Is het niet zo dat we het beluisteren van cd’s vaak combineren met iets anders (vaatwas, babbelen, studeren, lezen … )? Van sommige cd’s kan je niet verwachten dat ze je onmiddellijk toegang gunnen. Leg dat boek opzij. Doe de vaat een andere keer. Die vriend(in) kan ook morgen komen. De Gentse vijfkoppige band, bal des boiteux (afkorting: bdb), heeft zijn tweede album uitgebracht. En dat vraagt enige aandacht.
Wat kan je allemaal verwachten op het ’bal der kreupelen’ (bal des boiteux)? Wie zich nu de donkere kroeg uit een verlaten dorp of de angstaanjagende danspassen van de monsterachtige ’autisten’ uit Calvaire (film van Waalse cineast Fabrice du Welz) voor de geest haalt, loopt het gevaar zichzelf in ’zijn eigen hoofd’ vast te rijden. De kans bestaat altijd dat je op het verkeerde bal terechtkomt, maar het zou jammer zijn mocht je dit bal mislopen. Begin alvast met al je ramen open te zetten en de ’buitenlucht’ binnen te laten.
Bdb huist onder hetzelfde label en management van andere Gentse hoogvliegers zoals Sioen, Absynthe Minded en Pieter-Jan De Smet. Binnen dat grotere huis, Keremos, hebben ze nu al, overigens met de hulp van Stef Kamil Carlens (producer), twee tenten opgezet. In de eerste tent, gods and horses (2004), werd je met open armen ontvangen (dat is wat die muziek letterlijk doet, en dat is wat er op hun bijeenkomsten gebeurt), staken ze je het wondermooie "Djinn" in handen, lieten ze je "Air 11" opsnuiven, dronk je jezelf "Lazarus II" en kon je kussen met de mooie (door een fanfare uitgeleide) "Helena". In de tenten van bdb wordt vooralsnog niet gezongen maar het rijke instrumentarium (viool, cello, doedelzak, accordeon, drums, contrabas, gitaar … ) — denk ook aan DAAU — doet waar woorden soms angstvallig op zoek naar zijn in de tijdspanne van een lied: de binnen- en buitengrenzen overschrijden, om die uiteindelijk te verleggen, zonder ze daadwerkelijk vast te leggen.
Vandaag, in de tweede tent, een Small House, (met) Wide Open View, vergasten ze bezoekers op door het leven dartelende wandelgidsen die je de open en ongerepte plekjes tonen, alsook op verkenners van de ’vrolijke’ melancholie die je "Almost Home" doen voelen. Thuis ben je nog lang niet, want "Als Jeanneke Slaapt" kan er nog vanalles gebeuren en sta je plots voor verraderlijke bochten, moet je door klapperende deuren, en ontmoet je de in poppenkleren gewikkelde gedachten en figuren uit je verleden. Dan kruip je uit die zwetende lakens, duw je de wind die tegen je slapers schuurt (samplegeluiden) van je af en bots je op "Desperado".
En daar, zo vroeg op de dag, gebeurt het al: je bent verliefd. "Desperado" klinkt niet half desperado. Deze kruising tussen Calexico en Tindersticks doet wat weinig anderen in het voorbijlopen kunnen: het dwingt je om te kijken, het zelfs achterna te lopen en het in te halen en wat onbeholpen te roepen: "Hé, waarom heet jij Desperado, ik vind je nochtans heel leuk!" Het vloeiende lichte getik van de drums en de soms jennende maar bovenal vleiende vioolbewegingen gaan als ontelbare rupsen en lieveheersbeestjes over je rug.
Alle tien nummers verdienen evenveel aandacht (want het is een concept-cd geworden), maar hier gaat dat niet. Een scharnierpunt is beslist het zesde, "In Mijn Hoofd: Buitenlucht". Je bent net van de grillige en onvoorspelbare "E17" (nr. vijf) gebold, en tijdens de afrit val je terug op jezelf. Het valt zowaar even stil, bijna letterlijk, maar in dit op een na langste nummer (van zes minuten) worden de batterijen herladen, reist de geest onophoudelijk verder, en met wat frisse buitenlucht zitten we met z’n allen op een nieuwe baan. En dat is het moment dat het ’poppy’ "Pentium 120" wapperende vleugels van de zijflappen van de tent maakt. Dit is de vreemde, maar heerlijk verrassende eend in de bijt die net op tijd komt.
Op een bal als dit, waar al eens een trancebevorderende herhaling van dezelfde akkoorden voldoende wordt geacht, waar instrumenten elkaar op verschillende sporen zetten en rollend en bekvechtend over de straat gaan, en waar de knipoogjes naar Ennio Morricone gewoon leuk zijn, mag je titels als "Hier Zal Nooit Mooi Gras Groeien" (nr. negen) nooit voor waar nemen. We kunnen alleen maar hopen op nog meer van het mooie gras dat we hier aantreffen.
Nog voor je begint te luisteren, valt je oog op de albumtitel. In tijden van toenemende fragmentatie en globalisering (ondanks de evolutie naar kleiner wordende gemeenschappen, is er de droomrealiteit van een culturele en economische eenheid) kan de eis van een eigen identiteit nooit een excuus zijn om de ruimere context of wereld niet meer te willen zien. Van op welke ’plaats’ dan ook, kan je je blik naar buiten of op andere plaatsen richten. Het is niet gemakkelijk om dat te doen, niemand heeft dat ooit beweerd. Zo heeft ook niemand gezegd dat het gemakkelijk vertoeven is in de tent van bdb. Maar als je enige moeite doet om er enkele talen en gewoonten bij te leren, heb je er zowaar een zeer fijne tijd.



