Jacques Derrida :: Marges van de filosofie

`Il n`y a pas d`hors-texte’ schreef Jacques Derrida (1930-2004) in 1967 in de essaybundel De la grammatologie, een van de drie werken die dat jaar van zijn hand verscheen en hem meteen naar het firmanent van de moderne filosofie katapulteerde. Met de stelling beweerde Derrida niet dat zoals wel eens gedacht wordt, dat alles louter uit woorden bestaat maar veeleer dat ook de waarneembare wereld zich als een tekst gedraagt en dat geen enkel begrip noch ding op zichzelf staat en dus ook waarheid tussen aanhalingstekens komt te staan.

In datzelfde jaar publiceerde Derrida ook La voix et le phénomene waarin hij dieper inging op het werk van Edmund Husserl (1859-1938) en meer bepaald diens visie op taal in Logische Untersuchungen (1900-1901), en L`écriture et la différence waarbij hij in drie verschillende essays tijdgenoot Michel Foucaults (1926-1984) Histoire de la folie à l’âge classique – Folie et déraison (1961) onder de loep nam alsook Emmanuel Levinas`denken (1906-1995) en het structuralisme van Claude Lévi-Strauss (1908-2009). Foucault was hiermee niet opgezet en pareerde volgens sommigen in zowel Les mots et les choses: Une archéologie des sciences humaine (1966) en L’archéologie du savoir (1969) Derridas kritiek. Derrida zelf was intussen echter verder zijn eigen weg gegaan en zou in 1972 opnieuw drie bundels publiceren: Dissémination, Positions (een verzameling interviews) en Marges de la philosophie, dat naast de drie bundels uit 1967 gerekend wordt tot een van zijn hoofdwerken.

Het denken van Derrida laat zich vaak samenvatten onder de noemers deconstructivisme en differentiedenken, al blijft een goede definitie of omschrijving hiermee nog steeds achterwege. Een belangrijke reden hiervoor is dat Derrida geen helder schrijver is en zich vaak zozeer in details verliest dat het moeilijk wordt te begrijpen wat hij net zeggen wil. Mede hierom werd hij al snel binnen filosofische kringen opzij geschoven als een soort charlatan die zich wentelt in obscuriteit om de paar gemeenplaatsen die zijn werk bevat te verhullen. Tezelfdertijd echter vond en vindt de methode van Derrida nog steeds de nodige aanhang, vooral onder literatuurwetenschappers en sociologen die in zijn methode en denken, net als dat van andere postmoderne filofosen (oa Foucault) mee de basis vonden voor relatief nieuwe (en vaak ook bekritiseerde) onderzoekdomeinen als postkolonialisme, genderstudies, feministische filosofie, en dergelijke.

Dat Derrida vanuit zijn aanpak in de eerste plaats binnen de letteren meer aanhang vond dan binnen de filosofie is niet zo vreemd. Niet alleen lagen zijn eigen interesses bij zowel taalkunde en literatuur als bij filosofie, hij was ook van mening dat filosofieteksten en literatuur niet noodzakelijk van elkaar verschilden. Als student aan de prestigieuze École normale supérieure (Parijs) richtte hij in de eerste plaats zijn aandacht op Edmund Husserl, al drukten de geschriften van de linguïst Fernand de Saussure (1857-1913), Friedrich Nietzsche (1844-1900) en Martin Heidegger (1889-1976) eveneens hun stempel op zijn denken. Het is vooral via hen dat hij meermaals een studie naar de Westerse metafysica onderneemt, met het doel het te deconstrueren door geschriften van verschillende filosofen tegenover elkaar te stellen.

Net als de meeste postmoderne filosofen plaats hij zich dan ook binnen een traditie en bouwt hij verder op wat in de eeuwen voor hem gedacht en geschreven werd (wat veel moderne aanhangers in het bjizonder in de VS missen, met alle reducties en foute interpretaties vandien). Ook in Marges van de filosofie staan bepaalde filosofische denkbeelden en teksten centraal. Zo koppelt hij in het befaamde “De differantie” het differentiebegrip van Saussure en Heidegger aan elkaar om tot een eigen interpretatie te komen en is in ‘De put en de piramide” Hegels opvattingen over semiologie de kern. In “Vorm en zeggingswil” wordt nogmaals ingegaan op de fenomenologie van Husserl terwijl “De Geneefse kring van taalkundigen” onder meer Jean-Jacques Rousseau onder de loep neemt.

Tot de indrukwekkendste essays behoren ongetwijfeld naast het vermelde “De differantie”, “Oussia en Gramme” waar Heideggers tijdsfilosofie aan het Platoonse onderscheid tussen een oorspronkelijke en een vervallen wereld gekoppeld wordt, de ondertitel `voetnoot bij een voetnoot` is overigens veelzeggend. In “Witte mythologie” (dat niet vooruitloopt op hedendaagse identiteitsdebatten) wordt met enige kennis van zaken gesproken over metaforen en hoe weinig die in essentie verschillen van begrippen, en komt zelfs een hele schare aan schrijvers en filosofen voorbij. Dat het tussen Derrida en de Britse analytische filosofie, die nochtans ook taal als haar voornaamste studie-onderwerp had, overigens nooit goed gekomen is, maakt “Signatuur Gebeurtenis Contecxt” duidelijk waarin Derrida op zijn kenmerkende manier het denken van de school aanvalt en in het bijzonder de denkbeelden van J. L. Austin.

Marges van de filosofie is een harde noot om te kraken. De tien essays, die verschillen in lengte van een twintigtal tot bijna vijftig pagina`s, vormen kleine werelden op zich die de tijd vragen om gelezen en enigszins begrepen te worden. Derrida vertrekt hierbij bovendien van de nodige achtergrondkennis van zijn lezer waardoor hij veel begrippen en denkbeelden niet verder toelicht. Al dan niet bewust creëert hij hiermee een extra drempel die moeilijk te overwinnen is, zelfs voor wie enigszins beslagen is in taaltheorie en filosofie. Daarnaast schrijft hij ook (doelbewust?) zo gedetailleerd en specialistisch dat vaak moeilijk op te maken valt wat hij net wenst over te brengen en in hoeverre hij wel een punt heeft. Soms lijkt het wel alsof hij goochelt met woorden in een poging de lezer af te leiden van de essentie.

Het is een kritiek die hem veelvuldig ten deel valt en zeker niet onterecht is. Maar zoals hij in deze bundel aantoont, kunnen teksten wel degelijk multi-interpretabel zijn en verraden ze net zo goed achterliggende motieven van de auteurs, zonder dat deze zich er noodzakelijk van bewust zijn. Hoewel Derrida zichzelf verliest in details en vaagheden, schuilt er wel een kern in zijn betoog die het waard is ernstig genomen te worden en bestudeerd en bekritiseerd. De manier en de moed waarmee Derrida de Westerse metafysica in vraag stelt is indrukwekkend en maakt van Marges van de filosofie een fascinerend huzarenstukje dat intellectueel meer dan prikkelt, zelfs voor wie het niet met hem eens is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + vijftien =