Lisa Gerrard

Silencio

Terwijl het reeds in oceaangeluiden en zachte kreten
ondergedompelde Koninklijk Circus langzaamaan volliep, rolden de
woorden ‘Dead Can Dance’ vaak over de tongen. Ondanks de
succesvolle solo-carrière die Lisa Gerrard de voorbije jaren
uitbouwde, zal haar naam steeds in de schaduw van de
darkwave-legende blijven sluimeren. Nochtans bewees de Australische
deze avond dat ze ook op haar eentje haar publiek in vervoering kan
brengen.

Het enkel met witte doeken opgeluisterde podium deelde Gerrard met
een piano en synths. De overige geluidseffecten werden door het
mengpaneel geproduceerd, wat bij de opener ‘The Tempest’ (geplukt
uit de soundtrack van The Insider) nog even
wennen was. Waar het live-gevoel tijdens deze eerste minuten beknot
werd door de vele vooropgenomen effecten, werd met deze samples in
het gros van wat volgde spaarzamer omgesprongen. Het is tenslotte
in deze bescheidener arrangementen dat Gerrards stemgeluid, dé
reden van onze komst, het best tot haar recht komt. Hoe zeer deze
klanken op plaat ook intrigeren, het is live dat ze je pas echt
overdonderen. Als geen ander bespeelt Gerrard haar stem als een
instrument dat ze van een bijna mannelijk aandoende alt naar
bezwerende hoogten kan jagen. Hiermee slaagde ze er als geen ander
in een brede waaier aan emoties aan haar publiek over te dragen:
van hoopvolle sereniteit in een impressionant ‘Sacrifice’ tot een
tragisch liefdesportret inj het a capella ‘The Wind That Shakes The
Barley’.

Gerrard plaatste zich op het podium tussen de klassieke diva en de
jazzy nachtclubzangeres in. Uitgedost in bescheidener versies van
de baljurk (voor deze avond had ze twee outfits klaargelegd) bleef
haar performance naar gewoonte zeer statisch, maar ging ze gepaard
met een mimiek die van een totale overgave aan haar materiaal
getuigde. Enige afleiding hiervan werd geweerd: onderbrekingen
kwamen slechts sporadisch voor – onder meer een verontschuldiging
voor haar gebrek aan evenwicht bij afwezigheid van een steunpunt –
en de backing vocalist nam de voorstelling van de band voor zijn
rekening. Live streeft Lisa Gerrard op muzikaal vlak dan ook naar
totale perfectie: ‘Dreams Made Flesh’ werd zelfs tweemaal na elkaar
opgevoerd omdat ze gewend was dit te brengen met de yangqin in
plaats van pianobegeleiding en haar prestatie hierbij als
ondermaats aanvoelde.

Het zijn nog steeds de Dead Can Dance-klassiekers die het best
onthaald worden: de inzet van ‘Sanvean’ zette dadelijk tot een
applaus van herkenning aan en een adembenemende versie van ‘The
Host Of Seraphim’ werd middenin de set terecht al op een staande
ovatie getrakteerd. Op het podium doorstaat het nieuwe materiaal
echter de vergelijking. ‘In Exile’ exploreerde met glans de
etnische mysteries en de duistere ‘Salem’s Lot Aria’ greep recht
naar de keel. Een blijde verrassing was ook de aanwezigheid van
‘Spaceweaver’, het neusje van de zalm op ‘The Silver Tree’ en het
hoogtepunt van de hedendaagser jazzy composities die verspreid over
de avond aan bod kwamen. De trance die de set vakkundig opbouwde
werd enkel aan het einde even doorbroken bij het clichématige
eerste afscheid ‘Now We Are Free’, dat met een overdreven luide
mixtape te geforceerd overkwam. Zulke artificialiteit vloekt sterk
met de etherische pracht die de rest van het concert
karakteriseerde en werd gelukkig in de bisronde goedgemaakt, die
met het ingetogen wiegelied ‘Sleep’ wel een geslaagd einde aan de
avond laste.

Herinnert u zich de opvoering van ‘Llorando’ in Mulholland Drive: de
volledige overgave aan de bezwerende zangstem, de o zo
aantrekkelijke bevreemdende mystiek, het gevoel even van de wereld
weg te zijn? Wie zich ervoor open stelde, kon vanavond twee uur
lang het gevoel van club Silencio ervaren. Zelf gaven we ons al bij
‘Desert Song’, het tweede nummer op het menu, over aan Lisa Gerrard
en teren we nu nog voort op de roes die deze bezwerende ervaring
naliet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − negen =