Daniel Johnston + Gruff Rhys + The Bony King of Nowhere

danieljohnston.jpgDraaiende Brazilianen, tralalabands en fragiele
harpspeelsters ten spijt, als het Dominofestival dit jaar één grote
naam kende, dan was het wel de cultfiguur die hier op het podium
stond. En neen, het was niet Gruff Rhys. Het was een 46-jarige
Texaan die er twintig jaar ouder uitzag, zijn microfoon bevend
vasthield en zijn lyrics las uit zijn tekstenboek.

De behoorlijk jonge Bram Vanparys begon solo aan zijn veertig
minuten en bewees met opener ‘My Favourite’ onmiddellijk waarom
The Bony King of Nowhere alom het ene positieve
woord na het andere over zich heen krijgt: de man heeft de juiste
writing skills te pakken en beschikt over een stem die een
zaal moeiteloos stil krijgt. Denk aan het timbre van Devendra
Banhart en Sam Beam (Iron & Wine), met af en toe een vleugje
van een lage Thom Yorke en zelfs wat Jasper Steverlinck.
Vanaf het tweede nummer nam ook gitariste en pianiste Cleo Janse
deel aan het gebeuren, waarbij ze haar zenuwen niet volledig onder
controle kreeg, maar daar in haar muzikale rol weinig tot niets van
liet merken. Vocaal versterkte ze Vanparys zoals Dawn McCarthey dat
bij Will Oldham doet en vooral haar vleugelpiano speelde bij
momenten lekker in op het gitaarspel van de frontman. Grappig maar
vooral pijnlijk was de gsm tijdens een pianogedeelte van de sterke
afsluiter ‘Maria’. Had Janse gepauzeerd om haar eigen gsm te nemen
en het bericht te lezen, hadden we Little Britain live on
stage.

Om een heel andere reden dan The Bony King of Nowhere, kreeg
Gruff Rhys, frontman van the Super Furry Animals
en sinds 2005 ook solo actief, de zaal eveneens aan zijn lippen. De
man is een geboren verteller en slaagde erin met zijn droge humor,
excentrieke handelswijze en oprechte, eenvoudige bedoelingen het
publiek te charmeren. Voor zich had hij een tafel met de meest
gekke, geluidmakende snufjes, waaronder zijn drummer Colin. Naast
hem zat Lisa Jen, ook actief op zijn laatste, Candylion, die een
nummer als ‘Lonesome Words’ met haar hoge stem vervolledigde.
Zoals we van Rhys gewend zijn, zong hij zowel in het Welsh als in
het Anglo-Amerikaans, zoals hij het uitdrukte. Zelf voelt hij zich
beter in zijn moedertaal omdat het natuurlijker is, wat hij op een
hilarische wijze probeerde te staven met een Hongaars en een
Engelstalig cd-fragment van Sarolta Zalatnay, waarvan de conclusie
was dat ze beter bij Hongaars was gebleven. De Welshe folk zoals
‘Gyrru Gyrru Gyrru’ en het volksdansnummer waarin ‘furlala’
meerdere keren aan bod kwam, waren eerder grappig dan muzikaal
interessant maar wat hij met zijn loop station uit zijn
mouw toverde, was wel indrukwekkend. Zo bracht hij een heel
tropisch regenwoud tot leven met ter plekke gemaakte vogelgeluiden
die elkaar bleven herhalen en barstte de hel los in het slotstuk
van ‘Cycle of Violence’.

Om de hype Daniel Johnston nog wat aan te wakkeren
kon de AB zich op zolder vergapen aan de pakkende documentaire ‘The
Devil and Daniel Johnston’, die de kijker achterliet met een gevoel
van medelijden en ontzag tegelijk, een combinatie die ook het hele
optreden kenmerkte. In zijn fysieke toestand – Johnston is manisch
depressief – is de man niet meer in staat zichzelf langdurig te
begeleiden, waardoor enkele ‘vrienden’ oplossing boden. Het
optreden was min of meer op te delen in drie delen: een waar de
band Smutfish achter hem stond, een waarin hij zelf zijn gitaar ter
hand nam en aan de piano ging zitten en een waar Das Pop, waarvan
hij de naam was vergeten, de eer kreeg hem muzikaal te
ondersteunen. Of hij het zo had gewild, is ons onbekend, maar vast
staat dat deze bands ervoor zorgden dat Johnston bij momenten
serieus rockend uit de hoek kwam. Bij opener ‘Rock this Town’ en
‘Rock ‘n Roll, EGA’, waarbij alle begeleiders samen op het podium
stonden, vloog de stoom eraf en was de denderende rock
gerechtvaardigd, maar bij andere songs hadden de bands zich iets
bescheidener mogen opstellen.
Het gedeelte waarin de Amerikaan alleen op het podium stond, was
wellicht het meest dankbare voor het enthousiaste publiek. Het deed
een mens iets als hij er ‘there’s no telling how cruel love can
get’
en ‘all the people laughing and so much pain’
zong, waarmee zijn twee belangrijkste thema’s zijn samengevat:
onbereikbare liefde (‘Syrup of Tears’, ‘Love Not Dead’, bisnummer
‘True Love Will Find You in the End’,…) is het hoofdthema van
Johnston en is helemaal terug te brengen op die ene vrouw Laurrie
die voor de man steeds een obsessie en muze geweest is. Het andere
belangrijke thema is de hardheid van zijn bestaan (‘Life in Vain’),
waarbij hij onverwacht ook positief uit de hoek kwam, als wilde het
voorafgaande leed allemaal goedpraten. Het treffendste voorbeeld
hiervan was het sterke ‘Living Life’.

Muzikaal was Johnston niet perfect en ook de begeleiding ging niet
vrijuit, maar als je die gebroken man met zijn overslaande stem
zijn geniale popnummers hoorde brengen, dan wist je dat je naar
iets fenomenaals aan het kijken was. Daniel, you are the
Beatles.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vier =