beheerst de set, maar het is vooral de strot van frontman Caleb Followill die indruk maakt. Followill is aan Frank Black schatplichtig en drijft menig duivel uit wanneer hij de boel bij elkaar krijst tijdens het manische “Charmer” of het gejaagde “McFearless”. Met een no nonsense-attitude, een wat aftands uiterlijk en een uitstekend concert tonen Kings Of Leon dat ze een latere stek op het hoofdpodium waard zijn: nog geen wereldklasse, maar in ieder geval goed op weg.

Zo nog bij klaarlichte dag, wil het voor Ozark Henrydan weer niet goed lukken. Jubelberichten over een sterke headlinerpassage op het Cactusfestival maakten ons ondanks de kutplaat (nemen we geen woord van terug, van die recensie) The Soft Machine lekker, maar al gauw dwalen de gedachten opnieuw af richting die nodig te nuttigen hamburger. Niet dat Piet Goddaer niet probeert met af en toe serieus naar techno neigende beats en klassesingles “Rescue” en “At Sea”, maar daartussen zakt de show al te vaak in. Ozark Henry glijdt voorbij zonder te storen en dat is dan wel meer dan we over Within Temptation gisteren konden zeggen, het was niet genoeg.

Met Year Zero keerde Trent Reznor dit jaar op indrukwekkende wijze terug naar de eenzame hoogten waarop hij begin jaren negentig de industrial heruitvond. Na twee uitverkochte concerten in de AB mag hij nu ook de Pukkelwei pletwalsen met brokken oud werk als “Sin” en “March Of The Pigs”, maar ook recenter werk komt veelvuldig aan bod. Zoals gewoonlijk is de show weer af met een band die halverwege plaatsneemt achter een scherm vol ruis om “Only” te spelen. “Hurt” mag traditiegetrouw besluiten. Subliem.

En dan is het tijd voor Tool. Los Angeles’ existentieelste metallers staan voor de vierde maal in dertien maanden tijd op een Belgisch podium. Fijn dat de heren zoveel aandacht hebben voor ons kleine landje maar we hadden graag een beetje meer variatie in de setlist gezien. Viermaal “Jambi” en “Rosetta Stoned” is — zeker gezien de indrukwekkende songcatalogus — enigszins van het goede teveel. De groep speelt strakker dan ooit en Maynard James Keenan is verbazend goed bij stem om pas nog een optreden afgezegd te hebben omwille van een keelontsteking, maar het déjà-vugevoel is groot. Puntgaaf, indrukwekkend en concertgewijs in feite geen klachten, maar de overexposure wacht om de hoek. “See you all very, very soon”, besluit Keenan na een verschroeiend “Lateralus”. Graag, maar dan wel met iets meer variatie dan een (weliswaar knallend) “Flood” als het even kan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 3 =