Everything Must Go :: Manic Street Preachers overwinnen de wanhoop

Het boegbeeld weg. Het uithangbord kwijt. Kon niet anders of het was over en uit voor Manic Street Preachers die ochtend in 1995 dat Richey Edwards zonder aankondiging zijn hotel uitwandelde om nooit meer terug te komen. En toch: everything must go. Al een dik jaar later stond de Welshe rockgroep er terug, nieuw geluid en imago incluis. De meest succesvolle doorstart, sinds Joy Division New Order werd, was een feit.

It was no surface, but all feeling

Het blijft de ultieme rock-‘n-rollmythe: gitarist wandelt op een ochtend zijn hotel uit om nooit meer te worden gezien. Voor Manic Street Preachers was het bittere realiteit, die eerste februari van 1995. Een perstrip naar de Verenigde Staten kon meteen geschrapt worden, maar belangrijker: drie twintigers waren hun beste kameraad kwijt. En dat deed pijn. Veel pijn.

Het viel daarom niet uit de lucht. Al van bij het begin was Richey James Edwards de onberekenbare factor in het op zich al volatiele gezelschap Manic Street Preachers: vier jonkies uit de Welshe mijnwerkersvalleien, opgegroeid met het harde beleid van Margareth Thatcher, die wild om zich heen schopten. Ze waren boos, maar ook intelligent. Zeker de belezen, zachtaardige tweede gitarist. Hij kon voor geen meter gitaar spelen, maar was als begenadigd tekstschrijver en woordvoerder wel van cruciaal belang voor het imago van de groep. Hij was het die — zoals Kurt Cobain een continent verder — de connectie maakte met een ontheemde generatie.

Net als bij de betreurde Nirvanafrontman had de medaille echter een keerzijde: hoe hard de jonge twintiger ook naar het sterrendom had gestreefd, eigenlijk was Edwards te fragiel om er goed mee om te gaan. Dat zag je in de teksten, die almaar meer in de gitzwarte poel in zijn hoofd roerden, dat kon je volgen in de pers. Al vroeg in de carrière van Manic Street Preachers was er het incident waarbij hij met een scheermesje “4 Real” in zijn arm kerfde omdat een journalist de integriteit van de band in twijfel trok, verhalen over zijn drankmisbruik en anorexia volgen, over een ontspoord weekend waarin hij zichzelf talloze sneden in de borst toebracht werd gretig bericht. En dan was er ook nog The Holy Bible (1994), waarop de muzikanten helemaal op zijn teksten vertrouwden. Het werd een onmogelijk album dat de de lelijkheid van het menselijke bestaan bezong, weigerde het gouden randje aan de wolk te zien. Songs als “Die In The Summertime” en “Faster” waren regelrechte postkaarten uit het gesticht; een woest schoppend verzet tegen de onvermijdelijkheid van een volwassen, gecompromitteerd leven. Edwards zuchtte naar een onbereikbaar zuiverheidsideaal dat het echte leven in de weg stond.

Alarmbellen hadden al lang moeten af gaan, en Edwards werd ook een tijdje opgenomen in de bekende afkickkliniek The Priory. Het zou niet helpen. Zijn staat bleef wankel, ook na een triomfantelijk toureinde in Londen rond Kerstmis 1994. Wat hem er toe dreef op 1 februari 1995 het hotel te verlaten, waar hij met zanger James Dean Bradfield overnachtte voor hij naar de VS zou vliegen, zal nooit geweten worden. Een lichaam werd niet gevonden, nagelaten spullen brachten geen opheldering. Manic Street Preachers was meer dan een lid kwijt; het was zijn ziel verloren.

I want to fly and run until it hurts / Sleep for a while and speak no words

Daar sta je dan, halverwege je twintiger jaren. Je beste maat is zonder boe of ba vertrokken, het leven dat je samen hebt opgebouwd stuikt ineen. De achtergebleven groepsleden – Bradfield, bassist Nick Wire en drummer Sean Moore — zijn van de hand Gods geslagen en trekken zich terug. Herinnert Wire zich in een interview met NME: “Op een bepaald moment wees mijn dokter er op dat de kans groot was dat Richey dood was en dat ik rouwbegeleiding moest zoeken. Maar hoe kan je rouwen als er geen lijk is; als je niet eens weet of iemand dood is?” Hij zal die periode later samenvatten in het nummer “Australia”: “I want to fly and run until it hurts / Sleep for awhile and speak no words”.

De impasse duurt ook niet lang. Thuis, op zijn eiland, begon Wire dan toch maar te schrijven. Dat was wat hij deed, dus ook nu. Het eerste was een twee pagina’s lang gedicht over het verval van de arbeidersklasse, getiteld “A Design For Life”. Wanneer Bradfield het doorgestuurd krijgt, duurt het geen dagen of hij kan de bassist bellen: “ik denk dat ik er een goeie song van heb gemaakt.” De band besluit voorzichtig om toch opnieuw samen te spelen.

Voor Wire komt er enige onzekerheid bij kijken. Nu hij plots de enige tekstleverancier is, voelt hij de druk op zijn schouders. Gelukkig zijn er nog een paar teksten van Edwards die nog rondslingeren en waar al halve songs op zijn geschreven. En zo is alles als voorheen: de band maakt muziek op teksten van Edwards die zelf geen noot bijdraagt.

Daarmee zijn de lijnen van het speelveld meteen duidelijk, zegt Bradfield: “We zouden geen muziek proberen te schrijven bij de teksten die Richey had achtergelaten. We zouden nieuwe songs spelen die we al hadden geschreven toen hij er nog bij was – het waren Manics songs, Richey had hen allemaal in één of andere vorm gehoord. Zo creëerden we ons vangnet, en eenmaal we de studio introkken ging het eigenlijk vanzelf.” Vult Wire aan: “Het was veel gemakkelijker dan thuis zitten, wachtend op dat telefoontje.”

Eén vraag hangt wel in de lucht: “Is het wel kies om door te gaan?” Edwards is nauwelijks een paar maand weg, en de gevoelens van zijn ouders en zus zijn niet te negeren. Al in mei 1995 zitten band, management en de familie Edwards samen. De drie achterblijvers krijgen het akkoord om door te gaan. “Richey’s vader wilde dat we opnieuw zouden spelen, van zodra we dat konden. Hij hoopte dat het zijn zoon uit zijn kot zou lokken.”

Dat gebeurde niet. Ook niet na de officiële mededeling die eind augustus wordt verstuurd. “Manic Street Preachers hebben besloten om verder te gaan als een trio, zeven maand nadat Richey Edwards vermist werd. Volgende maand begint de groep zijn vierde album op te nemen”, las het. “Manics to continue preaching” zal NME koppen. Er schemert iets van opluchting in door.

I just hope you can forgive us

Meer nog dan de vraag “gaan we door?” volgt bij de opnames de vraag “hoe gaan we door?” Terwijl Manic Street Preachers even tegen het canvas lag, was de situatie in Groot-Brittannië veranderd. Even niet opgelet, en daar stond de volgende generatie grijnzend overwinningstekens te maken. Had een punkgroep uit Wales nog iets te zoeken in een wereld waarin Oasis en Blur de toon bepaalden?

Nu de partij-ideoloog er niet meer bij was hoefden de Manics zich echter ook niets meer aan te trekken van zijn muzikale bemoeienissen genre “Idee voor volgende plaat: Pantera meets Nine Inch Nails meets Screamadelica“. Songs mochten hun eigen weg zoeken, en bleken verrassend toegankelijk, zeker toen producer Mike Hedges een stevig blik strijkers opentrok. Tegen alle oude principes in, werd met “Further Away” voor het eerst zelf een echte lovesong opgenomen. Vond Bradfield overigens niet meer dan normaal. “We hadden het gevoel dat we al die regels die we ons vroeger hadden opgelegd nu wel konden breken. Na alles wat we hadden doorstaan, mochten we onszelf wel eens opnieuw als menselijke wezens gaan presenteren.”

Mensen houden van mensen, zo bleek, want als onverwacht neveneffect bleek Everything Must Go de plaat worden die Manic Street Preachers naar de massa bracht. Als een single haalde “A Design For Life” de tweede plaats in de hitparade, de plaat deed het net zo goed. En dat zorgde voor twijfels bij de trouwe fanbase.

Wie met Manic Street Preachers was opgegroeid, zijn puberteit aan de schrijfsels van Edwards had opgehangen, zag het met lede ogen aan, hoe vlotte, jongens de nieuwe songs uit hun Ford Mondeo lieten schallen. De bandleden zelf beseften dat ook wel, maar het was niet anders. “I just hope you can forgive us”, klonk het in de titelsong van de plaat, “but everything must go”. En die Richeyheads? Die moesten zich maar optrekken aan die paar teksten die van hem waren opgepikt. Depressies genoeg te halen uit iets als “Small Black Flowers”, waarin het lijden in een zoo in gitzwarte zinnen werd samengevat. De conclusie “Here, chewing your tail is joy” zou zelfs dierenliefhebber Morrissey iets te donker hebben gevonden.

En ondertussen probeert ook de band zich een nieuwe houding aan te geven. Zonder camouflagenetten of podiumoutfits, presenteerde de band zich voortaan als gewoon drie blokes uit Wales. De muziek moet het maar doen zonder al die poespas, en dat bleek plots confronterender dan gedacht. In de Haçienda in Manchester, op één van de eerste comebackconcerten, wordt het Wire even teveel, en vloeien er tranen. “Voor het eerst moesten wij anoniem worden en ons achter de muziek verschuilen”, zou hij nadien verklaren. “En ik miste het gewoon enorm om te kunnen leunen op heel die visuele air die we altijd hadden.”

Het werd februari 1997. Dik twee jaar naar die noodlottige dag, en Manic Street Preachers zouden met Everything Must go ongeveer alle NME Brat Awards wegkapen die er toe deden. Bradfield en co waren vertrokken voor een lange carrière, dat citaat uit de titelsong indachtig: “Freed from the memory / Escape from our history”. De vervelling was geslaagd, het verleden achtergelaten. Vanaf nu kon Manic Street Preachers een andere groep zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 1 =